Giovanni Papini Een gedicht. Vertaling van P.N. van Eyck

In zijn bundel Benaderingen publiceerde de dichter P.N. van Eyck van Giovanni Papini een gedicht uit 1917 getiteld Achtste Gedicht. Van Eycks boekje bevat ook werk van een andere Italiaanse dichter: Giacomo Leopardi. Van hem neemt hij zes vertalingen op. Hieronder Van Eycks Nederlandse versie van ‘Ottava poesia’, het enige gedicht van Papini in de bundel. Ik neem ook twee alinea’s commentaar van de vertaler op.

Achtste Gedicht

Wit schrift. Begin van dag. (De zon gaat op!)
Rekening onbeschreven. Bladzij éen.
Spreek niet van huiswaart keren vóor de top
Van de allerlaatste top: eerst dan ga ‘k heen.

Hel overglansd het zachte lovergroen,
Geur, lauw, van vogelzingen wijd en zijd,
Vergoeding voor dat bitter gisteren, toen
Mijn grootheid nog de kroon droeg van de nijd.

Nimmer als in dit nieuwe morgenuur:
Mijn hart herboren, hamerend opwaarts streeft
Mijn stap, tussen de dubble rotsenmuur,
De straat langs, die het lijf hervonden heeft.

Waar mij mijn aandrang heendrijft volg ik hem,
Herwaarts en derwaarts, heer van de eenzaamheid.
In de gewelfde stilte hoor ‘k mijn stem,
Vast overtuigd en zonder zwijgbeleid.

Eindelijk, en voor altoos, eenzaam thans,
Licht, luchtig, in mijn mond een sigaret,
Ver van wat werklijk is en allemans,
Ga ‘k daarheen, waar mij niets meer raakt noch let.

Ik word tot alles wat mijn oog ontmoet,
De schaduw op de muur, de stralenval,
Adem de zon in en omhels zijn gloed,
Niet vrezend dat hij mij verteren zal.

Min van en voor mijn eigen zelf is dit.
Ik liefkoos lip met lip, gloeiende druk
Ik de ene hand in de andere, ik bezit
Mij zelf geheel, in onverdicht geluk.

Wij zijn geen paar meer. Ik ben enkel de een’,
Die door zijn eigen liefde is voortgebracht;
Ik ben die, geen ontberend, zoekt naar geen,
Nauwelijks verzadigd van háar wilde kracht.

Van diep uit droom die mij bevrijdt, rondom
Nergens een einder, die mijn blikken stuit:
Boven deze aarde, nú mijn eigendom,
Want die mijn voorhoofd gans in zich besluit.

Kussen van licht en lucht aan mijn gelaat,
Brandende van bedwongen wilsbejag,
Geven de vagebond door elk gesmaad
De laatste toets van vorstelijk gezag. –

Maar als, aan ’t einde van de dag, mijn voet
Weer door de kille, strakke straatgroef gaat,
Is wie in ’t schemer-lila huiswaart spoedt,
De stakker waar geen stervling acht op slaat.

P.N. van Eyck zegt dit over zijn vertaling

Had ik […] Papini’s gedicht, dat verzen van een sterk wisselend aantal lettergrepen heeft, geheel in de vorm van het oorspronkelijk willen vertalen, dan zouden mijn Nederlandse verzen op verschillende plaatsen onvermijdelijk gedrongener dan de Italiaanse met hun open en bewegelijk ritme geworden zijn. Ons eigen tien- en elf-lettergrepige vers gaf mij, geloof ik, alle ruimte nodig om, met volledig behoud van Papini’s voorstellingsinhoud, ook die openheid en bewegelijkheid van zijn ritme in het mijne tot uitdrukking te brengen. (p. 53-54.)

En dit over de Italiaanse dichter:

Papini, de door het martelend besef van zijn ontoereikendheid tussen de mensen gedrevene, zoekt ver weg van de stad, op de hoogste bergtop, voor zijn vernedering vergoeding, voor zijn onrustig verlangen de ontbeerde bevrediging, niet in een overgave van zijn eigen beperkte kleinheid aan de onmetelijke grootheid van de natuur, maar – voorbijgaande dronkenschap – in een zelf-vergroting, een zelf-vergoddelijking bijna, waardoor hij zich éen uur, in vorstelijk-eenzame hoogheid, de schepper en drager van de gehele natuur voelt, maar die hem, na de roes, weer even arm en neerslachtig naar de stad doet terugkeren. (p. 68.)

Commentaar bij Giovanni Papini een gedicht uit 1918

Het gedicht bestaat uit 44 verzen verdeeld over elf strofen. Van Eyck zegt hierboven dat hij de vorm wijzigde in het in de Nederlandse verskunst dominerende ’tien- en elf-lettergrepige vers’.  Hij hield zich er aan. Er zijn 7 verzen met 9 lettergrepen, 27 van 10 en 9 van 11. Vers 27 in strofe n° 7 wijkt daarvan af met 12 lettergrepen. Het zouden er 11 zijn geweest als Van Eyck de middelste ‘e’ van ‘andere’ had geëlimineerd.

Mogelijk zag hij dit over het hoofd? Ik wil er overigens op wijzen, dat tussen de tweede druk uit 1945 en het Verzameld werk in drie verzen verschillen bestaan. Van Eyck liet de ‘e’ achterwege in vers 11: ‘dubble’, in vers 19: ‘werklijk’, en vers 44: ‘stervling’. In het V.W. staat de ‘e’ er wel.

Aantekeningen bij Giovanni Papini een gedicht uit 1918

  • Van Eyck geeft deze bibliografische verwijzing: “Giovanni Papini, ‘Opera Prima’ (Firenze 1918), blz. 51: ‘Ottava Poesia’.” Dit zijn de complete bibliografische gegevens: Giovanni Papini, Opera prima. Venti poesie in rima e venti ragioni in prosa. Firenze: Libreria della Voce, 1917, 137 (3) pp. Deze eerste druk telde 500 exemplaren. De tweede druk verscheen in 1918. Een derde verscheen in 1921 bij uitgeverij Vallecchi eveneens in Florence.

Giovanni Papini een gedicht. Vertaling van P.N. van Eyck

  • P.N. van Eyck, Benaderingen: Vertaalde gedichten 1916-1945. Den Haag: A.A.M. Stols, 1950. Een eerste druk in 240 exemplaren verscheen in 1945 en was niet in de handel. De tweede uit 1950 werd in 500 exemplaten gedrukt. De vertaling is ook aanwezig in Verzameld werk. Deel 2, pp. 221-222, p. 239, p. 242.
  • In de online editie van de Enciclopedia Italiana is hier een lemma gewijd aan Van Eyck.
  • Voor een kort verhaal van Papini zie hier op dit weblog.

 

Giovanni Verga De verleiding Een kort verhaal uit 1884

De novelle van Giovanni Verga De verleiding verscheen in het jaar 1884 in een bundel met het thema intime verhalen. Verga woonde in die jaren in Milaan. Het is goed mogelijk, dat de schrijver het bericht over deze vrouwenmoord in eem Milanese krant heeft gelezen. Bij het ontbreken van een Italiaanse versie van Delpher is het  zoeken naar notities een lastige kwestie.

De drie jonge mannen uit zijn verhaal namen de stoomtram uit Milaan. De tram deed dienst vanaf het jaar 1878 en reed via Gorgonzola naar de eindhalte Vaprio d’Adda. Het dorp was bij Milanezen geliefd voor zondagse dagjes buiten de stad. Maar reeds in de zeventiende eeuw had de Vlaamse schilder Gasper van Wittel er riviergezichten geschilderd. Het is mogelijk dat Verga het verhaal schreef naar aanleiding van een werkelijk gebeurde moord op een jonge vrouw.

1

Zo is het gegaan. Zo waar er God een is! Ze waren met z’n drieën: Ambrogio, Carlo en Pigna, de zadelmaker. Hij had ze er bij de haren bijgetrokken om er een vrolijke dag van te maken: ‘Laten we de tram nemen naar Vaprio!’ Maar natuurlijk zonder de vrouwen! Ze wilden dolgraag in alle rust van hun vrije dag genieten.

Ze speelden jeu de boules, maakten een mooie wandeling naar de rivier, tracteerden zichzelf op een drankje en aten aan het eind van de middag in de Witte Merel, onder de pergola. Het was er druk en iemand speelde accordeon, een ander gitaar. Op de schommel zwierden uitgelaten meisjes; en geliefden die een stille hoek opzochten; een vrolijke dag!

Pigna sloofde zich uit tegenover een van de vrouwen aan de tafel naast hen. Ze was koket: ze leunde met een elleboog op tafel en had een hand in haar haar. Ambrogio, een rustige jongen, trok hem aan zijn jasje en zei zacht in zijn oor:

‘Kom, we gaan, anders krijgen we nog mot.’

Achteraf, in de auto van de politie, terugdenkend aan hoe ze in die afgrond waren gegleden, dacht hij dat hij gek zou worden.

Het liep tegen de avond en ze moesten nog een eind lopen om de tram te nemen. Carlo deed alsof hij de binnenwegen kende, want hij was soldaat geweest. Ze namen een pad dat zigzaggend door de weilanden liep. En daarmee begon de ellende!

2

Het had kort na zeven uur kunnen zijn, een prachtige herfstavond, met de velden nog groen en geen mens te bekennen. Zingend liepen ze voort, blij met het uitstapje. Ze waren jong en zonder kopzorgen.

Het ware misschien beter geweest als ze geen geld hadden gehad, of geen werk, of andere problemen. Pigna verkondigde dat ze die zondag hun geld goed hadden besteed. En ze spraken namelijk over vrouwen, over hun lief, ieder het zijne. En Ambrogio, die de onschuld zelf leek,  vertelde met alle details hoe het eraan toe ging met Filippina, als ze elkaar ‘s avonds achter de fabrieksmuur ontmoetten.

‘Je zult zien, mompelde hij op het laatst, zijn voeten deden pijn, ‘je zult zien dat Carlo ons de verkeerde weg heeft laten nemen!

Maar dat natuurlijk niet zo, zei Carlo. Daar achter die rij afgetopte iepen was de tramhalte, maar je kon hem nog niet zien door de avondnevel.

‘L’è sott’il pont, l’è sott’il pont a fà la legnaaa…’, neuriede Ambrogio, die mankend achteraan kwam.

Na een tijdje liepen ze een boerin achterop. Ze had een mand aan haar arm en ging dezelfde kant uit. ‘Prachtig!’, riep Pigna. ‘Aan haar kunnen we de weg vragen.’

Beter nog, het was een leuke jonge vrouw, van het soort dat je het liefst alleen zou willen tegenkomen. ‘Vrouw, is dit de weg naar waar wij heen gaan?’, vroeg Pigna glimlachend.

De vrouw, een eerlijk mense, keek voor zich uit en zonder naar hem te luisteren, stapte ze door.

‘Wat een haast, eh!’, mompelde Carlo. ‘Als ze zo snel loopt om naar haar geliefde te gaan,  dan is hij een gelukvogel!

3

De vrouw, die begreep dat ze haar niet met rust lieten, stond ineens stil, en met de mand in de hand gilde ze:

‘Laat me met rust en bemoei je met je eigen zaken!’

‘Hé, we eten je niet op hoor,’ antwoordde Pigna. ‘Wat krijgen we nou!’

‘Ze liep verder, recht voor zich uitkijkend, koppige boerin die ze was.

Om het ijs te breken, vroeg Carlo:

‘Waar ga je heen schoonheid, en wat is je naam?’

‘Mijn naam is hoe ik mij noem, en ik ga waarheen ik ga.’

Ambrogio wilde de spanning wegnemen: ‘Wees niet bang, we willen je geen kwaad doen. We zijn brave mensen. We gaan naar de tram en bemoeien ons met onze eigen zaken.

Omdat hij het gezicht van een fatsoenlijk mens had, liet de jonge vrouw zich overhalen, ook omdat ze buiten adem raakte en haar voorsprong dreigde te verliezen. Ambrogio wilde weten of ze op de juiste weg waren naar de tram.

‘Ze zeggen van wel,’ antwoordde ze. ‘Maar ik ken deze streek niet,’ voegde ze toe. En ze vertelde dat ze naar de stad kwam om onderdak te zoeken. Pigna, vrolijk van aard, deed alsof hij had begrepen dat werk zocht als min en als zij niet wist waar ze heen moest, dan zou hij nog dezelfde avond een warme plek voor haar vinden. En omdat hij zijn handen niet thuis kon houden, plantte ze een keiharde elleboog in zijn ribben.

4

‘Jezus!’, mompelde hij, ‘Jezus, wat een dreun!’ En de anderen grinnikten.

‘Ik ben niet bang voor jullie of voor wie dan ook,’ antwoordde ze. ‘Voor mij ook niet? En ook niet voor mij? Van ons alle drie samen? En wat als we je met geweld zouden pakken?’ Ze keken om zich heen, in de wijde omtrek was geen levende ziel te bekennen.

‘Of haar verloofde,’ zei Pigna, om van onderwerp te veranderen, ‘of haar verloofde, en hoe komt het dat hij haar heeft laten vertrekken?’

‘Die heb ik niet,’ antwoordde ze.

‘Echt niet? Zo’n mooie vrouw!’

‘Nee, ik ben niet mooi, zeg ik je.’

‘Kom op, we gaan!’ En Pigna werd ineens galant en stond daar met zijn duimen in zijn vestzakken. ‘Mijn God, en of ze mooi was!’ Met die ogen, en die mond, en met dit, en met dat! ‘Laat me erdoor,’ zei ze zwakjes glimlachend, haar ogen neergeslagen.

‘Een kus, eentje maar, wat is nou een kus?’ Een kus kon ze toch wel toestaan, om de vriendschap te bezegelen. Intussen werd het al donker en niemand kon hen zien. Ze schermde zichzelf af, met haar armen. Wat een lichaam! Kijk toch eens. Pigna verslond met zijn ogen wat hij zag onder haar  opgeheven armen. Toen raakte ze hem in zijn gezicht en dreigde met haar mand zijn kop in te slaan.

5

‘Toe maar, sla me maar zoveel je wilt. Ik geniet ervan!’ ‘Laat me gaan, of ik roep om hulp!’Hij stamelde, en zei met een verhit gezicht: ‘Laat je maar pakken, niemand kan ons horen.’ De andere twee barstten in lachen uit. En omdat ze haar vastgrepen, begon ze hard van zich heen af te slaan, half ernstig half lachend, ze sloeg waar ze hun maar kon raken. Toen zette ze het op een lopen, met opgetrokken rokken.

‘Ah! je wilt het zo graag! je wilt het zo graag,’ riep Pigna hijgend, achter haar aan rennend.

Buiten adem haalde hij haar in en legde zijn hand op haar mond. Zo vlogen elkaar in de haren en rolden vechtend over de grond. De woedende vrouw beet, krabde en schopte.

Carlo probeerde ze uit elkaar te halen. Ambrogio greep haar bij haar benen zodat ze niemand zou schoppen. Uiteindelijk overmeesterde de bleke en hijgende Pigna haar, en zette hij zijn knie op haar borst. En toen kwamen ze alle drie, ieder op zijn beurt, in contact met dat hete vlees; het was alsof ze plotseling werden overvallen door een woedende waanzin, dronken van vrouwen… God verhoede!

Ze stond op, ze leek wel een woest geworden beest. Zonder een woord te zeggen, fatsoeneerde ze de scheuren in haar jurk en pakte de mand op. De drie keken elkaar met een vreemde grijns aan. Toen ze weg wilde gaan, ging Carlo pal voor haar staan. De blik in zijn ogen was donker: ‘Je zult niets zeggen!’ ‘Nee, ik zeg niets,’ beloofde de vrouw met doffe stem. Bij die woorden greep Pigna haar rok vast. Ze slaakte een harde gil.

6

‘Help!’
‘Stil!’
‘Help! Moordenaars!’
‘Zwijg, zeg ik!’
Carlo greep haar bij de keel.

‘Ah, je wilt ons allemaal ruïneren, verdomme!’ Ze kon geen geluid meer uitbrengen door zijn greep, maar in haar grote ogen zag men reeds de Carabinieri en de galg. Ze liep paars aan, haar tong hing naar buiten, zwart, enorm, een tong die niet meer in haar mond paste. Bij die aanblik draaiden de drie door van angst. Carlo klemde zijn handen strakker en strakker om haar keel. Haar armen hingen af langs haar slappe lichaam, haar hoofd lag achterover op de stenen en haar ogen puilden wit uit. Eén voor één lieten ze haar los, langzaam, doodsbang.

Ze lag roerloos op haar rug aan de rand van het pad, haar gezicht omhoog en haar ogen wijd en wit opengesperd. Pigna greep Ambrogio bij zijn bovenarm. Hij had zich niet bewogen, keek grimmig, en zei geen woord. Carlino stamelde: ‘Alle drie! Alle drie zijn we erbij! … O, bloed van Onze Lieve Vrouw!…’

Het was donker geworden. Hoeveel tijd was er verstreken? Aan de andere kant van het witte pad lag dat zwarte ding, dat onbeweeglijke lichaam op de grond. Gelukkig kwam er niemand langs. Achter het maïsveld stond een lange rij moerbeibomen. In de verte blafte een hond. En de drie vrienden leek het dat ze het gefluit van de tram hoorden, waar ze een half uur eerder op zouden zijn gestapt. Het leek alsof er een eeuw was verstreken.

7

Pigna zei dat ze een diep gat moesten graven om te verbergen wat er was gebeurd. Ze dwongen Ambrogio om de dode het weiland in te slepen, zoals ze alle drie het het kwaad hadden gedaan. Het lijk leek wel van lood. En het paste niet in het graf. Met het zakmes dat Pigna bij zich had, sneed Carlo het hoofd eraf. Toen ze gat met aarde hadden gevuld en met hun voeten aangestampt, voelden ze zich rustiger en liepen verder op het smalle pad.

Ambrogio hield Pigna, die het mes in zijn zak had, argwanend in de gaten. Ze stierven van de dorst, maar namen een lange omweg om de plattelandsherberg te vermijden. Ze schrokken van een haan die kraaide in de koele ochtend. Omzichtig liepen ze verder, zonder een woord te spreken, maar ze bleven bij elkaar, alsof ze met elkaar verbonden waren.

Binnen enkele dagen werden ze door de Carabinieri een voor een gearresteerd. Ambrogio in een huis met een slechte naam, waar hij van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat verbleef; Carlo grepen ze in de buurt van Bergamo, waar hij rondzwierf en ze hem al langer in de gaten hielden. Pigna vonden ze in de fabriek, temidden van de drukke arbeiders en de stampende machines. Bij het zien van de Carabinieri verbleekte hij en verstrikte zich in zijn woorden.

Tijdens de rechtzaak, in de grote kooi, wilden ze elkaar met hun ogen doden en als Judassen beschuldigden elkaar. Maar toen ze in hun cel terugdachten aan hoe de ellendige geschiedenis was verlopen, leken ze wel gek te worden. En zo kon het gebeuren, dat je al grappen makend, bloed aan je handen kreeg.

Giovanni Verga De verleiding Een kort verhaal uit

Aantekeningen bij Giovanni Verga De verleiding Een kort verhaal uit 1884

  • Giovanni Verga publiceerde zijn novelle in 1884.
  • De paragraafnummers zijn van mij.
  • Bezoek de website van de Fondazione Verga in Catania.
  • Gasper van Witte maakte een zevental vedute van Vaprio d’Adda. Voor enkele afbeelingen van Vaprio zie hier.

 

 

Eugenio Montale Twee gedichten. Vertaling Catharina Ypes

Hieronder van Eugenio Montale twee gedichten in een vertaling van Catharina Ypes. Het eerste kreeg de titel ‘Het middaguur doorbrengen, peinzend, vermoeid’. Montale gaf het gedicht geen titel. Het eerste vers luidt ‘Meriggiare, pallido e assorto’ en werd door Ypes ook als titel gebruikt. Montale geeft zelf aan dat het dateert uit 1916. Het tweede en aanzienlijk langere gedicht is daarentegen uit 1920. Ook deze compositie gaf Montale geen titel. Bij Ypes vervult het eerste vers deze taak. Beide gedchten nam Montale op in zijn bundel Ossi di seppia uit 1925. In de noten meer informatie.

HET MIDDAGUUR DOORBRENGEN, PEINZEND, VERMOEID

Het middaguur doorbrengen, peinzend, vermoeid,
bij de hete muur van een moestuin die gloeit,
tussen dorens en struiken luisterend vangen
slagen van merels, geritsel van slangen.

In de barsten van de grond of over de wikke
spiedend de rode mieren in rijen zien gaan,
die zij nu eens verbreken en dan weer sluiten
bovenop de kleinste oppers van het graan.

Door de twijgen heen het ademen gadeslaan
van de verre zee, waar schubben op staan,
terwijl zich verheffen de trillende tonen
van cicaden die in de kale rotsen wonen.

En lopend in de zon, die verblindt in dit uur,
met droevige verwondering verstaan,
hoe het hele leven en zijn tortuur
besloten ligt in dit lopen langs een muur,
met scherpe scherven van flessen bedekt bovenaan.

OEVERS

Oevers,
enkele puntige zwaardlelies hoeven het maar te zijn,
die neerhangen van een rotswand
boven het delirium van de zee,
of een paar bleke camelia’s
in de verlaten tuinen,
en een blonde eucalyptus, die zich
tussen geruis en wilde vluchten
stort in het licht,
of in een oogwenk word ik
gewikkeld in onzichtbare draden,
vlinder in een web
van sidderingen van olijven, van blikken van zonnebloemen.

Zoete gevangenschap, oevers, vandaag,
voor wie zich korte tijd overgeeft,
als om weer te leven in een oud spel
dat hij nooit heeft vergeten.
Ik herinner mij de zerpe toverdrank, die, gij, oevers,
boodt aan de verdoolde jongeling:
in de heldere morgens smolten samen
heuvelruggen en hemel; op het zand
van de kusten sloeg een wijde branding, een gestadig
trillen van levens,
een koorts van de wereld; en ieder ding
leek in zichzelf te verteren.

O dan, heen en weer geworpen
als een inktvisbeen door de golven,
langzamerhand te vergaan;
te worden
een rimpelige boom of een steen,
gladgeslepen door de zee; in de kleuren
van de zonsondergangen versmelten; geen vlees meer zijn,
maar spuiten als een bron omhoog, dronken van zon
en door de zon verzwolgen…
Dit waren,
oevers, de wensen van de knaap van vroeger,
die, bij een verweerde balustrade,
zich met een glimlach langzaam voelde sterven.

Hoeveel, oevers, heeft dit koele licht
te zeggen aan hem die u wanhopig ontvlood.
Waterspiegels, die verschijnen tussen
de wiegelende wirwar van takken; donkere rotsen
in vlagen van schuim; het pijlsnel vliegen van zwervende
gierzwaluwen . . .
0, eens kon ik
denken dat gij, stranden, waart
sombere schoonheden, gulden lijsten
om de agonie van ieder wezen.
Vandaag keer ik terug
tot u, nu sterker, of ik vergis mij, hoewel mijn hart
schijnt te smelten in herinneringen, zoet -en wreed.
Trieste ziel van mijn verleden
en gij, nieuwe wilskracht die mij roept,
misschien is het tijd u nu te verenen
in een rustige haven van wijsheid.

En eens zal er weer de lokroep zijn
an gulden stemmen, van koene bekoringen,
mijn ziel, niet langer verdeeld. Hoe heerlijk:
de klaagzang in hymne herscheppen; zich vernieuwen;
niet meer tekortschieten.
Dan kunnen
ook wij, deze takken gelijk,
gisteren kaal en naakt en vandaag vol
van sidderingen en sappen,
morgen
weer voelen, in de geuren en de winden,
hoe dromenaansnellen, hoe een dwaze drang
van stemmen naar een uitweg dringt; en in de zon,
die u, oevers, bestormt,
herbloeien !

Aantekeningen bij Eugenio Montale Twee gedichten.

  • Beide gedichten in de bloemlezing van Catharina Ypes, Olijven en zilveren populieren, pp. 66-73. Mevrouw Ypes heeft de titels in hoofdletters weergegeven. Gewoonlijk zetten editors hun ingrepen tussen vierkante haken [ ].
  • Ypes geeft als bron: Poesie I, [1920-1927], Mondadori, Milano, 1948. De volledige titel luidt: Poesie I. Ossi di seppia 1920-1927. Dus zonder [ ]. De gedichten op de pagina’s 46, en 137-139. Het jaar 1948 verwijst naar de eerste editie in de beroemde reeks van uitgeverij Mondadori: «Lo specchio». I poeti del nostro tempo.
  • Voor het tweede gedicht, Oevers, Riviere, plus de Italiaanse versie zie ook hier,  de vertaling opgenomen in het tijdschrift Maatstaf, jaargang 7.
  • Zie hier voor meer over en van Montale op dit weblog. Het Italiaanse ‘riviera’, meervoud ‘riviere’, verwijst nar oevers van een rivier of een meer. Er is echter ook een betekenis die specifiek doelt op de kust van de regio Ligurië. Men spreekt van de Riviera del Levante, die loopt van Genua tot La Spezia, en de Riviera del Ponente van Genua tot Ventimiglia. Er is ook een Riviera dei fiori die loopt van Diana Marina tot San Remo. Merkwaardig is daarom de keuze van Ypes voor ‘Oevers’.
  • Dit is de kaft van de zevende druk uit augustus 1960:

Eugenio Montale Twee gedichten

  • Ook Frans van Dooren vertaalde het eerste gedicht. Het staat in zijn bloemlezing Gepolijst albast op pagina 346. Het verscheen eerder in het tijdschrift De Revisor 9, zie hier op DBNL.