Rome 1923 Gedenkwaardige dagen in de hoofdstad

In het jaar 1923 werkt eerste minister Mussolini aan de consolidatie van zijn recent verworven machtspositie. Heel belangrijk is het wetsvoorstel voor de kieswet van het kamerlid Giacomo Acerbo dat de Kamer in juli aanneemt. De verkiezingen in 1924 zouden de fascistische partij aan de overwinning helpen.  In ‘Rome 1923 Gedenkwaardige dagen’ een overzicht van de belangrijkste gebeurtenissen in de Italiaanse hoofdstad.

1 januari

  • Benito Mussolini houdt zijn eerste nieuwjaarstoespraak in de regeringszetel Palazzo Chigi. In de rede stelt hij dat de fascistische revolutie onvermijdelijk en onomkeerbaar is.

9 januari

  • Het eerste nummer van het tijdschrift Roma. Rivista di studi e di vita romana.  verschijnt. De hoofdredacteur is Carlo Galassi Paluzzi (1893-1972).

Rome 1923 Gedenkwaardige dagen in de hoofdstad

12 januari

  • In de avond houdt de Grote Raad van het fascisme zijn eerste vergadering van dit jaar.

14 januari

  • De Vrijwillige militie voor de staatsveiligheid wordt per Koninklijk decreet n° 31 ingesteld. De gewapende Militie staat onder direct gezag van Benito Mussolini.

21 januari

  • De staatsmunt slaat munten van 1 en 2 lire. Aan één zijde de afbeelding van de koning, aan de andere het Fascio littorio. Voor het eerst op munten in deze kombinatie.

1 februari

  • Mussolini kondigt tijdens de ministerraad aan dat de gewapende knokploegen zullen worden ontbonden.

3 februari

  • Amadeo Bordiga (1889-1970) wordt gearresteerd en blijft tot oktober in de gevangenis.

13 februari

  • De Grote raad – in vergadering bijeen in de hoofdstad – kondigt aan dat het fascisme en de vrijmetselarij onverenigbaar zijn.

1 maart

  • De gemeenteraad wordt ontbonden. Burgemeester Cremonesi krijgt de functie van Commissaris van de Koning.
  • Arrestatie van Giacinto Menotti Serrati (1872-1926), tegenstander van Mussolini.

19 april

  • De ministerraad neemt op voorstel van Mussolini een ontwerp aan waarin de Dag van de arbeid op 1 mei wordt afgeschaft. De nieuwe datum wordt 21 april, de geboortedag van de stad Rome. 

25 april

  • De Grote raad aanvaart het wetsvoorstel Acerbo voor de hervorming van de kieswet.

27 april

  • De ministerraad neemt het voorstel tot onderwijshervorming van Giovanni Gentile aan. Gentile is de minister van onderwijs.

3 mei

  • In 1923 zullen zes postzegels verschijnen ter herdenking van de mars op Rome en het aan de macht komen van het fascisme.

7 mei

  • De koning van Engeland George V brengt een bezoek aan de hoofdstad.

15 juni

  • In Rome richt Giuseppe Bottai het tweewekelijkse tijdschrift Critica fascista op.

21 juli

De Kamer neemt de kieswet Acerbo aan met 223 stemmen voor en 21 tegen. De wet voorzag in een meerderheidspremie. De partij die de meeste stemmen behaal –  maar minimaal 25 % – krijgt automatisch 2/3 van de zetels. De wet was bestemd voor de parlementsverkiezingen van 1924.

24 oktober

Op deze dag verschrijnen de postzegels ter herinnering van de mars op Rome. De waarden zijn 5, 2 en 1 lire, en 50, 30 en 10 cent. Op de afbeelding het fascio littorio, maar geen verwijzing naar het koningkrijk.

Rome 1923 Gedenkwaardige dagen

26 oktober

  • Amadeo Bordiga wordt vrijgelaten.

28 tot 31 oktober

  • Op deze vier dagen de viert men het eerste jaar van de mars op Rome. In Milaan op 28, in Bologna op 29, in Perugia op 30 en op 31 oktober in Rome. In de hoofdstad een optocht van Piazza del Popolo naar het Quirinaal en vervolgens naar het Graf van de Onbekende Soldaat.

15 november

  • Opening van de Tweede Biennale di Roma in Palazzo delle Esposizioni.

19 november

  • De koning van Spanje brengt een bezoek aan Rome.

26 november

  • In de via del Corso opent het nieuwe warenhuis Magazzini Piperni zijn deuren.

16 november

  • De Accademia Ponteficio delle Scienze wordt officieel geopend in Vaticaanstad.

19 december

  • De werkgeversorganisaties en de fascistische vakbonden sluiten in Rome het zogenaamde Pact van Palazzo Chigi. Het verdrag kreeg deze naam omdat het gesloten werd in het paleis van de regering. Eerste minister Benito Mussolini bemiddelde.

26 december

  • In de stad gaat een knokploeg van vier fascisten het liberale kamerlid Giovanni Amendola (1882-1926) met stokken te lijf. Hij loopt ernstige hoofdwonden op..

Terug naar 1922
Ga naar 1924
Naar alle jaren

Aantekeningen bij Rome 1923 Gedenkwaardige dagen

  • Het tijdschrift Roma is na de Tweede Wereldoorlog voorgezet als Studi romani. Het is hier digitaal te raadplegen en in PDF te downloaden.
  • Voor Amadeo Bordiga zie hier een Engelse een wikipedia pagina.
  • Van de periode van 1900 tot 1922 maakte ik voor elk jaar een kalender. Klik hier voor de overzichtspagina. Daar kunt u naar wens een jaar kiezen.
  • Zie hier voor een wikipagina over de Wet Acerbo.

Etty Hillesum congres in Rome: december 1988

Wat wist men in Nederland van het Etty Hillesum Congres van 4 en 5 december 1988 in Rome?

Artikelen van Jan Louter teruggevonden

In het magazijn van onze uitgeverij, dat zich onder mijn huis bevindt, staat een pallet met een dozijn dozen gevuld met oud archiefmateriaal. Af en toe maak ik er een open, bekijk de inhoud en gooi wat weg kan in de papierbak. Tussen het pakje brieven dat ik vond, was er een van Jan Louter, die ik mij niet meer herinner. In de enveloppe een heel vriendelijk begeleidend ansichtkaartje van 14 januari 1989 met een winterse afbeelding van de Magere Brug in Amsterdam. Belangrijker zijn echter de fotokopieën van de twee artikelen die hij de maand daarvoor had gepubliceerd. Het kortste verscheen in Het Parool van dinsdag 6 december 1988. Het tweede, aanzienlijk langere artikel, was geplaatst in het NIW, Nieuw Israëlietisch Weekblad van vrijdag 9 december 1988.

In beide artikelen doet Jan Louter verslag van het Etty Hillesum Congres van 4 en 5 december 1988 in Rome, dat hij mogelijk als journalist had bijgewoond. Het bestaan van zijn artikelen was ik volledig vergeten.

Etty Hillesum congres in Rome: december 1988
Van links naar rechts: Nadia Neri, Giacoma Limentani, een adm mederw., Ted Meijer, Sergio Quinzio  en Romana Guarnieri. Op de eerste verdieping van het Nederlands Instituut te Rome. Foto © Maria Korporal.

Th.J. Meijer

Het tweedaagse Romeinse symposium over Etty Hillesum heeft het verloop van mijn leven in Italië in de jaren daarna bijzonder sterk beïnvloed. Tot op de dag van vandaag, zoals blijkt uit dit weblog.  Daarover zal ik het nu niet hebben. Naar aanleiding van de hervonden artikelen wil ik echter één persoon, bij wijze van dierbare herinnering en durende dankbaarheid, hier kort ter sprake brengen.  Ik bedoel Ted Meijer (1940-1997), de toenmalige directeur van het Koninklijk Nederlands Instituut te Rome. Hij overleed op 15 augustus 1997. Over minder dan drie weken is dat 23 jaar geleden.

Etty Hillesum congres in Rome: december 1988
In deze zaal werd tijdens de twee congresdagen een toneelvoorstelling over Etty Hillesum gegeven door een Nederlandse actrice woonachtig in Italië. (Foto studiezaal van het instituut uit de jaren negentig.)

Het is te danken aan Meijers enthousiaste steun dat deze eerste internationale bijeenkomst over Etty Hillesum kon worden gerealiseerd. Ik had het project in 1987 bedacht en aan hem voorgelegd toen hij nog maar net in dienst was getreden. Hij stond direct achter het plan en verschafte er het institutionele kader voor. Dat was erg belangrijk, want het stelde mij in staat het als een cultureel project van het Instituut te presenteren en te organiseren.

De publicatie van de Hillesum-lezingen

Later zorgde Ted Meijer ook voor de financiering van de uitgave van het boek met de resultaten van de twee symposiumdagen. Het verscheen in 1990: L’esperienza dell’Altro, De ervaring van de Ander, waarin ik de vijftien lezingen had opgenomen. Het was de eerste uitgave van onze uitgeverij Apeiron Editori, die Maria Korporaal en ik in datzelfde jaar hadden opgericht. Dat was nodig, omdat geen enkele Italiaanse uitgever de teksten wilde publiceren. In het najaar van 2020 hopen wij het elfde boek over Etty Hillesum te publiceren.  Maar daarover volgt later meer.

Aantekeningen Etty Hillesum congres in Rome: december 1988

 

1943 de Razzia in Rome. Op 16 oktober 1000 Joden gedeporteerd

Zij vond plaats op zaterdag 16 oktober 1943 de razzia in Rome. Het ging gepaard met veel intimidatie en geweld. Met de paus op steenworp afstand en de 50 kilo goud die aan de nazi’s waren overhandigd leek dit niet in het verschiet te liggen.

Vergeleken met de razzia’s, de deportaties en het aantal Joodse slachtoffers is er een groot kwantitatief verschil tussen Nederland en Italië. De nazi-dictatuur duurde in Nederland vijf jaar. De noordelijke helft van het Italiaanse schiereiland, inclusief Rome, werd door de voormalige bondgenoot kort ná de gebeurtenissen van 8 september 1943 bezet. Het zou duren tot 25 april 1945 voor het land geheel was bevrijd. Voor Rome kwam dit gelukkige moment aanzienlijk eerder. Op 5 juni 1944 waren de geallieerden in de stad. De anti-joodse politiek werd in het bezette gebied onverbiddelijk voortgezet en eiste  in totaal iets meer dan 8000 slachtoffers.

1943 de Razzia in Rome: zaterdag 16 oktober

Op zaterdag 16 oktober 1943 werd door de nazi’s een grootschalige razzia in het Romeinse voormalige ghetto uitgevoerd. 1020 Joden werden naar Auschwitz-Birkenau gedeporteerd. Het bleef bij deze eenmalige omvangrijke actie. In de maanden daarna, tot hun aftocht naar het noorden, pakten de nazi’s nog wel Joden op, maar dat betrof gelukkig slechts geringe aantallen. Italiaanse jodenjagers waren daarbij overigens zeer behulpzaam.

Over de razzia publiceerde de schrijver en literatuurcriticus Giacomo Debenedetti (1901-1967) al in december 1944 een eerste verslag. Het was een korte tekst die werd afgedrukt in het Romeinse tijdschrift Mercurio. In boekvorm zou het werkje decennia lang het enige referentiepunt blijven. In 1985 bracht Meulenhoff een Nederlandse versie uit. Frida De Matteis Vogels was de vertaalster. Het kreeg de titel 16 oktober 1943 – een joodse kroniek.

Sinds de eeuwisseling is het aantal publicaties over deze rampdag sterk gegroeid. Opvallend in dit spectrum is het boek van de Romeinse (maar geboren in Turijn, 1944) historica Anna Foa. Zij publiceerde in 2013: Portico d’Ottavia: Una casa nel ghetto nel lungo

16 oktober 1943 razzia in Rome 1000 Joden gedeporteerd
Voorplat van de 1e editie.

inverno del ’43 [letterlijk: De zuilengalerij van Octavia: Een huis in het getto in de lange winter van 1943]. Zij heeft zich de vraag gesteld wat er op die dag met de inwoners van het grote pand aan de via Portico d’Ottavia 13 is gebeurd. Het resultaat is een boeiende «micro history», gebaseerd op archief- en literatuuronderzoek, die zij evenwel zorgvuldig heeft ingebed in de historische context. Anna Foa vertelt het verhaal van het lot van ruim honderd Romeinse vrouwen en mannen en hun kinderen, die het slachtoffer werden van het misdadig handelen van de nationaalsocialisten.

De schrijfster woonde in het ghetto

Anna Foa heeft twaalf jaar gewoond in een van de appartementen die het uit de middeleeuwen daterende pand rijk is. Misschien was dit een van de motieven om het verhaal te vertellen. Maar haar Joodse afkomst en het feit dat zij moderne en contemporaine geschiedenis beoefent, als docente en onderzoeker aan de Romeinse universiteit Sapienza, hebben mogelijk ook meegeteld.

In haar boek stelt Foa behalve de feitelijke gang van zaken een aantal fundamentele kwesties inzake de Jodenvervolging aan de orde. Ik noem hier: de gedegen voorbereiding, zorgvuldige geheimhouding, efficiënte uitvoering (ondanks een tekort aan manschappen), gebruikmaking van de gegevens van de Romeinse burgelijke stand, van de hand- en spandiensten van de fascistische politie, ook al werd die sterk gewantrouwd, en tenslotte de valse informatie verstrekt aan de slachtoffers omtrent hun bestemming. Het zijn elementen die wij ook uit de Nederlandse situatie kennen. Een verschil is bijvoorbeeld de ‘segregatie’, die in Italië reeds in 1938 (!) zijn beslag kreeg in de zogenaamde rassenwetgeving.

De meeste van de Joodse bewoners van het Huis­ – Foa gebruikt de term Huis en schrijft die met een hoofdletter: Casa – bleken vóór en na de razzia niet alleen slecht geïnformeerd over de ware bedoelingen van de nazi’s, maar zelfs te goed van vertrouwen. Op een enkeling na die onderdook, bij voorbeeld rabbi Zolli, die niet naliet anderen aan te sporen hetzelfde te doen. De leiding van de Joodse gemeenschap verweet hem lafheid.

Op de vlucht

16 oktober 1943: razzia in Rome's voormalige getto
Het blok genaamd Sant’Ambrogio della Massima , waarvan het pand op nummer 13 deel uitmaakt.

Natuurlijk maakten ook anderen – vrouwen en mannen – zich in de vroege ochtenduren van 16 oktober snel uit de voeten, voor zover zij konden. De meesten van de ongeveer 110 bewoners, verdeeld over een 20-tal gezinnen, bleven echter in hun woning. Het gedrag van erg veel vrouwen werd helaas bepaald door de overtuiging dat de Duitsers alleen de mannen zouden oppakken voor de zogenaamde Arbeitseinsatz. Maar ook de bekende feiten die elders eveneens de onderduik verhinderden – gebrek aan financiële middelen, familie, vertrouwde omgeving – telden mee. Foa maakt melding van wat ook uit bleek andere onderzoeken. Het feit dat diverse Romeinse kloosters gastvrijheid gaven aan Joodse vrouwen en kinderen. (Zie mijn recente post over Giacoma Limentani.)

De rol bij de jodenvervolging van de fascisten die zich na 8 september 1943  achter de Republiek van Salò schaarden, wordt door Foa nauwkeurig uiteengezet. Hun antisemitisme vond zijn ‘wettelijke’ basis in de fascistische rassenwetten (leggi razziali fasciste), die tot stand waren gekomen in de zomer en het najaar van 1938. Foa laat  echter duidelijk zien, dat roof van Joods bezit het hoofdmotief van hun handelen was. En dat je doet gelijk denken aan het boek Roof: De ontvreemding van joods bezit tijdens de Tweede Wereldoorlog, van Gerard Aalders. Foa geeft ook een voorbeeld van het verschijnsel dader uit eigen kring, hier in de persoon van Celeste Di Porto, bijgenaamd Zwarte Panter. Deze jonge Joodse inwoonster van de wijk collaboreerde zonder scrupules met de nazi’s en de Salò-fascisten, en verraadde vrienden, kennissen en familieleden.

Naoorlogse rechtspraak

Het derde thema dat ik wil noemen is de naoorlogse rechtspraak (hoofdstuk 8). Ook hier zijn opmerkelijke parallellen te bespeuren. De stemming in het naoorlogse Italië leek sterk op het gevoelen dat men ook elders in Europa aantrof. Men wilde zo snel mogelijk een punt achter deze pijnlijke geschiedenis zetten en de wederopbouw ter hand nemen.

Voor wat de hier besproken geschiedenis betreft, geeft Foa aan dat talloze daders niet, nauwelijks of licht werden gestraft. Niet zelden kwamen de daders na korte tijd vrij. Daaraan waren ook debet de amnestiemaatregelen die de toenmalige minister van justitie Palmiro Togliatti afkondigde. Dat was al in 1946. Ook collaboratie vier eronder. Niet te onderschatten was bovendien het antisemitisme dat in de jaren na de bevrijding opnieuw zijn Medusahoofd opstak. Foa citeert hiervan de evidente sporen in de verslagen van de rechtzittingen die zij voor haar boek heeft onderzocht. Voor Nederland leze men er Abel J. Herzbergs Kroniek op na.

In nauw verband hiermee staat het thema van de naoorlogse verzoening, die door het ontbreken van een adequate rechtspraak nauwelijks tot stand is gekomen. Terecht stelt de historica dat een door de slachtoffers als juist ervaren rechtspraak een voorwaarde is voor verzoening.

Foa legt in haar boek niet expliciet het verband met het groeiende antisemitisme vandaag de dag in Italië, maar uit de toon en de taal van het boek blijkt dat zij zich daarover geen enkele illusie maakt.

Aantekeningen bij 1943 de Razzia in Rome

  • Naar de jodenvervolging in Italië is veel en degelijk historisch onderzoek verricht. Een centrale rol speelde en speelt daarbij het in Milaan gevestigde CDEC (Foundation Jewish Contemporary Documentation Center). Het legt zich toe op archiefvorming, coördinatie en bevordering van onderzoek. De Stichting CDEC neemt natuurlijk deel aan het internationale netwerk EHRI: European Holocaust Research Infrastructure. Ook het NIOD is een partner.
  • Dit over de kwestie van het goud. De commandant van de Gestapo Herbert Kappler eiste op 26 september 1943 van de Joodse gemeenschap 50 KG goud. Op straffe van de deportatie van 200 gezinnen. Met behulp van enkele niet Joodse Romeinen bereikte men binnen de gestelde tijd het geëiste gewicht.