Giovanni Papini De boekhandelaar, een verhaal uit 1940

Papini in het Nederlands

Papini heeft zijn korte verhaal “De ongeloofwaardige boekhandelaar” opgenomen in de bundel ‘Menselijke figuren’, Figure umane, die in 1940 door de Florentijnse uitgeverij Vallecchi werd gepubliceerd. Voor zover ik heb kunnen nagaan, bestaat er geen Nederlandse vertaling van deze verzameling. Van de schrijver waren in het interbellum al wel vier boeken vertaald: in 1922 De Christus, in 1930 Sint Augustinus, twee jaar later Jeugdstorm, in 1930 en in 1933 De levende Dante. Na de Tweede Wereldoorlog, al vanaf 1948, zagen diverse andere vertalingen het licht. In 2004 bracht uitgeverij Aspekt het Het avondrood der filosofen op de markt. Over het verhaal van Giovanni Papini De boekhandelaar uit 1940 hieronder meer en een PDF met de volledige vertaling.

Albert Verweij en Ellen Russe

In 1908 had Albert Verweij reeds over Papini geschreven in het tijdschrift De Beweging. De Florentijnse schrijver was toen nog een verklaard atheïst. Zijn bekering tot het katholieke geloof kreeg in de loop van het decennium daarna vorm en werd in 1921 openbaar. In het najaar van 1935 publiceerde de schrijfster Ellen Russe naar aanleiding van Papini’s benoeming tot hoogleraar in Bologna haar hagiografische portret van de schrijver in het tijdschrift Streven. Hij ziet af van de leerstoel wegens gezondheidsredenen, maar dat wist Russe blijkbaar nog niet toen zij haar artikel publiceerde.

Fascisme

Papini werd om zijn opvallende literaire kwaliteiten en essayïstische kunnen niet alleen in eigen land graag gelezen en fel bestreden. In de vooroorlogse jaren verwierf hij vanwege de vele vertalingen van zijn werk tevens een internationale bekendheid. In eigen land was het alles behalve een geheim hoe het met zijn maatschappelijke overtuiging en politieke sympathiën was gesteld. Hij was een verklaard nationalist en stond positief tegenover het regiem van Mussolini. Hij was zo ver gegaan dat hij zich in 1938 achter het “Manifest van de racistische academici” had geschaard. Toch had hij enkele jaren eerder (1934) de nazistische rassenleer in een artikel in het tijdschrift Il Frontespizio veroordeeld. In 1941 onderschrijft hij in de nieuwe editie van zijn boek ‘Mijn Italië’ (Italia mia) Mussolini’s besluit om met Hitler tegen de “weerzinwekkende comedie democratie” en de “corrumperende machten van de vrijmetselarij en het judaïsme” oorlog te voeren.

Papini’s boekhandelaar

Maar nu het verhaal over de boekhandelaar en zijn winkeltje in een gallerij van het beroemde Piazza della Signoria in Florence. Het sprak mij aan, wellicht vanwege een soort herkenning. In de jaren negentig van de vorige eeuw bezocht ik namelijk enkele honderden Italiaanse boekhandelaren op in hun winkels. Dat was noodzakelijk geworden nadat in 1989 onze uitgeverij Apeiron Editori het leven zag. In de jaren na de publicatie van ons eerste boek werd het mijn missie de Italiaanse boekhandelaren te overtuigen onze uitgaven aan te schaffen om ze vervolgens aan hun klanten warm aan te bevelen. Een exemplaar van de excentrieke boekverkoper die Papini beschrijft, heb ik op mijn commerciële pelgrimstochten niet aangetroffen, waarmee ik niet wil ontkennen dat er onder hen geen vreemde vogels waren.Giovanni Papini De boekhandelaar, een verhaal uit 1940Een romantische karakterschets

Papini schreef een mooi portret van een man die aan een collectie boeken de materiële basis voor zijn bestaan ontleende. De boekhandelaar voelde voor het bedrukte papier, temidden waarvan hij noodgedwongen zijn dagen moest slijten, niettemin een diepe afkeer. Op mijn trektochten langs de boekhandels in de steden tussen Triëst en Palermo, Turijn en Bari, heb ik voornamelijk niet- of nauwelijks lezende boekverkopers aangetroffen. De lezende boekhandelaar is een lieflijke mythe die door de met uitstervende bedreigde ‘onafhankelijke boekverkopers’ in stand wordt gehouden. Een echte boekhandelaar was een wandelende kaartenbak van titels en auteurs en in die zin van eminent belang voor zijn klanten. Het internet heeft die functie overgenomen en daarmee een stukje romantiek en het verrassingen belovende zaterdagmiddagbezoek aan de welvoorziende buurtboekwinkel geliquideerd. Ik ben er zeker van, beste lezer, dat ook u het markante type zoals Papini dat beschrijft niet hebt aangetroffen.

Ik geef om te proeven de eerste alinea’s mijn vertaling van Papini’s verhaal Hier is een link naar de hele tekst in PDF.

De eerste alinea’s

Veel boekhandelaren heb ik leren kennen in en buiten het rijk en in alle steden waar ik langer dan drie dagen verbleef. Weinigen van hen zijn in mijn geheugen blijven hangen als deze witharige ruziezoeker, die in een van de geplaveide gallerijen een winkeltje had en waarin het licht van het piazza della Signoria naar binnen viel.

Uit gewoonte heb ik het woord winkel gebruikt, maar ik had moeten zeggen: berghok of kamertje, want het was eigenlijk niet meer dan zo’n hokje waarin gewoonlijk schoenlappers werken en dat nauwelijks twee bij drie meter mat.

[…] De seizoenen gingen voorbij, de jaren werden historische data, maar het boekhandelaartje was min of meer dezelfde man die ik de eerste keren had gezien: een oud mannetje, klein van postuur, met weinig vlees op de botten, het peervormige hoofd bedekt met grijswitte haren, twee heldere ogen en een dun wordend snorretje. ’s Winters droeg hij een bruingrijs jasje en een zandkleurige pet. ’s Zomers hing hij jasje en pet aan de kapstok en in een overhemd met korte mouwen zat hij in de ingang op een door voedsters gebruikte lage stoel met een hoge rug en steevast met een sigaar en een krant.

Aantekeningen bij Giovanni Papini De boekhandelaar

  • Over het verband tussen Etty Hillesum en de Florentijnse schrijver nog opmerking. Dank zij het onderzoek van Ria van den Brandt weten wij dat Hillesum zich in 1942 in de Duitse vertaling van Papini’s boek Il Cristo had verdiept en er zelfs uit geciteerd.

 

Albert Verwey overtuigend gebloemleesd in het Italiaans

Het onderstaande artikel ‘Albert Verwey overtuigend  gebloemleesd ‘ verscheen op 21 juli 2021 in het online tijdschrift Neerlandistiek, zie hier. Ik heb enkele storende fouten verbeterd, maar verder bleef de tekst ongewijzigd.

Giorgio Faggin

In Italië hebben wij een vertaler die Albert Verwey in zijn hart heeft gesloten. Begin juli viel zijn bloemlezing Cara terra uit de lyriek van de Noordwijkse dichter in de bus.

Albert Verwey overtuigend gebloemleesd in het Italiaans

Zijn naam is Giorgio Faggin. Zijn eerste Verwey-vertalingen verschenen in 2012 in het Milanese literaire tijdschrift Hebenon. Hij publiceerde toen negen gedichten. De neerlandicus Marco Prandoni, hoogleraar aan de Universiteit van Bologna, plaatste onze dichter voor de Italiaanse lezers in een beknopte maar duidelijke literair-historische context. Maar Faggin zat niet stil. In 2015 publiceerde hij een mooie en evenwichtige bloemlezing uit het werk van acht Tachtigers, inclusief lyriek van Verwey.

Er waren al eerder enkele vertalingen verschenen. Ik noem die van Giacomo Prampolini uit 1927, zeven gedichten omgezet in proza. En dan Massimo Spiritini, die twee gedichten vertaalde en ze in 1939 publiceerde. In 2016 verscheen in een Romeins tijdschrift een gedicht vertaald door Marco Brancaleone. Dit magere resultaat laten we voor wat het is en richten nu onze aandacht op Giorgio Faggin, die met de bundel Cara terra het aantal in het Italiaans vertaalde gedichten van Verwey van acht op vijfenveertig brengt.

De titel

De titel Cara terra lijkt mij welgekozen en met aandacht voor onze tijd. We vinden de titel terug in het eerste vers van Verweys gedicht Aarde (p. 6-7), vertaald als Terra:

Se non ti amassi tanto, cara terra, […]

dat correspondeert met:

Als ‘k u zo lief niet had, mijn aarde, zou ik […]

Hier zien wij direct een essentiële karakteristiek van Faggins aanpak. Hij vertaalt niet letterlijk, want dan zou er immers hebben gestaan: mia terra. Niet alleen past ‘cara’ beter in het ritme van de vijfvoeter, maar bovendien geeft het adjectief een algemene affectieve waarde aan ‘aarde’ door het los te maken van het beperkende ‘mijn’. Tegelijk wordt echter het individuele aspect van de affectie behouden. Hij laat het beklemtoonde ‘zo’ weg, en terecht, want dat zou het ritme maar verstoren.

Faggin hecht veel belang aan ritme in zijn vertalingen en dat is indachtig Verwey, die immers schreef ‘Metrum is iets dat niet bestaat, het eenige wat bestaat is ritme.’ (Verwey, 1931, p. 9) Ook al nam hij dat later enigszins terug. Faggin laat zich ook niet verleiden tot pogingen om aan het eindrijm vast te houden. Ook al een verstandige keuze, want dat leidt soms tot desastreuze gevolgen. Na lezing van Faggins vertalingen van Verweys gedichten – in totaal vierenveertig – en zijn selectie van de Tachtigers, lijkt het mij gerechtvaardigd te zeggen, dat door zijn uitstekende kennis van zowel de bron- als de doeltaal zijn vertalingen zeer geslaagd zijn.

Stille nacht

Faggin weet bovendien fraaie oplossingen te bedenken voor lastige probleempjes. Een mooi voorbeeld is het laatste gedicht in de bundel. Ik zet de beide versies onder elkaar.

Stille nacht

Er zijn zo hoge tonen
En zo lage
Dat mensenoren
Ze niet horen.
Mogelijk wonen
In bos of hage
Vogels voor ons verborgen
Zingende tot de morgen.

En de vertaling:

Notte silenziosa

Echeggiano nei boschi e nelle siepi
suoni talmente alti,
toni così profondi,
che non c’è orecchio umano che li ascolti.
Chi canta? Sono forse
invisibili uccelli
che all’uomo si nascondono
e cantano finché non spunta il giorno.

Terwijl Faggin het gewoonlijk met minder woorden toe kan, heeft hij er hier tien meer nodig. In dit geval zijn de samenstellingen niet van invloed. Het woord ‘mensenoren’ wordt in het Italiaans ‘orecchio umano’. Het adjectief ‘umano’ neemt het meervoud voor zijn rekening, ook al is ‘orecchio’, ‘oor’, enkelvoud. In de Nederlandse versies van de gedichten tel ik een dertigtal samenstellingen waaronder ‘lichtgespeel’, ‘zonnevuur’, ‘stralenroos’. Veel van deze woorden zijn obsoleet geworden, zoals ‘zeegezang’ (p. 49). Maar Faggin vindt gewoonlijk elegante oplossingen. Dit aspect van het vertalen zou zeker meer aandacht verdienen.

Herschrijven

Faggin heeft de twee Nederlandse volzinnen in Stille nacht herschreven en de inhoud van het gedicht adequaat overgebracht. Vers 5 begint echter met de vraag: Chi canta?, Wie zingt er?, maar de vraag is niet aanwezig in het origineel! Het is een fraaie vondst, die past in de logica van de Italiaanse versie. Verweys ‘Mogelijk’ impliceert deze vraag tot op zekere hoogte. In het Italiaanse ‘forse’ (misschien) bespeuren we een dergelijke connotatie, maar zeer zwak. Zonder de vraag ‘Chi canta?’ zou het vers aanzienlijk minder duidelijk zijn en het gedicht er ritmisch onder lijden. De vraag Chi canta? is een uitstekend gekozen oplossing om het antwoord op het raadsel in de eerste volzin van het gedicht te introduceren en net als Verweys ‘Mogelijk’ (vs 5) volledig toegerust op de taak van keerpunt. Verwey gebruikt het procedé overigens ook zelf. Zie vs 1 van het gedicht De Liefdegift, Il dono dell’amore:

Geluk? Ik heb het u gegeven

door Faggin zònder de vraag vertaald als

Te l’ho donato la felicità

in de voltooid tegenwoordige tijd en een poëtische woordvolgorde. Naar mijn gevoel een uitstekende weergave in de doeltaal.

Lofzang

Met de woorden een ‘lofzang op het leven’, un inno alla vita, karakteriseert de eerder genoemde Marco Prandoni het werk van Albert Verwey. Faggin citeert deze woorden aan het begin van zijn nawoord (p. 80-83),  waarin hij uitlegt waarom Verwey in zijn tijd populair was.

In de gedichten vindt men het thema ‘lofzang’ op het leven terug. Bijvoorbeeld in een gedicht uit 1903 over de vraag of dan toch echt àlles vergankelijk is. Vers 1: ‘Helaas, elk tijdlijk ding vergaat’. Maar tegenover het tijdelijke stelt Verwey de Eeuwige Liefde, die hij in het Leven ziet. Ik laat in beide versies het eerste kwatrijn weg:

[…] Eppure t’amo, Vita, che fai vivere
nel tutto anche me stesso;
ti amo perché sempre
tremi in ogni creatura.

Ti amo perché sempre
l’umanità diversa tieni unita;
ti amo perché ognora sento in te
l’Amore Eterno.

En het origineel:

[…] Ik heb u lief, Leven dat leeft
In elk ding als in mij –
Ik heb u lief die nacht en dag
Door alle levens leeft.

Ik heb u lief die nacht en dag
Oneenbre wezens eent –
Ik heb u lief in wien ik steeds
De Eeuwige Liefde zag.

De Idee

Sinds Vestdijks studie over Verwey kunnen we het motief Eeuwige Liefde benoemen met het  begrip ‘Idee’, dat volgens hem dè karakteristiek van Verweys werk is. Maar er is meer. Het lijkt mij, dat we bij de typering van Prandoni ook het lijden en de dood moeten betrekken, want dat zijn immers dimensies van het leven.

Ik geloof overigens dat Faggin dat goed heeft aangevoeld, want hij neemt in zijn bloemlezing vier gedichten op met het motief dood: [Bedenk hoe schoon wanneer wij zijn gestorven] (pp. nl: 24-it: 25), De gestorvenen (44-45), Bij de dood van een kind (56-57) en Schuif op naar ’t graf (pp. 74-75), en één over het lijden: De last van het leed (54-55). En we kunnen bij ‘lofzang’  ook gedichten over de ‘aardse’ liefde betrekken: Het aarde-lief (30-31), Verliefden (36-37), De liefdegift (66-67), maar zeker ook Weerkeer (38-39). De onlosmakelijkheid van leven en dood vinden we ook in het gedicht Waar in de laagten mensen wonen, uit de bundel De weg van het licht uit 1922. De laatste strofe luidt aldus:

Daar is ’t een derven en verwerven
Niet anders dan van ’t eerste paar,
En schoon als t‘ leven komt het sterven
Voor mens en dier als voor het jaar.

Door Faggin vertaald als:

Acquisto en privazione ci saranno
sempre per tutti dacché mondo è mondo.
E bello come il vivere, il morire
coglierà l’uomo, l’animale e il tempo.

En om af te sluiten: Faggin selecteerde voor deze bundel tevens een aantal gedichten waarin de natuur centraal staat. Ik noem er twee: De zee (40-41) en De boom (52-53). En het is zeker geen toeval dat Faggin het gedicht Dante opneemt. Niet alleen omdat Verwey de Divina Commedia in het Nederlands vertaalde, maar 2021 is het 700 honderdste geboortejaar van de Dichter.

Tot slot

Faggin presenteert in totaal 37 gedichten: vijfentwintig ongepubliceerde en de twaalf die in 2012 verschenen in het tijdschrift Hebenon. Strikt genomen tel ik negentien ongepubliceerde gedichten, want zes verschenen eerder in de bundel van 2015. Het zij Faggin vergeven, want Cara terra is een uitstekend werkstuk, dat een chronologisch gerangschikte keuze biedt uit vijftien van Verweys bundels die gaan van 1896 tot 1936. De vertaler geeft voor alle gedichten nauwkeurig aan uit welke bundels ze afkomstig zijn. Daarmee krijgt de Italiaanse lezer een met zorg samengestelde en naar mijn mening bewonderingswaardig vertaalde selectie uit de omvangrijke lyrische productie van Albert Verwey, die in Giorgio Faggin een Italiaanse toegewijde heeft.

Bibliografie Albert Verwey overtuigend gebloemleesd

  1. Maurizio Brancaleoni, “‘Io sono un Dio’: La poesia degli Ottantisti”. In: Quaderni del Premio Letterario Giuseppe Acerbi, vol. 26 (2016), pp. 78-87.
  2. Giorgio Faggin, “Cara Terra. Liriche scelte di Albert Verwey”. In: Hebenon, XVII (2012) 9-10, pp, 61-73.
  3. Giorgio Faggin, Gli Ottantisti (Tachtigers), Vicenza: Accademia Olimpica, 2015, pp. 34-45.
  4. Marco Prandoni, “Albert Verwey”. In: Hebenon, XVII (2012) 9-10, pp. 56-60.
  5. Giacomo Prampolini, La letteratura olandese e fiamminga (1880-1924), Rome: Stock, 1927, pp. 15-18. [Prampolini neemt prozavertalingen van zeven van Verwey’s gedichten op.]
  6. Massimo Spiritini (red.), Poeti del mondo: Interpretazioni di lirici. Milaan: Garzanti, 1945² (1939¹). [Bevat gedichten van: J. Perk, W. KIoos, H. Schwartz, F. van Eeden, L. Couperus, A. Verwey, H. Roland-Holst van der Schalk, P.C. Boutens, M. Nijhoff, L. de Bourbon, G. Gezelle, K. van de Woestijne, K. van den Oever e M. Gijsen.]
  7. Albert Verwey, Ritme en metrum, 1931. [Uitgave geciteerd op db.nl.]
  8. Albert Verwey, Cara terra. Novi Ligure: Joker edizioni, 2020. Bezorgd en vertaald door Giorgio Faggin.
  9. Simon Vestdijk, Albert Verwey en de Idee. Amsterdam: Polak & Van Gennep, 1965² (1939¹).

Aantekeningen bij Albert Verwey overtuigend gebloemleesd

  • Zie hier een andere post over Verwey en paus Franciskus.

Franciskus en Albert Verwey: paus en dichter over grenzen

Wat hebben paus Franciskus en Albert Verwey gemeen? De dichter en de paus lieten zich beiden bezorgd uit over het groeide nationalisme in Europa. De eerste in de jaren dertig van de twintigste eeuw, de paus tachtig jaar later in een andere wereld, maar toch niet zò anders.

Met zijn korte bezoek aan de op het Griekse eiland Lesbos geblokkeerde vluchtelingen, heeft paus Franciscus een niet mis te verstane boodschap bij de Europese politieke leiders willen deponeren. Al eerder heeft hij tegen ‘het bouwen van muren’ geageerd, maar tegen het groeiende nationalisme is zo te zien geen kruid gewassen. Hoe hoger de nood hoe meer men zich terug trekt op eigen erf.

Duitsland 1938

Ik moest denken aan wat er in 1938 gebeurde, na wat de geschiedenis inging als de Kristallnacht: de ‘progrom’ in Duitsland in de nacht van 9 november. De dagen erna steeg de behoefte bij vele Duitse Joden de grens te overschrijden om in Nederland een veilig onderkomen te zoeken of eventueel door te reizen. Het antwoord van de Nederlandse regering liet niet op zich wachten. Solidariteit? Vergeet het maar. Men sloot de grenzen. Onder sterke druk vanuit de bevolking kwam er weer wat rek in het beleid van toelating.

Enkele jaren voor zijn dood op 8 maart 1937 schreef de dichter Albert Verwey het gedicht “Tot de sluiters van grenzen”. Hij was van de politieke situatie in Duitsland goed op de hoogte. Dit is de eerste strofe:

Omdat gij andre talen spreekt
En muren om uw staten bouwt
En op uw sterk geweld betrouwt,
Waan daarom niet
Dat ge mijn orde breekt:
Want de aarde is mijne en tot het verst verschiet
Draag ik mijn woorden
Van Zuid naar Noorden,
Van Oost naar Westen
Vrij als de wind:
Talen noch vesten
Kunnen mij tarten
Die alle harten
Doordring en bind. […]

De negende strofe

Het volledige gedicht kunt u hier bekijken, ik citeer de negende strofe van acht verzen die het gedicht besluiten.

Open uw grenzen.
Doe al uw dwaasheid weg.
Voeg u als bescheiden mensen
In het gemeenzaam overleg.
Wij zullen de aarde bouwen
Met u, met allen.
Laat dan uw bijlen in de stammen houwen
Van haat en bijgeloof, zodat zij vallen.

Na bijna tachtig jaar zijn het verzen om opnieuw te lezen en te overdenken. De opgejaagden zijn anderen, zij komen uit landen met andere tradities en culturen, maar de haat en het bijgeloof lijken in het tolerant geheten Europa onverminderd krachtig de ‘sluiters van grenzen’ wind in de zeilen te blazen.

Aantekeningen bij Franciskus en Albert Verwey

  • Een andere post over Albert Verwey in Italiaanse vertalingen.
  • Zie hier voor de Kristallnacht.
  • En hier voor veel materiaal op Het Geheugen,