Kardinaal Carlo Maria Martini over Etty Hillesum

Het hoogste katholieke gezag over Etty Hillesum

Hoe denken de hogere gezagsdragers – bischoppen, kardinalen en de paus – van de rooms-katholieke kerk in Italië over Etty Hillesum? Eerder (2003) schreef ik in het kader van de Italiaanse Hillesum-receptie het artikel Italiaans enthousiasme. Daarin besprak ik de literatuur die in de jaren negentig van de vorige eeuw over Hillesum en haar werk was verschenen. Nu wil ik nagaan hoe een van de bewoners van de hogere regionen van het Vatikaan over haar denkt. De ontdekking van Etty Hillesum door de beleidsmannen van de kerk is trouwens nog pas enkele jaren oud. In dit artikel bespreek ik enkele overwegingen van kardinaal Carlo Maria Martini inzake Hillesum.

Kardinaal Carlo Maria Martini over Etty Hillesum
Kardinaal Martini (1927-2012)

Etty Hillesum kreeg haar definitieve erkenning op 13 februari 2013 met de voorlezing van een citaat uit haar dagboek door paus Benedictus XVI. Joseph A. Ratzinger, die nu van zijn zelfgekozen pauselijk emiraat geniet, opmerkingen hebben effect gehad. Toch schreef de invloedrijke kardinaal Martini (1927-2012) al een paar jaar eerder (2009) over Hillesum.

Carlo Maria Martini wijdt aan haar een korte paragraaf in zijn boek over het gebed Qualcosa di così personale. Hij noemt haar ‘Een bijzondere jonge vrouw’ en stelt twee thema’s op de voorgrond. Eerst Hillesums overgang ‘van het atheïsme naar het geloof’ en vervolgens haar houding tegenover de Sjoa. Hij schrijft:

Aanvankelijk ongelovig, leert zij op mystieke wijze God kennen, zij leert knielen en bidden en dat stelt haar in staat de Sjoa […] te beleven met een ongelooflijke sereniteit, vrede, nederigheid, en het vermogen om vergiffenis te schenken.

Etty Hillesum een mystica?

Een sleutelwoord in dit citaat is het adjectief mystiek. Beweert Martini nu dat Etty Hillesum een mystica was? Zij zou op mystieke wijze (hij gebruikt het bijwoord misticamente) tot God zijn gekomen. Een mystica heeft naar verluidt een directe band met God. Waarschijnlijk leest de kardinaal dit in de passages waarin Hillesum noteert dat zij in een voortdurend gesprek is met God. Verder suggereert Martini een direct verband tussen Hillesums geloof en haar beleving (esperienza) van de Sjoa. Haar geloof zou haar de instumenten verschaffen waarmee zij zich de beschreven houding eigen kon maken. Ziet hij een causaal verband? Is haar geloof een adequate verklaring voor haar reactie op de nationaalsocialistische jacht op de Europese Joden?

In een volgende passage citeert kardinaal Martini eerst met instemming Hillesums volzin over haar voornemen om God te helpen: “En als God mij niet verder helpt, dan zal ik God wel helpen.” (Het Werk, 512; 11 juli 1942), en vervolgens een passage uit wat hij noemt haar zondagmorgen gebed:

Ik zal je helpen God, dat je het niet in mij begeeft, maar ik kan van te voren nergens voor in staan. Maar dit éne wordt me steeds duidelijker: dat jij ons niet kunt helpen, maar dat wij jou moeten helpen en door dat laatste helpen wij onszelf. […] Ja, mijn God, aan de omstandigheden schijn jij niet al te veel te kunnen doen, ze horen nu eenmaal ook bij dit leven. Ik roep je er ook niet voor ter verantwoording, jij mag daar later ons voor ter verantwoording roepen. En haast met iedere hartslag wordt het me duidelijker: dat jij ons niet kunt helpen, maar dat wij jou moeten helpen en dat we de woning in ons, waar jij huist, tot het laatste toe moeten verdedigen. (Het Werk, 516-517; 12 juli 1942).

Verantwoordelijkheid

In het tweede deel van het geciteerde fragment spreekt Hillesum over ‘verantwoordelijkheid’. Zij meende, dat de mensen zelf verantwoordelijk zijn voor wat er in de wereld gebeurt. God is niet verantwoordelijk, want Hij kon in de gebeurtenissen niet ingrijpen. Wie Hillesum bestudeert, kan om dit thema niet heen. Wie dit standpunt inneemt, stuit op een probleem. De vraag waarom God Auschwitz – m.a.w. het kwaad – toestond is een verkeerde vraag. Auschwitz was immers mensenwerk. De personen die door deze vraagstelling èn het antwoord gemotiveerd werden tot geloofsafval, zouden die stap dus hebben gezet op grond van een ongeldig argument.

Hillesums overwegingen over het thema ‘verantwoordelijkheid’ kunnen tegen het nihilisme te hulp worden geroepen. Ik veronderstel althans, dat kardinaal Martini het vanuit dat gezichtspunt legitiem en nuttig achtte Etty Hillesum in te schakelen in zijn strijd tegen het geloofsverlies.

Aantekeningen bij Kardinaal Carlo Maria Martini over Etty Hillesum

  • Etty Hillesum, Het Werk, 1941-1943. Uitgegeven onder redactie van Klaas A.D. Smelik. Tekstverzorging door  Gideon Lodders e Rob Tempelaars. Zesde herziene en aangevulde druk, Amsterdam, Uitgeverij Balans, 2012.
  • Zie deze  pagina over de kritische editie van Hillesums dagboek en brieven op de website van het jaarboek Cahiers Etty Hillesum.
  • Carlo M. Martini, Qualcosa di così personale. Meditazioni sulla preghiera, Milano, Mondadori, 2009.

Vermeld moet worden, dat Martini de Italiaanse vertaling van het volledige werk van Etty Hillesum niet heeft kunnen lezen. Die uitgave verscheen in het najaar van 2012, dus na zijn dood.

Tekst herzien in januari 2023.