Giovanni Verga De verleiding Een kort verhaal uit 1884

De novelle van Giovanni Verga De verleiding verscheen in het jaar 1884 in een bundel met het thema intime verhalen. Verga woonde in die jaren in Milaan. Het is goed mogelijk, dat de schrijver het bericht over deze vrouwenmoord in eem Milanese krant heeft gelezen. Bij het ontbreken van een Italiaanse versie van Delpher is het  zoeken naar notities een lastige kwestie.

De drie jonge mannen uit zijn verhaal namen de stoomtram uit Milaan. De tram deed dienst vanaf het jaar 1878 en reed via Gorgonzola naar de eindhalte Vaprio d’Adda. Het dorp was bij Milanezen geliefd voor zondagse dagjes buiten de stad. Maar reeds in de zeventiende eeuw had de Vlaamse schilder Gasper van Wittel er riviergezichten geschilderd. Het is mogelijk dat Verga het verhaal schreef naar aanleiding van een werkelijk gebeurde moord op een jonge vrouw.

1

Zo is het gegaan. Zo waar er God een is! Ze waren met z’n drieën: Ambrogio, Carlo en Pigna, de zadelmaker. Hij had ze er bij de haren bijgetrokken om er een vrolijke dag van te maken: ‘Laten we de tram nemen naar Vaprio!’ Maar natuurlijk zonder de vrouwen! Ze wilden dolgraag in alle rust van hun vrije dag genieten.

Ze speelden jeu de boules, maakten een mooie wandeling naar de rivier, tracteerden zichzelf op een drankje en aten aan het eind van de middag in de Witte Merel, onder de pergola. Het was er druk en iemand speelde accordeon, een ander gitaar. Op de schommel zwierden uitgelaten meisjes; en geliefden die een stille hoek opzochten; een vrolijke dag!

Pigna sloofde zich uit tegenover een van de vrouwen aan de tafel naast hen. Ze was koket: ze leunde met een elleboog op tafel en had een hand in haar haar. Ambrogio, een rustige jongen, trok hem aan zijn jasje en zei zacht in zijn oor:

‘Kom, we gaan, anders krijgen we nog mot.’

Achteraf, in de auto van de politie, terugdenkend aan hoe ze in die afgrond waren gegleden, dacht hij dat hij gek zou worden.

Het liep tegen de avond en ze moesten nog een eind lopen om de tram te nemen. Carlo deed alsof hij de binnenwegen kende, want hij was soldaat geweest. Ze namen een pad dat zigzaggend door de weilanden liep. En daarmee begon de ellende!

2

Het had kort na zeven uur kunnen zijn, een prachtige herfstavond, met de velden nog groen en geen mens te bekennen. Zingend liepen ze voort, blij met het uitstapje. Ze waren jong en zonder kopzorgen.

Het ware misschien beter geweest als ze geen geld hadden gehad, of geen werk, of andere problemen. Pigna verkondigde dat ze die zondag hun geld goed hadden besteed. En ze spraken namelijk over vrouwen, over hun lief, ieder het zijne. En Ambrogio, die de onschuld zelf leek,  vertelde met alle details hoe het eraan toe ging met Filippina, als ze elkaar ‘s avonds achter de fabrieksmuur ontmoetten.

‘Je zult zien, mompelde hij op het laatst, zijn voeten deden pijn, ‘je zult zien dat Carlo ons de verkeerde weg heeft laten nemen!

Maar dat natuurlijk niet zo, zei Carlo. Daar achter die rij afgetopte iepen was de tramhalte, maar je kon hem nog niet zien door de avondnevel.

‘L’è sott’il pont, l’è sott’il pont a fà la legnaaa…’, neuriede Ambrogio, die mankend achteraan kwam.

Na een tijdje liepen ze een boerin achterop. Ze had een mand aan haar arm en ging dezelfde kant uit. ‘Prachtig!’, riep Pigna. ‘Aan haar kunnen we de weg vragen.’

Beter nog, het was een leuke jonge vrouw, van het soort dat je het liefst alleen zou willen tegenkomen. ‘Vrouw, is dit de weg naar waar wij heen gaan?’, vroeg Pigna glimlachend.

De vrouw, een eerlijk mense, keek voor zich uit en zonder naar hem te luisteren, stapte ze door.

‘Wat een haast, eh!’, mompelde Carlo. ‘Als ze zo snel loopt om naar haar geliefde te gaan,  dan is hij een gelukvogel!

3

De vrouw, die begreep dat ze haar niet met rust lieten, stond ineens stil, en met de mand in de hand gilde ze:

‘Laat me met rust en bemoei je met je eigen zaken!’

‘Hé, we eten je niet op hoor,’ antwoordde Pigna. ‘Wat krijgen we nou!’

‘Ze liep verder, recht voor zich uitkijkend, koppige boerin die ze was.

Om het ijs te breken, vroeg Carlo:

‘Waar ga je heen schoonheid, en wat is je naam?’

‘Mijn naam is hoe ik mij noem, en ik ga waarheen ik ga.’

Ambrogio wilde de spanning wegnemen: ‘Wees niet bang, we willen je geen kwaad doen. We zijn brave mensen. We gaan naar de tram en bemoeien ons met onze eigen zaken.

Omdat hij het gezicht van een fatsoenlijk mens had, liet de jonge vrouw zich overhalen, ook omdat ze buiten adem raakte en haar voorsprong dreigde te verliezen. Ambrogio wilde weten of ze op de juiste weg waren naar de tram.

‘Ze zeggen van wel,’ antwoordde ze. ‘Maar ik ken deze streek niet,’ voegde ze toe. En ze vertelde dat ze naar de stad kwam om onderdak te zoeken. Pigna, vrolijk van aard, deed alsof hij had begrepen dat werk zocht als min en als zij niet wist waar ze heen moest, dan zou hij nog dezelfde avond een warme plek voor haar vinden. En omdat hij zijn handen niet thuis kon houden, plantte ze een keiharde elleboog in zijn ribben.

4

‘Jezus!’, mompelde hij, ‘Jezus, wat een dreun!’ En de anderen grinnikten.

‘Ik ben niet bang voor jullie of voor wie dan ook,’ antwoordde ze. ‘Voor mij ook niet? En ook niet voor mij? Van ons alle drie samen? En wat als we je met geweld zouden pakken?’ Ze keken om zich heen, in de wijde omtrek was geen levende ziel te bekennen.

‘Of haar verloofde,’ zei Pigna, om van onderwerp te veranderen, ‘of haar verloofde, en hoe komt het dat hij haar heeft laten vertrekken?’

‘Die heb ik niet,’ antwoordde ze.

‘Echt niet? Zo’n mooie vrouw!’

‘Nee, ik ben niet mooi, zeg ik je.’

‘Kom op, we gaan!’ En Pigna werd ineens galant en stond daar met zijn duimen in zijn vestzakken. ‘Mijn God, en of ze mooi was!’ Met die ogen, en die mond, en met dit, en met dat! ‘Laat me erdoor,’ zei ze zwakjes glimlachend, haar ogen neergeslagen.

‘Een kus, eentje maar, wat is nou een kus?’ Een kus kon ze toch wel toestaan, om de vriendschap te bezegelen. Intussen werd het al donker en niemand kon hen zien. Ze schermde zichzelf af, met haar armen. Wat een lichaam! Kijk toch eens. Pigna verslond met zijn ogen wat hij zag onder haar  opgeheven armen. Toen raakte ze hem in zijn gezicht en dreigde met haar mand zijn kop in te slaan.

5

‘Toe maar, sla me maar zoveel je wilt. Ik geniet ervan!’ ‘Laat me gaan, of ik roep om hulp!’Hij stamelde, en zei met een verhit gezicht: ‘Laat je maar pakken, niemand kan ons horen.’ De andere twee barstten in lachen uit. En omdat ze haar vastgrepen, begon ze hard van zich heen af te slaan, half ernstig half lachend, ze sloeg waar ze hun maar kon raken. Toen zette ze het op een lopen, met opgetrokken rokken.

‘Ah! je wilt het zo graag! je wilt het zo graag,’ riep Pigna hijgend, achter haar aan rennend.

Buiten adem haalde hij haar in en legde zijn hand op haar mond. Zo vlogen elkaar in de haren en rolden vechtend over de grond. De woedende vrouw beet, krabde en schopte.

Carlo probeerde ze uit elkaar te halen. Ambrogio greep haar bij haar benen zodat ze niemand zou schoppen. Uiteindelijk overmeesterde de bleke en hijgende Pigna haar, en zette hij zijn knie op haar borst. En toen kwamen ze alle drie, ieder op zijn beurt, in contact met dat hete vlees; het was alsof ze plotseling werden overvallen door een woedende waanzin, dronken van vrouwen… God verhoede!

Ze stond op, ze leek wel een woest geworden beest. Zonder een woord te zeggen, fatsoeneerde ze de scheuren in haar jurk en pakte de mand op. De drie keken elkaar met een vreemde grijns aan. Toen ze weg wilde gaan, ging Carlo pal voor haar staan. De blik in zijn ogen was donker: ‘Je zult niets zeggen!’ ‘Nee, ik zeg niets,’ beloofde de vrouw met doffe stem. Bij die woorden greep Pigna haar rok vast. Ze slaakte een harde gil.

6

‘Help!’
‘Stil!’
‘Help! Moordenaars!’
‘Zwijg, zeg ik!’
Carlo greep haar bij de keel.

‘Ah, je wilt ons allemaal ruïneren, verdomme!’ Ze kon geen geluid meer uitbrengen door zijn greep, maar in haar grote ogen zag men reeds de Carabinieri en de galg. Ze liep paars aan, haar tong hing naar buiten, zwart, enorm, een tong die niet meer in haar mond paste. Bij die aanblik draaiden de drie door van angst. Carlo klemde zijn handen strakker en strakker om haar keel. Haar armen hingen af langs haar slappe lichaam, haar hoofd lag achterover op de stenen en haar ogen puilden wit uit. Eén voor één lieten ze haar los, langzaam, doodsbang.

Ze lag roerloos op haar rug aan de rand van het pad, haar gezicht omhoog en haar ogen wijd en wit opengesperd. Pigna greep Ambrogio bij zijn bovenarm. Hij had zich niet bewogen, keek grimmig, en zei geen woord. Carlino stamelde: ‘Alle drie! Alle drie zijn we erbij! … O, bloed van Onze Lieve Vrouw!…’

Het was donker geworden. Hoeveel tijd was er verstreken? Aan de andere kant van het witte pad lag dat zwarte ding, dat onbeweeglijke lichaam op de grond. Gelukkig kwam er niemand langs. Achter het maïsveld stond een lange rij moerbeibomen. In de verte blafte een hond. En de drie vrienden leek het dat ze het gefluit van de tram hoorden, waar ze een half uur eerder op zouden zijn gestapt. Het leek alsof er een eeuw was verstreken.

7

Pigna zei dat ze een diep gat moesten graven om te verbergen wat er was gebeurd. Ze dwongen Ambrogio om de dode het weiland in te slepen, zoals ze alle drie het het kwaad hadden gedaan. Het lijk leek wel van lood. En het paste niet in het graf. Met het zakmes dat Pigna bij zich had, sneed Carlo het hoofd eraf. Toen ze gat met aarde hadden gevuld en met hun voeten aangestampt, voelden ze zich rustiger en liepen verder op het smalle pad.

Ambrogio hield Pigna, die het mes in zijn zak had, argwanend in de gaten. Ze stierven van de dorst, maar namen een lange omweg om de plattelandsherberg te vermijden. Ze schrokken van een haan die kraaide in de koele ochtend. Omzichtig liepen ze verder, zonder een woord te spreken, maar ze bleven bij elkaar, alsof ze met elkaar verbonden waren.

Binnen enkele dagen werden ze door de Carabinieri een voor een gearresteerd. Ambrogio in een huis met een slechte naam, waar hij van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat verbleef; Carlo grepen ze in de buurt van Bergamo, waar hij rondzwierf en ze hem al langer in de gaten hielden. Pigna vonden ze in de fabriek, temidden van de drukke arbeiders en de stampende machines. Bij het zien van de Carabinieri verbleekte hij en verstrikte zich in zijn woorden.

Tijdens de rechtzaak, in de grote kooi, wilden ze elkaar met hun ogen doden en als Judassen beschuldigden elkaar. Maar toen ze in hun cel terugdachten aan hoe de ellendige geschiedenis was verlopen, leken ze wel gek te worden. En zo kon het gebeuren, dat je al grappen makend, bloed aan je handen kreeg.

Giovanni Verga De verleiding Een kort verhaal uit

Aantekeningen bij Giovanni Verga De verleiding Een kort verhaal uit 1884

  • Giovanni Verga publiceerde zijn novelle in 1884.
  • De paragraafnummers zijn van mij.
  • Bezoek de website van de Fondazione Verga in Catania.
  • Gasper van Witte maakte een zevental vedute van Vaprio d’Adda. Voor enkele afbeelingen van Vaprio zie hier.

 

 

Geschiedenis van een kus. Een verhaal van D’Annunzio

Gabriele D’Annunzio publiceerde dit korte verhaal – de Geschiedenis van een kus – op 2 juli 1886 in het Romeinse dagblad La Tribuna als ‘Storia di un bacio’. Een jongeman uit de provincie gooit in het mondaine Rome in twee jaar tijd een grote erfenis over de balk. Verarmd en beschaamd besluit hij zich in de TIber te verdrinken door van de Ripettabrug te spingen. Maar zijn laatste reis kan pas beginnen na op de brug een jongedame ongevraagd te hebben gekust.

Geschiedenis van een kus

De kroniekschrijver van deze krant is een van de meest gewetensvolle verslaggevers van Italië en doet zijn werk met grote hartstocht. Een paar weken geleden vermeldde hij dat Giovanni Mescia en Graziadio Ballanti, twee dappere mannen uit een der wijken langs de Tiber, een jongeman uit de rivier hadden gered die met de duidelijke bedoeling om te sterven van de Ripettabrug was gesprongen.

De geprezen kroniekschrijver heeft, naast andere kwaliteiten, een eigenschap vrij zeldzaam onder zijn collega’s: discretie. Van de naam van de ongelukkige jongeman gaf hij slechts de initiaal P. Het verslag van die duik in het water van de Tiber zal daarom geen sporen hebben achtergelaten in het geheugen van de lezers.

Maar de jongeman over wie ik het vandaag heb, was niet in de rivier gesprongen zoals elke andere ongelukkige zou hebben gedaan. Voor hij stierf had hij nog een laatste vreugde willen beleven en was daarom minstens een paar uur op en neer gelopen over de brug die de Gemeente later had aangekocht.

De jongeman heette Guido Paulati en kwam uit Aquila. Hij bezat met zijn floride uiterlijk en licht blozende wangen de schoonheid waarvoor de jeugd van Aquila bekend staat. Van karakter was hij vrolijk gestemd en geneigd tot plezier. Zijn ouders hadden hem naar Rome gestuurd om rechten te studeren. Maar voordat hij het laatste examen kon afleggen en zich jurist had kunnen noemen, had hij de pech kort na elkaar zijn vader en moeder te verliezen.

Welnu, waarom zou een wees die tweehonderdduizend lire heeft geërfd in zijn provinciestad moeten blijven? En waarom zou hij in hemelsnaam nog afstuderen?

Met verve stortte Guido zich in het mondaine leven. Hij beschikte gedurende twee jaar over honderdduizend lire aan kapitaal en liet in de salons van alle belangrijke Romeinse en exotische tendresses zijn geur van zijn vétyver achter. Hij bezat rij- en trekpaarden. Daaronder waren ook twee prachtige roans waaraan de bezoekers van Villa Borghese en Villa Pamphili nog steeds met bewondering terugdenken. Met veel bravoure en een zekere mate van geluk bracht hij verschillende nachten door aan de tafels van de speelzalen. Eèn seizoen en niet zonder durf nam hij deel aan de vossenjacht en werd in deze krant zelfs een keer genoemd door Bici. Bij de laatste Capannelle races eindigde hij als laatste: zijn neergang was begonnen.

Cher ami, la vie que tu mènes
Ne peut pas toujours durer!…

Zo ongeveer gaat het oude deuntje, dat de zeer blonde Kadir vaak zong met haar hoge stemmetje zonder “r”,

Zonder middelen gebleven, was Guido genoodzaakt zijn phaeton, zijn paarden en zelfs zijn meubels te verkopen. Hij trok zich terug in een klein en bescheiden gemeubileerd appartement in de Via della Scrofa. Daar zette hij zich aan het nadenken.

Hier is het natuurlijke verloop van zijn ideeën:

  1. Als de mens gaapt, is de mens niet gelukkig.
  2. Ik gaap alleen maar.
  3. Dus ben ik niet gelukkig.

Zelfs een Galileo Galilei zou niet in staat zijn geweest een syllogisme te bedenken dat zo vitaal, zo coherent en, zo evident was. Het was tegelijk van bijzonder en van algemeen belang.

Guido ging verder met de tweede reeks:

  1. Ik gaap omdat ik me verveel.
  2. Ik verveel me omdat ik niet gelukkig ben.
  3. Ik ben niet gelukkig omdat ik geen geld heb.

En hij voegde eraan toe: – Ik begrijp niet waarom iemand niet twee moeders en twee vaders zou kunnen hebben, of zelfs drie, of zelfs vier, of zelfs zes, om twee, drie, vier, zes keer te erven! Wat heb ik nu nog? Ik heb geen familie of verre verwanten van wie ik iets kan verwachten. En een manier om wat van dat verachtelijke goud te bemachtigen dat ik zo hard nodig heb, ken ik evenmin. Ik kan notarisklerk worden. Of ambtenaar op het ministerie van Landbouw. Ik kan solliciteren naar een betrekking als bode of als winkelbediende… Waar zou ik nog meer naar kunnen solliciteren?

Maar nee, het is beter om tot het einde een heer te blijven en heldhaftig te sterven. That is the question… Maar hoe te sterven? Vergif geeft vreselijke buikpijnen en kleurt de huid paars, zeggen ze. Het touw geeft, zeggen ze, een bijzondere wellust, maar het laat van de gehangene ook een belachelijk beeld van een hangende worst achter.

Het pistool vervormt, drukt de hersenen uit hun natuurlijke plaats, veroorzaakt soms een afschuwelijke en diepe maar niet fatale wond. Het steekwapen vraagt om een vaste hand en ik heb te veel misbruik gemaakt van … koffie. De kolen moeten worden overgelaten aan de dienstmeisjes, kleermakers en figuranten van het Quirinotheater. Conclusie? Ik mag dan wel op de Tiber kunnen roeien, maar zwemmen heb ik nooit geleerd. Ik zal me verdrinken in de Tiber. Dat is mijn vaste besluit.

Hij glimlachte zoals de eerwaarde heer Depretis glimlachte als hij een moeilijke parlementaire knoop had ontrafeld.

– Maar ik wil van mijn laatste troost niet afzien. De gelovige christen ontvangt de laatste sacramenten terwijl hij sterft. En ik, mohammedaan van roeping, zal de laatste kus nemen.

Daarom liep Guido Paulati die ochtend op en neer over de brug. Hij wachtte op de komst van een jongedame, de uitverkorene, die hij – bij leven – tot vrouw zou hebben genomen. Het was zijn bedoeling een kus op haar maagdelijke mond te drukken en de prijs voor zijn vermetelheid te betalen door zich in de rivier te storten. Zoals de lezeressen kunnen vaststellen, had het verhaal een mooie romantische strekking.

In een van de nieuwe gebouwen in Prati di Castello, in een kleine villa omringd door een tuin waarin rozen en jasmijn bloeiden, onschuldig als in een kloostertuin, woonde Sir Keck. Hij was een oude Engelsman, weduwnaar en rijk zoals alle Engelsen op leeftijd die zich in Rome vestigen. Sir Keck had zich in zijn villa teruggetrokken met zijn dochter, miss Claribel. Hij wedijverde in de rozenteelt in ijver en geduld met graaf Bobrinsky, die in Villa Malta de mooiste rozentuinen van Italië bezit.

De jongedame miss Claribel was blond, asblond als Russische thee waarin een druppel melk was gevallen. Ze was lang en slank als de Keepsakes figuurtjes en deed denken aan die prachtige verzen van Tennyson waarmee het eerste deel van de Poems opent. Ik roep ze in de herinnering.

Where Claribellow lieth
The breezes pause and die,
Letting the rose-leaves fall:
Butt the solemn oak tree sigheth,

Thick-leaved, ambrosial
With an ancient melody
In an inward agony,
Where Claribel low lieth,’

Claribel kwam in gezelschap van mistress Leechwood te voet terug van de evangelische kerk. Het was in de wonderbare maand mei, waarin Rome de kleur van goud aanneemt. Claribel liep met ferme pas en rechtop als een lelie. In haar ene hand hield zij het in marokijn gebonden heilige boek en in haar andere een bos irissen, die grote, paarse, geurige irissen waar Elaine zo van hield.

            Elaine the fair, Elaine the loveable
            Elaine, the lily maid of Astolat…

Mistress Leechwood kwam naast haar lopen. Zij had haar ogen neergeslagen en haar ellebogen tegen haar zij gedrukt en zij was zo stijf als een stok. Mechanisch zette zij haar ene grote voet voor de andere en nooit hief zij haar blik op naar de mensen of dingen die ze tegenkwam. Met deze perfecte waardigheid van houding en gang had mistress Leechwood het vertrouwen en de achting van Sir Keck verworven.

Guido had al meer dan twintig jongedames voorbij laten gaan. Geen van hen benaderde zijn ideaal, geen van hen was waardig om het begin van de laatste reis van een ongelukkig man te worden.

Hij zocht naar en hij wachtte op een blondine. En dit waren allemaal brunettes, kastagnebruine of roodharigen.

Nog twee jongedames liepen voorbij. Ze leken zussen en waren mooi en lieftallig, maar op hun onschuldige voorhoofd krulde zwart haar, zoals je dat wel ziet bij bepaalde Muriliaanse madonna’s.

Guido bedwong zich en volgde hen met zijn blik.

Met zijn valse oude Moorse architectuur van hout en karton, leek het Alhambra  jonger in de zon. Een deel van Palazzo Borghese, waar de fontein spoot, zag er in het ochtendlicht uit als een groot stuk antiek zilverwerk. Onder de brug stroomde rustig en plechtig de rivier. Een paar schuiten lagen roerloos aan de oever.

Plotseling schrok Guido op. Juffrouw Claribel was aan het begin van de brug verschenen. Het uur van de dood was nabij.

De jongeman voelde het bloed naar zijn hart stromen. Een verward gezoem vulde zijn oren, een rode waas trok voor zijn ogen.

Miss Claribel kwam naderbij. Guido ging op haar af, nam haar in zijn armen, drukte zijn mond op de hare en sprong toen met een bewonderenswaardige snelheid over de borstwering en verdween in de Tiber.

Miss Claribel slaakte een kreet van schrik en zij draaide zich om naar mistress Leechwood, die groen was geworden als een zieke turkoois.

Mensen stroomden toe en iedereen schreeuwde:

– Red hem! Red hem!

Zoals ik in het begin al zei, namen Giovanni Meschia en Graziadio Ballanti deze  onbaatzuchtige taak op zich.

Miss Claribel, ondersteund en aangespoord door de gouvernante, vervolgde haar weg naar huis. Achter haar een kudde nietsnutten die maar doorkletsten over wie weet wat voor vreselijke passionele romance.

Voor zij huiswaarts ging, hoorde zij nog de stemmen van de mensen die waren toegesneld.

– Hij is dood!
– Nee, hij is niet dood!
– Hij ademt nog…
– Hij is gered! Laten we hem naar de Troostkamer brengen.
– Nee! Hij is niet dood!
– Hij is dood!
– Nee! Nee! Hij is flauwgevallen.

Zodra ze thuis kwam, wierp miss Claribel zich aan de borst van de most honorable Sir Keck, die op haar wachtte. Toen hij hoorde wat er gebeurd was, raakte hij in een diepe ontsteltenis.

Het arme kind, the poor little Claribel, kreeg hevige koorts en hallucinaties. Later, tijdens een moment van kalmte, opende zij haar grote, onschuldige ogen, die leken op twee viooltjes in melk, en vroeg:

– Leeft de stakker of is hij dood?
De vader antwoordde:
– Hij leeft.
En de lieftallige dochter:
– Welnu, vader, het is noodzakelijk dat ik met hem trouw, of dat ik hem dood.
En de vader in alle eenvoud:
– Er zit niets anders op, indeed.

Samen vertrokken ze naar Aquila waar een volkomen herstelde Guido Paulati onderdak had gevonden bij een vriend.

Miss Claribel vroeg streng:
– Wat was uw bedoeling, mijnheer … mij geweld aan te doen?
– Vastbesloten om te sterven, antwoordde Guido, wilde ik mijn laatste reis beginnen,  getroost door uw onbevlekte mond.

Toen nam Sir Keck met plechtige ernst drie boeken uit zijn zak en legde ze op tafel. Ze waren alle drie gebonden in linnen en met gouden opdruk versierd.

Het waren: De Bijbel, Robinson Crusoe en Gulliver.
En hij liet Guido zweren:

  1. Op de Bijbel, dat hij zijn bruid trouw zou blijven;
  2. Op Robinson Crusoe, dat hij nooit de huiselijke haard zou verlaten om de wereld te bereizen;
  3. Op Gulliver, dat hij zich ver zou houden van de intriges van het hof en de ceremonies van Satan.

Guido zwoer met gesloten ogen.
En zo werd miss Claribel de zijne.

            Were Claribel low lieth
            The breezes pause and die,
            Letting the rose-leaves fall.

Geschiedenis van een kus

Aantekeningen bij Geschiedenis van een kus. Een verhaal van D’Annunzio

  • Het verhaal verscheen in de rubriek Cronache mondane die Gabriele D’Annunzio voor La Tribuna  beheerde. Hij ondertekende het met het pseudoniem Duca Minima.
  • De Ripettabrug werd in 1885-1886 in opdracht van enkele Romeinse ondernemers gebouwd door een Belgisch bedrijf, gespecialiseerd in dit type constructies.  De Gemeense Rome kocht daarna de brug kort na het gereedkomen. In 1901 werd hij uiteindelijk afgebroken.
  • Over de Ripettabrug zie ook dit artikel.