De Italiaanse filosoof en schrijver Giorgio Agamben (Rome, 1942) publiceerde in 1985 het boek Idea della prosa. Het bevat dertig prozastukken. Het kortste (p. 40) bestaat uit zeven regels, het langste enkele pagina’s. Aan het zesentwintigste idee gaf hij de titel ‘Idee van het licht’. Hieronder volgt een Nederlandse vertaling. Een enkele aantekening rondt de pagina af, gevolgd door het Italiaanse origineel.
Idee van het licht
Ik steek in een donkere kamer het licht op: de verlichte kamer is niet langer de donkere kamer. Die ben ik voorgoed kwijt. En toch, gaat het niet om precies dezelfde kamer? Is de donkere kamer nu niet juist de enige inhoud van de verlichte kamer? Wat niet meer binnen mijn bereik ligt, wat oneindig achteruit glipt en mij tegelijkertijd vooruit werpt, is slechts een talige representatie: de duisternis als presuppositie van het licht. Maar zie ik er van af om deze veronderstelling te begrijpen, als ik mijn aandacht richt op het licht zelf, àls ik het dan ontvang, dan geeft het licht mij dezelfde kamer, de niet-hypothetische duisternis. De openbaring heeft het in zichzelf geslotene, het verborgene, als enige inhoud. Het licht is niets anders dan de aan zichzelf verschijnende duisternis.
Aantekeningen bij Idee van het licht
- Bij het werken aan de vertaling van deze tekst moest ik denken aan het boek van Franz Rozenweigs Der Stern der Erlösung. Den Haag: Martinus Nijhoff, 1976. Met name het begin van het derde boek, pp. 423-424.
- Zie ook mijn vertaling van Agambens Idee van de dood.
Aanhangsel: Het origineel
Idea della luce
Accendo la luce in una stanza buia: certo, la stanza illuminata non è più la stanza buia, io l’ho perduta per sempre. Eppure non si tratta proprio della stessa stanza? Non è, appunto, la stanza buia l’unico contenuto della stanza illuminata? Quel che non posso più avere, quel che infinitamente sfugge all’indietro e, insieme, mi slancia in avanti, è solo una rappresentazione del linguaggio, il buio presupposto alla luce; ma se abbandono il tentativo di afferrare questo presupposto, se rivolgo la mia attenzione alla luce stessa, se la ricevo – quel che la luce mi dona è, allora, la stessa stanza, il buio non ipotetico. L’unico contenuto della rivelazione è l’in sé chiuso, il velato – la luce non è che l’avvenire del buio a se stesso.