Eugenio Montale over poëzie. Een interview uit 1931

In de zomer van 1931 begon de redactie van het Turijnse dagblad La Gazzetta del Popolo, De Volksgazet, met een onderzoek naar de staat van de  poëzie in de wereld. De enquète kreeg de naam ‘Wereldwijd onderzoek naar de poëzie’. Hoeveel vragenlijsten er werden verstuurd, vermeldt de krant niet. De lijst bevatte vier vragen waarop wereldwijd zes dichters de moeite namen te antwoorden. Dit zijn hun namen: Jean Cocteau, André Salmon, Nicolas Beauduin, Mario Viscardini, Bruno Corra en Eugenio Montale. De reacties van de zes verschenen op 4 november 1931 in de Gazzetta. De vier antwoorden van Eugenio Montale over poëzie volgen in mijn vertaling hieronder.

Eugenio Montale over poëzie. Een interview uit 1931

1 De staat der poëzie in de wereld

Als we poëzie – zoals velen – opvatten als een specifiek literair genre, vastgelegd in formules en onontkoombare schema’s, dan lijkt de ‘huidige situatie’ van de poëzie me er slecht aan toe. Nemen we echter de moeite om een grens te trekken, om uit de automatische productie van het ‘genre’ een of ander principe of een accent van leven en nieuwheid te halen, dan verandert de aard van het probleem. Ik geloof niet in de fatale en vooraf vastgestelde versvorm (D’Annunzio’s ‘het vers is alles’). Maar ik geloof wel in bepaalde grote krachten van het gevoel en de verbeelding, in zekere  aggregaties van het woord en het ritme die een autonoom bestaan lijken te hebben.

En ze bezitten ongetwijfeld ook een ongelooflijke vruchtbaarheid, want als echte dichters ons iets dergelijks geven, ontwaakt de onrust van de imitators. Soms slaagt zelfs de meest ervaren criticus er niet in het origineel van de imitatie te onderscheiden.

In elk geval is er geen bijzondere crisis in de poëzie. Wat de dichters aangaat, zij hebben hun ‘rol’ als herauten en profeten allang opgegeven. Althans in de traditionele zin van het woord. Ik denk dat dit een goede zaak is. Men hoeft slechts te denken aan Pascoli als ‘burgerdichter’ om overtuigd te raken. Zeker, de eenzaamheid weegt de dichters zwaar. Ze zijn veroordeeld om zelfs elkaar niet te begrijpen: maar alleen hun poëzie kan hen van zulke angsten verlossen.

2 De nieuwe gevoeligheden

Er wordt wel gesproken van een ‘adamisme’ van het Spaanse genie. Ik denk dat men dit ook kan zeggen van de meeste der hedendaagse dichters. Zij hebben immers de neiging om van hun eigen cultuur en geschiedenis een tabula rasa te maken. Daarbij putten zij uit de verfijnde middelen van hun eeuwenoude ervaring. Uit deze paradox – wanneer deze wordt gevoeld als een noodzaak en niet als een truc – ontstaat de meest opmerkelijke poëzie van onze tijd. Er zijn natuurlijk vele uitzonderingen.

3 Gemechaniseerde beschaving

Fysiologisch wordt de nieuwe poëzie beïnvloed door de ‘mechanische beschaving van onze tijd’, maar die omgeving overwint zij, àls ze overwint. Zouden op een dag de machines verdwijnen, dan legden de gedichten van vandaag getuigenis af van het machinetijdperk. (Natuurlijk niet de poëzie van de ‘dichters van de motoren’, want zij vallen in de categorie van de meest delicate arcadi.

4 Nieuwe technische middelen

Het probleem van  de gesloten en open vormen is van weinig belang. Alle goede teksten zijn tegelijk gesloten en open: ze gehoorzamen aan een wet, ook al is zij ongeschreven. Leopardi is duidelijk meer ‘gesloten’ dan Carducci. De vooraf bepaalde bouw, het rijm etc., afgezien van het gebruik dat de grote dichters ervan hebben gemaakt, hebben evenwel  een diepere betekenis dan de liberale dichters geloven. Het zijn in wezen obstakels en kunstgrepen. Maar er is geen poëzie zonder kunstgrepen. De dichter moet niet alleen zijn gevoel uitstorten, maar verbaal ook zijn eigen materie bewerken, ’tot op zekere hoogte’, van zijn eigen intuïtie geven wat Eliot een objective correlative noemt.

Pas als dit stadium is bereikt, bestaat poëzie. Alleen in dat geval laat zij een echo achter en is zij voor zichzelf een obsessie. Soms leeft zij op eigen kracht en herkent de auteur haar niet meer: het doet er weinig toe.

De liberalen die afzien van de traditionele patronen, rijmen, enz., ontsnappen niet aan de noodzaak om iets te vinden ter vervanging van wat ze kwijt raakten. Sommigen vinden het en zij zijn de ware dichters. De anderen gaan voort met propaganderen en komen tot niets: zij op zijn minst zo geletterd als de oude Parnassiens.

 

Aantekeningen bij Eugenio Montale over poëzie

  • Oorspronkelijke titel: ‘Della poesia d’oggi’. In het dagblad La Gazzetta del Popolo, Turijn, 4 november 1931.
  • Het interview verscheen in drie jaar na de publicatie de tweede vermeerderde druk in 1928 van Montale’s eerste bundel Ossi di seppia waarmee de dichter zijn naam vestigde.
  • Zie voor een preciese verwijzing naar het begrip ‘objective correlative’ hier op de website van de Poetry Foundation.
  • De website van de Digitale Bibliotheek Nederland geeft materiaal over Eugenio Montale .

 

Romeins beton en ander metselwerk – Hendrik M. R. Leopold

Het artikel Romeins beton en ander metselwerk verscheen op 26 maart 1921 in het dagblad de Nieuwe Rotterdamsche Courant. De auteur Hendrik Martinus Reinier Leopold publiceerde de tekst enige jaren daarna in het eerste deel van zijn zesdelige werk Uit de leerschool van de spade. Naar mijn idee is de honderd jaar oude tekst nog steeds het lezen waard. Ik citeer uit een recentie van de eerste twee delen:

Dr. H.M.R. Leopold met zijn wetenschap van potjes en pannetjes (zoo noemde eens een geleerde de archaeologie) krijgt klaar wat in langen tijd niemand gelukt is: bij het heroproepen der oude tijden de atmosfeer weten op te wekken. Alles wordt weer levend. Hij betrapt de oude bewoners midden in hun dagelijksch doen. De antieke kultuur verschijnt ons niet meer in koele, majestatische, visionaire beelden, zij herleeft, warm en waar, natuurlijk.

ROMEINSCH BETON EN ANDER METSELWERK

Het streven naar onsterflijkheid

Als je zoo telkens weer voor je oogen die prachtig bewaarde betonmuren uit den natten grond ziet opgraven, komt een onbedwingbare lust over je metselaar te worden, speciaal betongieter, om ten minste zeker te zijn, dat je werk bestaan blijft.

Je naam, dat is een andere kwestie, lukt alleen dichters. Ik wil wedden, dat Horatius aan de toen nog nieuwe vinding van den mortelbouw (waarom heet het eigenlijk beton, we hadden toch ’n woord!) dacht bij het schrijven van de trotsche verzen: ‘Een gedenkteeken richtte ik me op, harder dan staal, grootscher dan de oude pyramiden, waartegen striemende regen en wilde storm tevergeefs hun slopende krachten bot zullen vieren, waaraan geen tand des tijds zal knagen.’ (noot )

Grondvesten harder dan staal

Probeert u liever maar niet met een mes of deze fundamenten werkelijk harder zijn dan metaal. ’t Kost u het nu zoo prijzige gebruiksvoorwerp!

Toch waren die muren eens zoo gesmijdig, dat ze de prent behielden van de nerven der planken waartusschen ze gegoten werden.

Metselaar zou men willen zijn, metselaar uit Romeinschen keizertijd, want van de Grieken spreek ik niet. Ik kon even goed wenschen Shakespeare of Homerus te worden. Zoo volmaakte kunst is maar eens bereikt. Het Parthenon en de Propylaeën zijn een fonte à cire perdue, niet alleen als architectuur, maar ook als handwerk. Een meesterstuk van volmaakte techniek leverde Athene de menschheid, iets onnavolgbaars.

Niet boos kijken, heeren aannemers! Hebt u de steenkubussen /88/ der Propylaeën van vlakbij gezien op de Acropolis zelf, in het alles openbarend licht van een Griekschen dag, wanneer men met een kijker de olijfblaadjes tellen kan op den Hymettus, tien kilometer ver? Voegen zijn er tusschen de marmerblokken. Men ziet ze. Maar als men de oogen sluit en met den nagel over de oppervlakte krast, dan voelt men ze niet, dan blijft de nagel niet haken. Bouwopzichters van nu, kunnen uw werklui dat?

Romeins beton en metselwerk - Herman R. M. Leopold

Nagelproef van den ongeloovigen Thomas op Grieksche tempels

Gelooft u het niet? Mij ging het ook zoo tot ik me als Thomas aan den lijve overtuigde. Op dat oogenblik gaf ik me gewonnen. Er ging iets groots in mij open. Als wanneer men voor ’t eerst voelt een ode van Pindarus te begrijpen of voor ’t eerst de Staalmeesters ziet. Verontschuldigt wat u groote woorden zult vinden. Ik heb toevallig generaal Lyautey’s reisbrieven uit Griekenland in de Revue des deux mondes gevonden en toen vlamde het schoone beeld in mijn herinnering weer geweldig op. ‘Roemrucht Athene, onbereikbaar ideaal, waar om der menschen slapen de lenteviooltjee van Dionysos geuren, hart van Hellas, ville tentaculaire!’ Als ik zoo vrij Pindarus vertalen mag …

De Romeinsche metselaars waren heel anders, zooals Rome niets lijkt op Athene. Twintig jaren bouwden Phidias en Iktinos aan het toch niet groote Parthenon, de Propylaeën kwamen nooit af – vijf jaren waren voor het Kolosseum, vijf voor de Thermen van Caracalla genoeg. Maar hoe wild ruw geboord is dan ook het beeldhouwwerk der laatste, hoe wijd gapen de voegen tusschen de travertijnblokken in het eerste! In het fundamentenbeton der keizerpaleizen staan nog de gleuven der palen. Wat is alles  – zoo vind ik nu, omdat ik door Lyautey naar Griekenland getooverd ben – in Rome met den Franschen slag behandeld.

Net als het Rijk in elkaar getimmerd werd, volken vergruizelend en ruw samenstampend. De Atheners leerden nooit de wereld beheerschen, maar ze beschaafden haar!

Eeuwentrotseerende slordige architectuur

Voor de bouwheeren van de Tiberstad was altijd de leuze: gauw, goedkoop, maar stevig. En het lukte: hun bouwen werd al vlugger, al goedkooper, al sterker. Daarom zingen de architect Vitruvius en de encyclopaedist Plinius den lof van hun beton. Ik zal hen nu wat gaan napraten, maar eerst moet me nog even van het hart, dat de uitvinding (natuurlijk!) aan Grieken te danken is. De Romeinen echter pas wisten ze in ’t groot bruikbaar te maken. Practisch waren ze!

Van houwsteen tot mortel

‘t Ging dan zó. Eerst bouwden ze – als de Grieken weer – van gehouwen steenen. Al streefden ze volstrekt niet naar volmaaktheid en zagen ze er zelfs geen been in tusschen twee niet goed gelijk gezaagde blokken een laagje kalk te smeren om ze beter sluitend te /89/ maken, die manier van bouwen kon je niet aan iedereen overlaten; geoefende werklui betaal je meer, dus wèg met den houwsteen.

Is het niet alsof men een pleidooi leest voor den betonbouw van nu? Ook omstreeks het begin van onze jaartelling heerschte groote woningnood, die om machinale productie schreeuwde. Wat is meer machinaal dan de manier, die ik u nu zal trachten duidelijk te maken? Men slaat een ruwe kisting van planken op, stort daarin een pap van twee of drie deelen ‘zand’ op één deel kalk, laat de arbeiders dit in elkaar stampen: hetzij met een houten blok, hetzij met de door steengruis geïsoleerde voeten.

Als de eerste laag gedroogd is – dat gaat gauw op een zonnigen dag hier – rukt men de planken en balken los, zet ze een verdieping hooger, en weer rijst de muur in een paar uur een meter of méér. Is er nog grootere haast, geen nood, men laat de planken eenvoudig er tegenaanzitten; die verrotten dan later van zelf wel.

Het ei van Columbus

Kan het gauwer en eenvoudiger? Ja, zelfs dat was den snelbouwers van de eerste eeuw onzer jaartelling niet genoeg. Ze wisten op deze methode nog de helft te besparen! In plaats van zuivere mortel – het zand kon voor een deel gespaard worden door gemalen dakpannen in de kalk te mengen – tusschen de planken te gieten, deden ze zo: eerst een circa dertig centimeter hooge laag mortel, dan een dito laag steenbrokken, dan weer mortel enz. Tot de ware Columbus geboren werd en dadelijk mortel en steenklompen mengde. Nu was zelfs het aanstampen overbodig geworden.

Om metselaar te zijn hoefde je alleen nog maar een plank te kunnen spijkeren, cement roeren en een emmertje optrekken. Daarvoor was zelfs de domste Scythische slaaf of botste legioensoldaat begaafd genoeg.

Zoo groeiden de enorme gebouwen, die voor een groot deel nog staan, uit den Romeinschen bodem. Gauw, goedkoop en … soliede.

Het geschenk der uitgedoofde vulkanen

Nu echter moet ik een restrictie maken. Als dat niet noodig was, had ik al lang patent genomen op de uitvinding en groeiden in alle landen de Romeinsche betonhuizen als paddestoelen uit den grond, bestond er geen werkloosheid, geen woningnood meer. ’t Gaat helaas zoo grif niet. Om beton te maken als de Romeinen deden, heeft men één ding noodig, dat hun door de natuur in overvloed geschonken, aan andere volken snood onthouden is. Het ‘zand’, waarmee de Romeinsche kalk gemengd werd en wordt, is namelijk iets aparts: ‘pozzolaan’, een bruinrood korrelig vulkanisch product, dat voor een groot deel den ondergrond der Eeuwige Stad vormt.

’t Moet omstreeks Caesar’s dood, een veertig jaar vóór Christus geweest zijn, dat de onbetaalbare eigenschappen van dit uitwerpsel der al vele duizende jaren uitgebrande vulkanen van /90/ Latium ontdekt werden. De naam van den uitvinder is onbekend. Misschien was ’t wel een opperman, die te lui was om uit den Tiber het vroeger gebruikte rivierbezinksel op te diepen.

Romeins beton en ander metselwerk
Rode pozzolana. Zie Aantekeningen.

Deze roode aarde is dus een ‘integreerend’ bestanddeel van klassiek Romeinsch beton. En dan is er nog pozzolaan en pozzolaan. De goede moet kraken, wanneer je ze in de hand kneedt. Dat zeggen niet alleen de huizenbouwers van nu, als ze je een interview toegestaan hebben, maar vertellen óók al de specialiteiten uit de eerste eeuw na Christus. Zulk bruinrood ‘zand’ doet wonderen. Het vormt in de juiste verhouding met kalk gemengd een mortel, veel harder dan de baksteenen der Oudheid, die toch als men er op klopt een metaalklank geven.

Behalve de pozzolaan dienen, volgens de antieke architecten, ook de in de mortel gebedde steenen aan bepaalde voorwaarden te voldoen. Vooral moeten ze weinig poreus zijn, anders zuigen ze het vocht te gauw uit de mortel en wordt die poeierig.

Gelijk zagen van den muur

Veel werd er zoals u ziet niet gevergd van de bekwaamheid der metselaars. De successieve uitvindingen hadden de baan der techniek al heel glad ‘gerold’. Ze leerden als ’t ware automatisch te profieteeren van de goede gaven van de natuur om roef-roef de kern van paleizen, tempels en badinrichtingen ten hemel te doen streven. Tegen die kern werd dan gauw een bekleedsel van driehoekige baksteenen (oorspronkelijk middendoor geslagen dakpannen) geplakt en dit met een zaag glad gemaakt – ook al weer een werkje, waar iedereen goed voor was–. Dan kon de bekleeding met marmer of stuc beginnen.

Ook die vertooit bijna nooit de volmaaktheid van Grieksch werk. Alleen Nero schijnt voor zorgvuldige afwerking gevoeld te hebben. De anderen dachten er over als de Amerikaansche, die zich hooglijk verbaasd toonde, toen een Italiaansche naaister de voering van haar baljapon even precies zoomen wilde als den buitenkant: ‘Why that? Die krijgt toch niemand te zien!’

Steigerbouw bij de Romeinen

Naar aanleiding van deze vlugge manier van werken nog één bijzonderheid. Om de baksteenbekleeding tegen de betonkern te leggen en ook al om deze laatste boven armreiken te brengen, waren bij hooge muren steigers onontbeerlijk. Daar werd dan al bij het gieten van de onderste lagen beton op gerekend. Op de kistingen deponeerde men dadelijk namelijk de dwarsbalken en goot er het beton overheen. Wanneer dat hard werd, zat de balk meteen vast. Op de aan weerskanten uitstekende koppen daarvan bouwde men de stelling. Als de muur klaar was, zaagde men den kop eenvoudig gelijk met de baksteenbekleeding af.

Er kwam toch immers marmer of pleister over heen. Toen de bewoners van het pauselijk Rome /91/ ’t klaar gespeeld hadden in de oude paleizen de muurbekleeding – ’t marmer altijd, de baksteenen vaak – weg te sleepen gingen de balken rotten en verdwenen ten slotte heelemaaI. Daarom ziet men in zooveel hooge muren dwars er door héén gaande gaten. ’t Lijkt net of er vele lage verdiepingen geweest zijn met houten zolderingen. Maar dat is niet zoo. Ook zolders maakten de Romeinen in den grooten tijd van hun beton, dat een bijna ongelooflijke consistentie in alle richtingen – ook horizontaal – heeft.

Is het werkelijk waar, dat het ideaal van den arbeid moet zijn met de geringste moeite het grootste effect te bereiken, dan waren de Romeinen genieën, de Grieken… stumpers. Dus … is het nièt waar!

Aantekeningen bij Romeins beton en ander metselwerk

  • H. M. R. Leopold, Uit de leerschool van de spade. Eerste deel. Met 59 illustraties. Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1942², pp. 87-91. Het eerste en tweede deel bevatten in totaal 125 artikelen. De delen I en twee verschenen respectievelijk in 1923 en 1924. Ze zijn doorgenummerd met – hoe kan het anders – de Romeinse nummers  I – CXXV.
  • Voor het oorspronkelijke artikel zie hier op Delpher.
  • Pozzolana. De illustratie toont een detail van de foto van een hoop pozzolana die zich het naburig bouwbedrijf verkoopt. De eigenaar noemt dit rode pozzolana. Tegenwoordig verkoopt men het in zakken van 20 KG, gemengd met kalk en kant en klaar voor gebruik. De ‘losse’ pozzolana is komstig van opgravingen buiten Rome.
  • De geciteerde recentie staat in het tijdschrift De Dietsche Warande en Belfort, 1926, p. 96. Zie hier.
  • Over H. M. R. Leopold meer gegevens in de beknopte monografie: Hans Cools en Hans de Valk, Institutum Neerlandicum MCMIV-MMIV. Honderd jaar Nederlands Instituut te Rome. Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2004, pp. 55-56.

 

Sergio Corazzini De kat en de maan. Een gedicht

Het sonnet van Sergio Corazzini De kat en de maan verscheen in 1904 in het satirische tijdschrift Marforio. Eerst volgt de Nederlandse vertaling en vervolgens het origineel.

De kat en de maan

Maan in de hemel, lamp boven de deur.
Vannacht stierven de sterren,
wolken waren de draagbaren,
de kaarsen van de dragers flikkerden.

Hij zwierf van kerkhof naar kerkhof,
alleen, met hongerige pupillen, vurig
rood van de onafgebroken kwellingen,
de enorme kat, de kat groot en zwart,

Alsof de duistere nacht al in hem was
gematerialiseerd door betovering.
Hij gaat nu, komt weer met de wind, en als die

plots het licht dooft, liggen op de weg
twee sterren waarin de vrome maan
rijst in zijn zoete verwondering.

Sergio Corazzini De kat en de maan. Een gedicht

Het Italiaanse origineel

Il gatto e la luna

Luna nel cielo, lume su la porta.
Questa notte morirono le stelle,
le nuvole hanno fatto da barelle,
lampeggiarono i ceri della scorta.

Vagò, di cimitero in cimitero,
solo, con le pupille avide, rosse,
ardenti per continuo tormento,
il gatto enorme, il gatto enorme e nero,

come se in lui la notte atra si fosse,
materiata per incantamento.
Or va, torna col vento, ma se il vento

spegne il lume ad un tratto, nella via
rimangono due stelle in cui la pia
luna in sua dolce meraviglia è assorta.

Jacobus van Looy

Bij het lezen van Corazzini’s verzen

Vannacht stierven de sterren,
wolken waren de draagbaren

moest ik denken aan het gedicht Kerstnacht van Jacobus van Looy uit 1915. Dit is de vijfde strofe:

Ik weet het, ik weet de nacht
Is over de aarde gebracht.
En dat de wolken waren
Als wijlen van doodenbaren.

Het is zeker niet onmogelijk dat Jacobus van Looy het gedicht De kat en de maan van Sergio Corazzini kende en dat de laatste twee verzen van de geciteerde strofe er door werden geïnspireerd. Wij kennen immers Van Looys fascinatie voor katten en wie herinnert zich niet zijn korte verhaal De dood van mijn poes.

Aantekeningen bij Sergio Corazzini De kat en de maan

Sergio Corazzini De kat en de maan. Een gedicht

  • Het satirische tijdschrift Marforio verscheen vanaf 1863 bij diverse uitgevers en in wisselende afmetingen. Het gedicht van Sergio Corazzini verscheen in het nummer dat op 19 oktober 1904 werd gepubliceerd. De afmetingen waren 28 x 41 cm. Om het satirische karakter kracht bij te zetten, was het tijdschrift ruim voorzien van illustraties. Voor het beeld van de riviergod Marforio in Rome, zie bijvoorbeeld deze wikipedia pagina.
  • Zie voor Jacobus van Looy hier.
  • Klik hier voor het overzicht van alle kattengedichten op dit weblog.

 

 

Raffaello Baldini De Kat. Een gedicht

Raffaello Baldini De Kat. Een gedicht

Net als zijn andere gedichten schreef Raffaello Baldini De kat in het dialect van de Italiaanse regio Romagna, waar hij in 1924 werd geboren. Dat was in het stadje Santarcangelo di Romagna, maar hij stierf in Milaan in 2005.

De kat

De kat die we zijn vergeten, niet aan hebben gedacht
toen we in Mercatino zijn gaan wonen,
later hebben ze ons gezegd dat hij dagenlang
rond het huis heeft gelopen, miauwend in de tuin,
en aan de deur heeft gekrabd,
tot Rigo van Farell hem heeft meegenomen
naar huis en opgegeten.

E’ gat

Che gat ch’a se sémm  zcórd, ch’a n gn’ avémm péns
quant a sémm avnú stè me Marcadéin,
dop i s’à détt che l’è stè dè e dè
a ziré tònda chèsa, a gnulé tl’órt,
a raspè ma la pórta,
fintent ch’u n l’à tólt sò Rigo ‘d Farell
e ch’u l’à pórt chèsa e u s l’è magnè.

Iets over de dichter

Zijn eerste bundel publiceerde Baldini voor eigen rekening in 1976 toen hij tweeënvijftig was. De bundel E’ solitèri (De eenzame) kreeg ruim aandacht en instemming van toegewijde lezers. In 1982 volgde de tweede bundel, maar nu bij Einaudi, getiteld La nàiva (De sneeuw). Daarin staat ook het hier vertaalde gedicht. Zijn debuut wordt ook in Einaudi uitgave opgenomen. Vier van de zes bundels die Raffaello Baldini publiceerde, kregen een belangrijke literaire prijs. Baldini schreef ook een toneelstuk (1993) en satirisch proza (1967).

In Milaan werkte hij eerst als copy-writer en later als journalist voor het Milanese weekblad Panorama.

Aantekeningen bij Raffaello Baldini De Kat. Een gedicht

  • Het gedicht De kat is opgenomen in de bloemlezing Italiaanse dichters van 1945 tot 1995. De samenstellers zijn: Marco Cucchi en Stefano Giovanardi, Poeti italiani del secondo Novecento. Milaan: Mondadori, 1996, p. 704. Van Baldini’s gedichten in het dialect geven de bezorgers een Italiaanse vertaling onderaan de pagina. Ik heb daarop mijn Nederlandse versie gebaseerd. Dit is de Italiaanse versie:
    • “Quel gatto che ci siamo dimenticati / non ci abbiamo pensato quando siamo venuti ad abitare a Mercatino, / dopo ci hanno detto che è stati giorni e giorni / a girare intorno a casa, a miagolare nell’orto, / a raspare alla porta, / finché non l’ha raccolto Rigo di Farell / e l’ha portato a casa e se l’è mangiato.”
  • Zie hier een wikipedia pagina over de auteur in het Italiaans en het Engels.
  • Ga naar het overzicht van Italiaanse kattengedichten op dit weblog.