Etty Hillesum congres in Rome: december 1988

Wat wist men in Nederland van het Etty Hillesum Congres van 4 en 5 december 1988 in Rome?

Artikelen van Jan Louter teruggevonden

In het magazijn van onze uitgeverij, dat zich onder mijn huis bevindt, staat een pallet met een dozijn dozen gevuld met oud archiefmateriaal. Af en toe maak ik er een open, bekijk de inhoud en gooi wat weg kan in de papierbak. Tussen het pakje brieven dat ik vond, was er een van Jan Louter, die ik mij niet meer herinner. In de enveloppe een heel vriendelijk begeleidend ansichtkaartje van 14 januari 1989 met een winterse afbeelding van de Magere Brug in Amsterdam. Belangrijker zijn echter de fotokopieën van de twee artikelen die hij de maand daarvoor had gepubliceerd. Het kortste verscheen in Het Parool van dinsdag 6 december 1988. Het tweede, aanzienlijk langere artikel, was geplaatst in het NIW, Nieuw Israëlietisch Weekblad van vrijdag 9 december 1988.

In beide artikelen doet Jan Louter verslag van het Etty Hillesum Congres van 4 en 5 december 1988 in Rome, dat hij mogelijk als journalist had bijgewoond. Het bestaan van zijn artikelen was ik volledig vergeten.

Van links naar rechts: Nadia Neri, Giacoma Limentani, een adm mederw., Ted Meijer, Sergio Quinzio  en Romana Guarnieri. Op de eerste verdieping van het Nederlands Instituut te Rome. Foto © Maria Korporal.

Ted Meijer

Het tweedaagse Romeinse symposium over Etty Hillesum heeft het verloop van mijn leven in Italië in de jaren daarna bijzonder sterk beïnvloed. Tot op de dag van vandaag, zoals blijkt uit dit weblog.  Daarover zal ik het nu niet hebben. Naar aanleiding van de hervonden artikelen wil ik echter één persoon, bij wijze van dierbare herinnering en durende dankbaarheid, hier kort ter sprake brengen.  Ik bedoel Ted Meijer (1940-1997), de toenmalige directeur van het Koninklijk Nederlands Instituut te Rome. Hij overleed op 15 augustus 1997. Over minder dan drie weken is dat 23 jaar geleden.

Het is te danken aan Meijers enthousiaste steun aan het project dat deze eerste internationale bijeenkomst over Etty Hillesum kon worden gerealiseerd. Ik had het project in 1987 bedacht en aan hem voorgelegd toen hij nog maar net in dienst was getreden. Hij stond direct achter het plan en verschafte er het institutionele kader voor. Dat was erg belangrijk, want het stelde mij in staat het als een cultureel project van het Instituut te presenteren en te organiseren.

De publicatie van de Hillesum-lezingen

Later zorgde Ted Meijer ook voor de financiering van de uitgave van het boek met de resultaten van de twee symposiumdagen. Het verscheen in 1990: L’esperienza dell’Altro, De ervaring van de Ander, waarin ik de vijftien lezingen had opgenomen. Het was de eerste uitgave van onze uitgeverij Apeiron Editori, die Maria Korporaal en ik in datzelfde jaar hadden opgericht. Dat was nodig, omdat geen enkele Italiaanse uitgever de teksten wilde publiceren. In het najaar van 2020 hopen wij het elfde boek over Etty Hillesum te publiceren.  Maar daarover volgt later meer.

Jan Louters artikelen in pdf :
Het Parool In Rome congres over E. Hillesum
NIW: Italianen verslaafd verrukt over Diario Etty Hillesum

Een Literaire prijs voor schrijvende vrouwen, uitgereikt in het Vrouwenhuis in Rome

In de namiddag van zaterdag 1 december 2018 werden in een historisch gebouw in Rome de prijzen (geen geld) uitgereikt aan de winnaressen van de XIX editie van ‘Scrittura femminile’, letterlijk: het schrijven van vrouwen. De wedstrijd wordt jaarlijks georganiseerd door twee verenigingen: il Paese delle Donne (opgericht in 1985) en Donna e Poesia (opgericht in 1975).

Bij de prijsuitreiking was ik aanwezig, omdat Antonella Fimiani, één van de autrices van onze uitgeverij Apeiron Editori, voor haar boek Etty Hillesum: Donna della parola was uitgekozen in de sectie essayïstiek. Fimiani’s boek kreeg geen prijs, maar een ‘eervolle vermelding’: ze was de eerste op de lijst van vier, kreeg een mooi certificaat uitgereikt en gelegenheid voor een dankwoord en enige opmerkingen over haar boek.

Ik zou wat ze vertelde zo willen samenvatten: in dit boek onderzoekt zij het verband tussen het schrijven en het bestaan. Zij volgt de ontwikkelingen in Hillesums schrijven, eerst de dagboeken die in Amsterdam werden geschreven en vervolgens in de brieven uit Westerbork. Via een analyse van de artistieke relatie met de poëzie van Rainer Maria Rilke onderzoekt Fimiani Hillesums teksten in hun oorspronkelijke band met de literaire creatie én als geschreven uitdrukking van de getuigenis. Het denken van Hillesum wordt in verband gebracht met Hannah Arendt, met Primo Levi, Robert Antelme, Elie Wiesel e Jean Améry. Uit de dialoog met het werk van deze auteurs blijkt de diepgang van Hillesums werk, dat op de kernvragen van de naoorlogse literatuur vooruit loopt.

Het was overigens niet de eerste keer dat Etty Hillesum in het Romeinse vrouwenhuis werd verwelkomt. Op 10 november 2011 werd in dezelfde zaal het boek Amicizia, ammirazione, mistica, van Ria van den Brandt gepresenteerd.

Iets over het historische gebouw: Het internationale vrouwenhuis – La casa internazionale delle donne. Het complex met de aangrenzende kerk was een klooster: de Goede Herder genaamd. Het was een tehuis voor de heropvoeding van in kerkelijke ogen ‘zondige vrouwen’ en actief vanaf het einde van de 16e eeuw. Aan die bestemming kwam na de Tweede Wereldoorlog een eind en tussen 1950 en 1970 werd het gebouw gebruikt als gevangenis voor vrouwen die kleine misdaden hadden gepleegd. Na een decennium als centrum voor opvang van minderjarigen en hulpverlening aan ouderen te hebben gediend, werd het in de jaren tachtig het Romeinse Vrouwenhuis. In 1985 besloot het gemeentebestuur dat het complex voortaan aan de Romeinse feministische beweging onderdak zou geven.

Eén van de drijvende krachten achter deze literatuurprijs voor vrouwen is Maria Paola Fiorensoli. In haar boek ‘De stad van de eeuwige Godin’ (La città della Dea perenna, 1999) vertelt zij de lange voorgeschiedenis van het gebouw en zijn inwoners, dat vanaf de jaren tachtig in de 20e eeuw verandert in het bruisende centrum van de Romeinse feministische beweging.

Noot:
Er bestaat geen Nederlandse editie van Antonella Fimiani’s boek, noch van het genoemde boek van Ria van den Brandt.
Hier de link naar Fimiani’s Facebook pagina.

Lucrezia Lerro over Liefde: Etty Hillesum en Julius Spier

Lucrezia Lerro schrijft romans en gedichten. Ze werd in 1977 geboren in het dorp Omignano in de Zuid-Italiaanse provincie Salerno, heeft opvoedkunde gestudeerd in Florence en woont en werkt in Milaan. Ik neem deze summiere gegevens over van de Wikipediapagina die aan haar is gewijd. Ze heeft tot op dit moment negen romans

Lucrezia Lerro.

gepubliceerd, vier bundels poëzie en een vijftal theaterstrukken. Haar romans zijn uitgegeven door Bompiani en Mondadori – dat zijn vooraanstaande Italiaanse uitgeverijen. Het laatste boek, La giravolta delle libellule, kwam in 2017 uit bij La nave di Teseo. Bij deze recent (2015) opgerichte Milanese uitgeverij was Umberto Eco nauw betrokken. Hij overleed echter kort voordat de eerste titel op de markt kwam.

Het boek waaraan ik hier enige aandacht wil geven, heeft zij in 2016 uitgebracht bij de katholieke uitgeverij San Paolo, die deel uitmaakt van het omvangrijke spectrum van Italiaanse religieuze uitgeverijen. San Paolo heeft een behoorlijk aantal boeken over Etty Hillesum in haar fonds.

Lerro’s boek heeft als titel ‘De aanstekelijkheid van de liefde: Etty Hillesum en Julius

Omslag van de roman.

Spier’ (Il contagio dell’amore. Etty Hillesum e Julius Spier) en wordt gepresenteerd als fictie. De auteur verwijst in het nawoord op pagina 175 naar het dagboek en de brieven die haar tot inspiratie dienden: de Italiaanse edities van Het verstoorde leven en de brieven, die respectievelijk in 1985 en 1990 door Adelphi werden gepubliceerd, en besluit het boek met een biografische schets van de familie Hillesum (pp. 177-180).

De roman bevat drie citaten uit Hillesums werk. De belangrijkste is de tekst van de briefkaart aan Christien van Nooten, die Etty Hillesum op 7 september 1943 uit de trein heeft gegooid op weg naar Auschwitz-Birkenau en waarmee de roman wordt afgesloten.

Aangezien het gaat om een fictionele tekst over personen die werkelijk hebben bestaan, laat de auteur haar werk voorafgaan door een waarschuwing: ‘Deze roman neemt slechts ten dele het werkelijke leven van Etty Hillesum als uitgangspunt.’ Hiermee geeft de schrijfster zichzelf de vrije hand.

Het verhaal draait om de liefdesrelatie tussen Hillesum en Spier. Daarnaast wordt aan de verhouding tussen Etty Hillesum en haar ouders erg veel aandacht besteed. Andere personages worden wel ter sprake gebracht – Pa Han, Maria Tuinzing – maar krijgen geen invulling. De andere thema’s zijn het schrijven en het geloof. De optiek van waaruit de roman is geschreven is de liefde.

In ‘De aanstekelijkheid…’ wordt verteld dat Etty Hillesum van Spiers ‘patiënte’ opklimt naar diens medewerkster en hoe deze ontwikkeling gepaard gaat met de ontluikende en beantwoorde wederzijdse liefdesgevoelens. Hoewel ook over het erotische aspect van hun relatie wordt gesproken, blijkt nergens dat de relatie verder is gegaan dan het worstelen als onderdeel van de therapie. De dood van Spier door een ‘hartinfarct’ betekent het einde van de relatie en zijn we ook bijna aan het einde van het verhaal.

Met Han Wegerif – de andere geliefde – had Hillesum méér dan een platonische relatie. Hij is een constante aanwezigheid voor én na haar kennismaking met  Spier. Lerro thematiseert in haar roman de kwestie van de abortus (117) en wordt het een ‘ongelukje’ genoemd. Het motief voor de abortus wordt niet gemotiveerd door de oorlogsomstandigheden, maar door het privéleven van Pa Han.

Lerro beperkt het verhaal ruimtelijk tot Amsterdam. Etty en haar broers wonen bij hun ouders in de Gabriël Metsustaat. Spiers woning is in de Courbetstraat, maar die ligt in de roman aan een gracht want daarop kijkt Etty uit als zij voor het raam staat. Kamp Westerbork komt wel ter sprake, maar alleen als plaats waar de Joden vanuit Amsterdam naar toe worden gedeporteerd.

In het eerste hoofdstuk presenteert Lerro de ouders Hillesum waargenomen door de dan 14 jarige Etty. Vader Hillesum, in de roman Levi, wordt gedomineerd door zijn vrouw, hier Rebecca, die zich obsessief met het eten inlaat en bovendien voortdurend ruzie zoekt met haar echtgenoot. We vernemen niets over hun achtergronden, behalve een verwijzing naar de Russische afkomst van Rebecca. Deze negatieve karakterisering van de ouders is in lijn met de Italiaanse studies van vóór de publicatie van de integrale editie van het dagboek in 2012. Aangezien de selectie door meer mensen wordt gelezen dan de integrale editie, blijft dit verwrongen beeld domineren.

In het eerste en tweede hoofdstuk zien wij twee termen die de toon van de roman zetten: gebed (‘preghiera’, p. 14; de 14-jarige Etty knielt voor het slapengaan naast haar bed en bidt voor haar ouders) en vergeving (‘perdono’, p. 21). Etty had een vriendin toevertrouwd: ‘Macht wil voor mij zeggen vergeven.’

Uit de laatste alinea van hoofdstuk 7 blijkt dezelfde tendens om aan het romanpersonage Etty Hillesum een christelijke karakter te geven:

– Weet U wat het verschil is tussen iemand die gelooft en een ander die niet gelooft ? vroeg Etty aan hem (= Spier)

– Zeker. […] Iemand die gelooft, heeft het leven lief en is in staat op eigen benen te staan, zichzelf tot steun te zijn. […] Nederig kan men slechts worden als men de toegebrachte kwetsingen vergeet.’ (72-73)

Vooral de laatste zin over het achter zich laten van de kwetsingen, van het door anderen berokkende leed, deed mij denken aan de autobiografische roman van Giacometta Limentani (1927-2018), waarin zij vertelt over het antisemitische geweld waarvan zij en haar familie onder het fascisme van Mussolini vanaf 1938 slachtoffer werden. Het is onwaarschijnlijk dat zij de agressie zal vergeten, maar dat betekent niet dat zij de nederigheid, de liefde voor anderen en voor het leven niet kende. Integendeel, zij was in geen enkel opzicht vervuld van haat en bewonderde de moed van Etty Hillesum.

Nederigheid is een nastrevenswaardige deugd. In boven geciteerde zin doet het echter meer denken aan de christelijke nederigheid, die past bij de ‘christelijke’ Etty die de auteur voor de lezer neerzet. Een Etty die vrijwel geheel is ontdaan van haar Joodse achtergrond. De liefde tussen Hillesum en Spier blijkt een voorstadium van de Liefde met een hoofdletter, de menselijke liefde voor God en Gods Liefde voor de mens.

Hier is een gedreven schrijfster aan het woord. De zesentwintig korte hoofdstukken – van gemiddeld 6,2 pagina’s – zijn geschreven in een goed lopend hedendaags Italiaans dat de aandacht van de lezer vasthoudt tot aan het laatste bladzijden. Het verhaal moge zich dan afspelen in Amsterdam, het is ontdaan van alle eventuele storende locale – lees: Nederlandse – culturele elementen. Dat geldt evenzeer voor de historische context, die  vrijwel volledig ontbreekt. De volgens dit bestek gecreëerde romanpersonages, voegen zich moeiteloos in de Italiaanse context en komen bij een Italiaanse lezeres of lezer daarom vertrouwd over.

Niet iedereen zal deze werkwijze toejuichen en meer feitelijke informatie hebben verwelkomt. Maar in een land waar de historische en hedendaagse kennis over de Lage Landen bijzonder gering is, lijkt deze reductieve aanpak voor hen die werkzaam zijn in de culturele sector een onvermijdelijke keuze. Ik vind dat jammer en zou mij van de kant van Italiaanse schrijvers, filmmakers en uitgevers meer durf en inspanning wensen.

Italië 1938: een antisemitisch document

De fascistische dictatuur geleid door Benito Mussolini kwam in de zomer van 1938 in een nieuwe fase: in de juli werd het op biologische aannames gebaseerde racistisch   antisemitisme aangekondigd. Voor de nieuwe politiek van het regime werden in de tekst “Het fascisme en het probleem van het ras” de lijnen uitgezet. In tien stellingen werd beoogd een wetenschappelijke basis te verschaffen aan een exclusief biologisch-racistisch begrip van het Italiaanse volk. Het document wordt ook wel genoemd: “Manifest van de fascistische academici”, omdat het zou zijn samengesteld door hoogleraren en wetenschappers. U kunt hier mijn Nederlandse vertaling in pdf downloaden.

Het is 80 jaar geleden dat Mussolini het antisemitisme tot een van de kernpunten van zijn politieke beleid maakte. Niet dat het in Italië voordien afwezig was, integendeel, maar in 1938 werd het een staatszaak. Daarmee begon de periode waarin de Italiaanse Joden stap voor stap rechtenloos werden gemaakt en in een maatschappelijk isolement werden gedreven. De afbeelding hiernaast uit het tijdschrift ‘De verdediging van het ras‘, van 10 november 1938, brengt een serie verbodsbepalingen in beeld.

De razzia’s, vervolgingen en deportaties, dus de maatregelen waarbij men het gemunt had op het leven van de Joden, luidden een nieuwe fase in. Die begon enkele dagen na 8 september 1943. Op die woensdag werd door regering Badoglio bekend gemaakt dat zij een wapenstilstand had gesloten met de geallieerde strijdkrachten. De Duitsers gingen onmiddelijke over tot de bezetting van de noordelijke helft van het land, inclusief Rome.

In 2018 wordt in Italië niet alleen tachtig jaar anti-joodse wetgeving herdacht. Het is op 16 oktober aanstaande vijfenzeventig jaar geleden dat op zaterdagmorgen de grote razzia in het voormalige getto van Rome plaatsvond (zie de voorgaande post).

Ik zou hier nog een belangrijke gebeurtenis willen vermelden: in hetzelfde jaar 1943 werden Etty Hillesum, haar broer Mischa en haar ouders op 7 september uit kamp Westerbork naar Auschwitz-Birkenau gedeporteerd. Tijdens het Internationale Etty Hillesum Congres op 10, 11 en 12 september aanstaande in Middelburg zal hieraan ongetwijfeld ruim aandacht worden besteed. Etty Hillesum was klaarblijkelijk op de hoogte van de eerste val van Mussolini op 25 april 1943 en het verloop van de oorlog in Italië, want ze schrijft op 8 augustus 1943 in een brief aan Maria Tuinzing: “Ik bedacht een verhaaltje over Victor Emanuel, over een volksregering en een naderende vrede…”.

Giacoma Limentani

De Italiaanse schrijfster en vertaalster Giacoma Limentani is op zondag 18 februari 2018 overleden in Rome, waar zij negentig jaar geleden op 11 oktober 1927 werd geboren. Zij is op maandag 19 februari ter aarde besteld op de Joodse afdeling van de Romeinse begraafplaats Verano, waar om 12 uur in het overvolle Joodse Tempeltje (Tempietto ebraico) afscheid werd genomen met een dienst onder leiding van drie rabbijnen en de chazan. Alle gezangen en gebeden waren in het Hebreeuws, de toespraken na afloop in het Italiaans.

Na de dienst van ruim een uur volgde men te voet de wagen naar het graf. Rabbijn De Vries schreef daarover: ‘De stoet van een grote menigte mensen, die voldoen aan hun innerlijke behoefte en gewoon te voet de lijkbaar volgen, is het meest imposante getuigenis voor degeen, die heengaat.’ Zo ook de lange stoet op weg van het Tempeltje naar het in gereedheid gebrachte graf waar de rouwenden zich omheen schaarden. Het kaddisj gebed werd gereciteerd en wat aarde uit Israël op de kist gestrooid, die vervolgens werd neergelaten.

Giacoma Limentani kwam al in haar kindertijd met ‘iets Nederlands’ in aanraking. In 1936 begon in Italië de duizelingwekkende carrière van de drie Nederlandse zusters Leschan, die in 1935 in Noord-Italiaanse Turijn verzeild waren geraakt. Zij beoefenden net als hun ouders de acrobatie en zagen zeker geen zangcarrière in het verschiet, ook al waren er in de familie van hun moeder veel musici. Zij werden ontdekt door een radio talent-scout en pijlsnel omgevormd tot zangeressen, die optraden onder de artiestennaam ‘Trio Lescano’. Hun moeder, Eva de Leeuwe, trad op als zakelijk leidster. Vanwege hun Joodse afkomst kwam er, ondanks het bezit van een ‘ariër’-verklaring en de Italiaanse nationaliteit, in november 1943 een einde aan het in Italië bijzonder geliefde trio. Moeder en dochters doken onder in de provincie en werden ondanks de nazi-klopjachten niet gevonden vanwege de hulp van de locale bevolking. Ook Giacoma Limentani was ondergedoken. Zij overleefde de vervolgingen in een Romeins klooster.

In het gezin Limentani was de lichte muziek niet alleen geliefd, maar werd zij ook beoefend. De tiener Giacoma was dol op jazz en swing en op dat punt komt het Trio Lescano in zicht. Als meisje leerde zij de liedjes van de radio na te zingen. Mussolini was overtuigd van het enorme propagandistische potentiëel van de radio en bevorderde een zo groot mogelijke verspreiding van apparaten. Een topper in het Lescano repertoir was het liedje Tuli tuli tulipan, een duidelijke verwijzing naar hun geboorteland. Een ander lied: ‘De verliefde pinguïn’ (Il pinguino inamorato), komt aan de orde in Limentani’s eerste roman ‘Bij verstek’ (In contumacia).

In deze roman wordt de elfjarige hoofdpersoon, kort na het afkondigen van de rassenwetten (zomer 1938), door vier jeugdige fascisten onder druk gezet om de schuilpaats van haar vader te verraden. Zij zwijgt. De vier voegen haar toe dat haar vader dan bij verstek zal worden veroordeeld. Om haar een lesje te leren wordt zij in haar eigen huis verkracht. Daar was op dat moment behalve zijzelf niemand anders dan haar oma aanwezig, die getuige was van de gewelddaad. Kort daarop overlijdt zij echter zodat het geheim bewaard blijft, want de elfjarige vertelt het aan niemand. Deze tot trauma uitgegroeide gebeurtenis doortrekt en bepaalt op dramatische wijze het verdere leven van het opgroeiende meisje en vrouw. Limentani giet haar verhaal in de vorm van een autobiografische roman, die bij de publicatie in 1967 veel opzien baarde.

Het tweede contact met ‘iets Nederlands’ kwam tot stand, toen ik haar in 1988 uitnodigde om deel te nemen aan het eerste Internationale Etty Hillesum symposium in Rome. Van het bestaan van het Trio Lescano was ik toen nog niet op de hoogte en behalve enkele korte essays had ik niets van Limentani’s werk gelezen. Haar naam werd mij gesuggereerd door een lid van de Joodse gemeenschap, mevrouw Bici Migliau, die ik via een studente in mijn klassen Nederlandse les aan volwassenen had leren kennen. Limentani zegde toe en werd één van de vijftien sprekers op deze bijeenkomst, die ik in nauwe samenwerking met de toenmalige directeur Ted Meijer op het Nederlands Instituut te Rome had georganiseerd. In haar lezing ging zij in op de Joodse achtergronden van Hillesums dagboek, die zij belichtte vanuit het gezichtspunt van haar eigen levenslange studie en vertalen van teksten uit de Joodse traditie, zoals de Tora en de Midrasj. In de herinnering van de Joodse gemeenschap leeft zij voort als lerares Hebreeuws, de Joodse traditie, cultuur en wijsheid. Zij wordt aangeduid met de eretitel ‘maestra’.

Giacoma Limentani in 2017.

Op een zondag eind oktober 2016 zijn Limentani, een bevriend Romeins echtpaar en ik niet ver van haar huis gaan lunchen. Zo werd onze kennismaking door de toevallige ontdekking van gemeenschappelijke vrienden na achtentwintig jaar hernieuwd. Bij die gelegenheid heb ik voorgesteld haar lezing uit 1988 in het Nederlands te vertalen. Het opstel zal in het najaar van 2018 in deel tien van de serie Etty Hillesum Studies verschijnen. De vertaling draag ik op aan de geliefde Romeinse Joodse ‘maestra’.

Voor de controle van de Joodse terminologie mijn dank aan Klaas Smelik, die in 1988 onder sprekers van het symposium was.

Nota

De drie romans van Limentani zijn: In contumacia (Bij verstek), 1967; Dentro la D (Binnen de D. – de D staat voor Dàlet, de letter uit het Hebreeuwse alfabet), 1992; La spirale della tigre (De spiraal van de tijger), 2003. Ze werden in 2013 samen uitgegeven onder de titel Trilogia.

Rabbijn Ph. de Vries Mzn, Joodse riten en symbolen, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1968. Voor de geciteerde zin: p. 270.

Zie voor het Trio Lescano: Gabriele Eschenazi, Le regine dello swing. Il Trio Lescano: una storia fra cronaca e costume, Einaudi, Turijn, 2010.

De zusters bleven in Nederland lang onbekend. Toenke Berkelbach maakte een radioportret voor de VPRO. Zie ook wikipedia

Etty Hillesum in tien liederen. Het vertrek op 7 september 1943 uit kamp Westerbork verteld in een Italiaans kinderboek

De Italiaanse schrijver en hebraïst Matteo Corradini heeft in februari 2017 een voor jeugdige lezers gedacht boek over Etty Hillesum  gepubliceerd. Het is alleen in het Italiaans  beschikbaar en daarom geef ik eerst een werkvertaling van de titel: ‘Wij zijn zingende vertrokken. Etty Hillesum, een trein, tien liederen.’ [Siamo partiti cantando. Etty Hillesum, un treno, dieci canzoni, Palermo, rueBallu edizioni, 2017. Illustraties van Vittoria Facchini.] Corradini is niet de eerste die een zinssnede van Etty Hillesum gebruikt voor de titel van een boek over haar. Ik moest denken aan het in 2003 uitgekomen ‘Wachten jullie op mij?, samengesteld door Ria van den Brandt en Klaas Smelik, en waarvan in 2016 een nieuwe sterk uitgebreide editie beschikbaar kwam. Een vroeg Italiaans voorbeeld is het boek uit 1998 van Graziella Merlatti, die de woorden ‘denkend hart’ (Het Werk, 545) in de titel had opgenomen, en Isabella Adinolfi, die ‘een onneembare vesting’ (Het Werk, 518) heeft gebruikt voor de titel van haar boek uit 2011.

Corradini benut de zin ‘Wij zijn zingende uit dit kamp vertrokken […]’, die we kunnen lezen in Hillesums laatste ons bekende getuigenis: de briefkaart van 7 september 1943 aan Christine van Nooten (Het Werk, 702). Het was een gewoonte geworden om briefkaarten uit de deportatietrein te werpen. Op Etty Hillesums kaart van 7 september 1943 staat het poststempel van Glimmen, dat in de buurt van Haren ligt, een station op de spoorlijn Zwolle-Groningen. Sinds de jaren twintig was daar een aftakking voor het baanvak richting Nieuweschans gemaakt en dat gaf de gelegenheid – de trein reed immers langzaam vanwege de wissel – om kaarten uit de wagons te gooien. Ze werden door omwonenden opgeraapt en gepost.

De Italiaanse versie van de zinsnede ‘wij zijn zingende […] vertrokken’ luidt: ‘siamo partiti cantando’ en is bijzonder geschikt als titel voor een boek, niet in het minst vanwege de precieze en mooie vertaling. Minder elegant vind ik, dat de auteur de vertaalster Chiara Passanti niet noemt. Van haar hand zijn de eerste Italiaanse vertalingen van de selecties uit Hillesums dagboeken (It. ed., 1985) en brieven (It. ed., 1986). En van haar is dus ook de vertaling van de briefkaart. In zijn boek ontbreekt trouwens elke verwijzing, noch naar de integrale Italiaanse edities van Etty Hillesums werken, noch naar andere bronnen en teksten.

Om de woorden uit de briefkaart draait heel het boek van Corradini, dus in feite om het vertrek van Etty Hillesum, haar ouders en Mischa op dinsdag 7 september 1943. Hij heeft het eerste introducerende hoofdstuk ‘Vaarwel’ genoemd, en het afsluitende twaalfde ‘Gebed’; tezamen vormen zij het kader waarbinnen het verhaal zich in tien hoofdstukjes voltrekt. Corradini kiest niet voor een anonieme verteller, maar voor ik-persoon, die de lezer, klein of groot, vanaf de eerste zinnen gemakkelijk kan herkennen als Etty Hillesum. Het resultaat is een naar de vorm autobiografische tekst, geschreven door iemand die zich in een trein bevindt en af en toe melding maakt van wat zij ziet als ze naar buiten kijkt, maar die vooral haar herinneringen aan geliefde personen, plaatsen en gebeurtenissen uit haar recente verleden aan het papier toevertrouwt. In deze zin sluit dit boek mooi aan op de authentieke dagboekteksten die voor Corradini de inspiratiebron waren.

Zijn boek opent met de zin: ‘Ik weet niet meer welk lied het was, maar we zijn zingend vertrokken.’ (15) Op de vraag die de auteur in deze zin heeft verpakt, worden tien antwoorden gegeven in de tien hoofdstukjes die hij liederen heeft genoemd en zijn opgebouwd uit een kort stukje proza, waarin het onderwerp ter sprake wordt gebracht en dat vervolgens uitgewerkt wordt in paragraafjes die ‘strofe’, ‘refrein’ en soms ‘variant’ heten. Zo ontstaat een hechte en zorgvuldig gestructureerde narratio waarin de treinreis en het eindpunt – dat niet wordt genoemd, maar we weten allemaal wat het eindstation was – voor een uitnodigende spanningsboog zorgen.

Na het eerste ‘Lied over de boom’ volgt het ‘Lied over het portret’ (Julius Spier), over ‘de zee’ (Mischa), over ‘schoonheid en  domheid’ (Etty Hillesum), over ‘de handen’ (Spier), over ‘de heide’ (kamp Westerbork), over ‘het nachthemd’ (de nacht voor het vertrek), ‘de maan’, ‘het potlood’ (schrijven) en het tiende lied gaat over ‘het huis’ (de wereld). Het zijn belangrijke thema’s in Hillesums dagboek.

Het aantal liederen is bepaald op tien, maar zou gemakkelijk kunnen groeien, want uit niets blijkt een dwingende logica die dat  aantal zou voorschrijven. De beperking wordt mijns inziens ingegeven door de omvang die de uitgever voor de serie ‘Jeunesse ottopiù’ heeft vastgesteld en waarvan de naam een indicatie is voor de doelgroep: kinderen van acht jaar en ouder. Corradini had overigens in 2015 al een boek over Chopin in dezelfde reeks gepubliceerd, dat volgens hetzelfde strakke schema is opgezet.

De twaalf kleurenillustraties van Vittoria Facchini richten zich eveneens op deze leeftijdsgroep. De Etty Hillesum die zij afbeeldt, is niet een vrouw van 29 jaar, maar een tiener. Waar het een jeugdherinnering betreft, zou dit nog aannemelijk zijn, maar in veel gevallen ontstaat er een zekere discrepantie. Hillesum was immers ver in de twintig toen zij het dagboek schreef en de 29 lang voorbij op de dag dat zij werd gedeporteerd.

Corradini vertelt aan zijn jeugdige lezers het verhaal van het vertrek, de reis, maar vooral wat Etty Hillesum dacht en voelde.         Aan de hand van twee thema’s zal ik onderzoeken of hij daarin naar mijn mening is geslaagd. Eerst bespreek ik de rol van Julius Spier en daarna het thema van de boom. Beide onderwerpen doortrekken heel het verhaal en lenen zich daarom voor verdieping.

Het lied van de handen
Dit boek doet recht aan Julius Spier. In de vroegere Italiaanse Hillesum-receptie werd hij veelal als een ‘oplichter’ terzijde geschoven. Men kwam vrij snel tot dat oordeel, omdat tot 2012 alleen de tekst van de eerste dagboekselectie beschikbaar was, waarbij bovendien bedacht moet worden, dat een groot deel van de tekst van het eerste dagboekcahier was geschrapt door de toenmalige bureauredacteur van Adelphi, want irrelevant geacht. Met de publicatie in november 2012 van het volledige dagboek in het Italiaans zijn de gronden voor dit type oordeelsvorming weggenomen.

In het zesde hoofdstuk, het ‘Lied van de handen’, legt Corradini’s Etty Hillesum gedetailleerd uit hoe zij bij Spier de afdrukken van haar handen maakte en beschrijft het resultaat: ‘Een precies en zwart teken, met microscopische lijnen, duizenden tekens: het waren mijn handen. Het was mijn geschiedenis. Niet mijn toekomst, nee: S. was geen oplichter. Hij  sprak over het heden, niet over de toekomst.’ (64) Aanvankelijk was zij zeer sceptisch over de pretentie van de psychochiroloog dat hij via de handen iets zinnigs over iemands innerlijk zou kunnen zeggen. Kritisch schrijft  Corradini/Hillesum: ‘Hoe kun je iets zeggen over hoe een huis is gemeubileerd, als je alleen de voordeur ziet? Dat is absurd.’ Maar dan – ik parafraseer – maakt ze de vergelijking met een kers die Spier in haar hand legt. Hij zag glimlachend toe, omdat ik wist hoe een kers smaakt en waar zij groeit. Een blik op de buitenkant van de vrucht was voldoende. (62-62) Deze vergelijking lijkt me enigszins gewaagd, maar is in het verhaal functioneel, omdat het haar twijfels omtrent Spier wegneemt. Maar Corradini gaat nog een stap verder: Hillesums handafdrukken op het papier worden in het laatste refrein geassocieerd met handen op een landkaart. En daarmee doet de oorlog zijn intrede, want op die kaart is het front aangegeven, de reis naar het oosten, de grenzen die de trein is gepasseerd, de nazi’s (67) die dit alles hebben georganiseerd. ‘Ik volg met mijn vingers de contouren van de horizon, voor me zie ik de bruggen, de kanalen, de heuvels en ga er met mijn vingers langs. En dan de kampen, en ik probeer de ons welgezinde personen tussen de struiken te onderscheiden. Maar het lukt mijn handen niet eens om de deuren van deze wagon openen, laat staan dat ze iets zouden kunnen veranderen. Ieder van ons is het front. En de toekomst is niet geschreven in onze handen, maar is waar men ons heenvoert.’

In luttele pagina’s maakt Corradini door zijn verhalende tekst een serie onderwerpen inzichtelijk, die in een zakelijke tekst veel uitleg zouden vergen en beperkt toegankelijk zou zijn. In het derde hoofdstuk, ‘Lied over het portret’, is de liefde tussen Spier en Hillesum het uitgangspunt. Maar wie over de liefde vertelt, komt al snel op het hart. Dat schept de ruimte om ‘het denkende hart van de barak’ ter sprake te brengen. Maar eerst wordt Spier voorgesteld en uitgelegd wat een chiroloog doet: ‘hij bekijkt je handen om te kunnen begrijpen wat er in je hoofd gebeurt’. (33) De verbinding tussen Spier en het denkende–hart–thema wordt gelegd, als Hillesum in haar schaarsverlichte kamer op een foto zijn gelaat aanschouwt, en waardoor zij de ervaring heeft, dat er in haar innerlijk een licht wordt ontstoken. In kamp Westerbork komt deze dankzij Spier verworven innerlijke kracht of inspiratie tot vorm in de zo frequent geciteerde zin ‘Het denkende hart van de barak.’ (Het Werk, 545, en varianten erop: ‘[…] laat mij dan het denkende hart van deze barak mogen zijn. Ik wil het weer zijn. Ik zou het denkende hart van een heel concentratiekamp willen zijn.’ (Het Werk, 575)

Het lied van de boom
De tiener Etty stal kersen van een boom (het platteland van Deventer?)  die eigendom was van een boer, die dan wel niet wist hoe zij heette, maar die er niet aan twijfelde dat zij Joods was en haar ‘lelijke woorden toeschreeuwde’. (25) Ook haar ouders, haar huis en zelfs haar poes  moesten het ontgelden. De verwijzingen naar het antisemitisme zijn impliciet, maar voor wie ze wil zien, zijn ze er.

Misschien was het lied dat in de wagon werd gezongen, gewijd aan ‘de bomen die wij zagen vanuit de wagon, toen wij Westerbork verlieten, of misschien aan een enkele boom, of aan één boom.’ (27) Onder een boom heeft Etty de mooiste kus van haar leven gegeven, schrijft zij. Aan Julius Spier.

Bomen keren terug in het afsluitende hoofdstuk, als de trein zijn bestemming lijkt te naderen. Uit de wagon ziet zij nieuwe aanplant van bomen en struiken. Wie plant er nu midden in de oorlog nieuwe bomen? Dat doen alleen zij die iets te verbergen hebben: de massagraven waarin Joden zonder naam liggen en waarover reeds lang bomen en struiken groeien. Om de moorden te verbergen.

Maar dat was tevergeefs. Het boek sluit af met dit beeld: ‘Boven ons groeien de planten. Hun wortels komen tussen onze armen alsof ze ons willen omvatten. Stukje bij beetje veranderen ook wij in takken en schors. Spelende kinderen klimmen in onze takken om kersen te stelen.’ Van de kersenboom uit het eerste lied, via het kersendiefje Etty, naar de bomen in de bossen van Oost-Europa en daarna – maar dan zijn we al buiten het boek beland – in heel de wereld waar duizenden bomen voor de rechtvaardigen worden geplant. Wat ook in gedachte komt, is het Joodse ‘Nieuwjaar van de bomen’, het Toe Bisjvat, dat valt op 15 Sjevat, eind januari, begin februari. Op deze feestdag planten Israëlische schoolkinderen in het hele land jonge boompjes.

Conclusie
Corradini heeft over Etty Hillesum een liefdevol boek geschreven. Zij doet daarin het woord, ook al spreekt zij met die van de auteur. De enige ‘bijbedoeling’ lijkt mij er een van didactische aard. Corradni’s teksten bieden de lezers in de beoogde doelgroep talloze aanknopingspunten: enerzijds de beweegredenen van Etty Hillesum om haar gevoelens, gedachten en ervaringen op dat specifieke moment in haar leven in een dagboek onder woorden te brengen, anderzijds om de complexe historische context waarin zij dat deed, aan de jongere generaties te begrijpen. Wie dit boek ter hand neemt om hieraan een steentje bij te dragen, moet uitleggen dat Etty Hillesum geen poes had (Lied van de boom), en dat er rondom kamp Westerbork in de oorlogsjaren geen bomen stonden, zoals nu het geval is. Maar dit zijn details die niets af doen aan Corradini’s verdiensten, integendeel zou ik zeggen; maar ik ben ietwat bevooroordeeld, want ik houd van bomen en ben dol op katten.

 

Giuseppe Laras, 1935 – 2017: de opperrabbijn van Milaan en Etty Hillesum

Op woensdag 15 november 2017 overleed in Milaan rabbijn Giuseppe Laras. Hij was 25 jaar de opperrabbijn van die stad. Hij wordt geëerd met de titel ‘maestro’, geestelijk leider. Door velen werd hij erkend als een gids die richting gaf aan hun bestaan, als een leraar die zijn levenswijsheid deelde met hen die bereid waren naar hem te luisteren.

Giuseppe Laras

Laras heeft telkens opnieuw gewezen op het steeds dieper groeiende antisemitisme, in Italië en in Europa. Gedurende zijn lange carrière heeft hij zich met evenveel vasthoudendheid ingezet voor de interreligieuze dialoog tussen joden en christenen. Hij was tot diens dood bevriend met zijn stadgenoot kardinaal Carlo Maria Martini, eveneens groot voorvechter van deze dialoog. Laras breidde zijn ideeën daarover uit tot de wereld van de islam. Hij nam deel   aan het World Congress of Imams and Rabbis for Peace. Laras heeft gewerkt als universitair docent aan universiteiten in Milaan en Pavia. Hij heeft zich vooral toegelegd op de studie van Maimonides, de Joodse filosofie van de Middeleeuwen en de Renaissance, onderwerpen waarover hij publiceerde.

Zich bewust van het naderende einde heeft Laras in een brief aan de Milanese Joodse Gemeenschap opgeroepen “nieuwe modellen” te ontwerpen waarmee men twee van de complexe problemen van deze tijd aan zou kunnen pakken: ten eerste “de nieuwe golf van antisemitisme, het verraad van de linkse politiek, het snelle intellectuele en morele verval van de Westerse beschaving”, en ten tweede de fase van “uittering en verharding” waarin het Jodendom verkeert.  In de context van de jaarlijkse herdenkingen rond 27 januari was Giuseppe Laras bekend geworden als de ‘Overlevende van de Sjoa’. Op 2 oktober 1944 ontsnapte hij in zijn geboortestad Turijn aan de dood in een concentratie- of vernietigingskamp toen zijn moeder en oma werden verraden. Hij vat de gebeurtenissen nog eens samen in een artikel dat het Italiaanse katholieke dagblad Avvenire op de dag na zijn dood afdrukte: “Het lichaam is een geschenk van God. Mijn jaren ontnemen mij mijn kracht…” Ik vertaal er de volgende passage uit:

Ik herinner mij dat de twee Italiaanse SS-ers eenvoudig op de deur klopten. Onze vrome conciërge, altijd goed behandeld door mijn familie, had mijn moeder en oma aangebracht.  Zo kon zij de 5000 lire per persoon incasseren. Ik herinner mij de straat die wij ’s avonds laat doorgingen, te voet naar het gebouw van de Gestapo. Ik herinner mij de laatste snel gewisselde blik met mijn moeder, die ik nooit meer terug zag. Ik herinner mij hoe ik wanhopig en geschokt was gevlucht om een veilig heenkomen te zoeken, een plaats om mij te verbergen. En ik herinner me ook dat ik een half jaar niet heb gesproken. Ze was mooi, mijn moeder. […] Ons gezin was warm en boordevol van de levenslust, die in het woord ‘familie’ is samengebald en verscholen. Mijn kinderjaren waren heerlijk. Op 2 oktober 1944 raakte ik dit alles in één slag kwijt. Ik was negen jaar oud. Het was een onomkeerbaar verlies.

Zoals gebruikelijk worden bekende personages door journalisten over actuele thema’s om hun mening gevraagd. Dat overkwam ook Rabbijn Laras regelmatig. In een artikel in het dagblad Corriere della Sera van 3 januari 2014 over Etty Hillesums Dagboek (ik heb de bron niet kunnen controleren) heeft hij iets over haar gezegd. De passage wordt geciteerd door Nadia Neri in haar artikel van 14 januari 2014, geplaatst op de website van de Milanese Vereniging Gariwo:

Het is verkeerd haar voor te stellen als een heldin of als een hoeksteen van het denken. Zij was een intelligente en gevoelige jonge vrouw, die ons een zeer belangrijke getuigenis heeft nagelaten. Maar men moet er ook rekening mee houden, dat zij grote psychologische problemen had, die werden verergerd door de verhouding met Julius Spier, een therapeut die 27 jaar ouder was. De woorden en het gedrag van Etty [Hillesum] moeten worden beschouwd in de optiek van een gestoorde persoon.

Neri vindt deze opmerkingen van Laras ‘geringschattend’. Haar verontwaardiging komt voort uit de opvatting “Etty is een gewone vrouw.” (Etty è una donna normale.), die Neri sinds 1988 heeft gekoesterd. Daar is niets op tegen, maar toch wijkt haar mening niet zó sterk af van die van de opperrabbijn als zij in hetzelfde stuk doet voorkomen. Dit blijkt als zij verduidelijkt wat zij zélf onder “normaal”  verstaat: “[Etty had] net als iedereen veel problemen, een moeilijke verhouding met haar ouders, eetproblemen en een ernstige depressie…” Voorwaar niet gering.

Dat geldt ook voor de opmerking van rabbijn Laras over Etty Hillesum: ‘een gestoorde persoon’ (una personalità disturbata). Ik neem voorlopig aan dat Neri de rabbijn correct citeert, maar het lijkt me niettemin een oordeel dat niet past bij iemand als Laras. Je vraagt je af wat hij van Hillesums werk gelezen heeft. Wellicht alleen de bloemlezing uit 1981? Ik blijf voorlopig het anwoord schuldig.

In dit stukje wil ik tot slot nog wijzen op een interessante overeenkomst tussen Etty Hillesum en Giuseppe Laras: beiden waren zij mensen van de dialoog en beiden hebben zij aan die overtuiging méér dan lippendienst bewezen. Het gesprek met de ander veronderstelt de afwezigheid van haat. In het dagelijks bestaan kan aan deze voorwaarde meestal wel worden voldaan, maar in de uitzonderlijke omstandigheden waaronder Etty Hillesum, haar familie en haar volk leefden (en mutatis mutandis de Italiaanse Joden), lagen de verhoudingen volledig anders. Er was veel moed voor nodig om serieus begrip te vragen voor de dialoog.

Ook in onze tijd, die wordt geteisterd door ontelbare verwoestende oorlogen en conflicten op zeer veel plaatsen in de wereld, vraagt het om grote moed de dialoog als middel voor de oplossing van conflicten voor te stellen. Niet zelden wordt deze optie honend afgewezen. De boventoon voert wat men aanduidt als “hate speech”; zoals bekend, werd de haat door Etty Hillesum op 15 maart 1942 zeer treffend aangeduid als “… een ziekte van de eigen ziel.”

Nota.

Nadia Neri is de schrijfster van het boek Un’estrema compassione. Etty Hillesum testimone e vittima del Lager, Milaan: Bruno Mondadori, 1999.

Etty Hillesum in de Enciclopedia Italiana

Hillesum in de Enciclopedia Italiana

Het is niet zo moeilijk om op de hoogte te blijven van de nieuwe boeken over Etty Hillesum die in Italië verschijnen. Iets lastiger is het om de aan haar gewijde artikelen in tijdschriften en kranten op het spoor te komen. Het wordt gecompliceerd als het gaat om hoofdstukken of alinea’s over haar in publicaties over andere zaken. Af en toe overkomt het me dat ik een verwijzing aantref terwijl ik eigenlijk op zoek was naar iets heel anders.

Treccani

Zoals vanmorgen. Ik zocht naar lexicale informatie gerelateerd aan Nederlandse onderwerpen in de beroemde Enciclopedia Italiana, uitgegeven door het Instituut Treccani, opgericht in 1907 in Rome en actief tot op de dag van vandaag. De encyclopedie is in talloze bibliotheken beschikbaar, zelfs in kleinere gemeenten.  Tegenwoordig bestaat er ook een online versie. Je kunt op de EI site zowel nieuwe artikelen vinden als de bijdragen uit de jaren dertig van de vorige eeuw. Een bijzonder interessante historische bron!

Het lemma Paesi Bassi

In het grote artikel over Nederland – getiteld: ‘Paesi Bassi’– vond ik in paragraaf 5 van het omvangrijke hoofdstuk over literatuur  een alinea over verzetsliteratuur waarin ook Etty Hillesum wordt genoemd. Dit is mijn vertaling ervan:

De verzetspoëzie vond haar belangrijkste uitdrukkingen in “Het lied der achttien dooden”, van J. Campert en in het Het Vrij Nederlandsch liedboek (1944), waarin gedichten van verschillende auteurs zijn opgenomen. Eén van de bekendste getuigenissen van de verschrikkingen van de oorlog is Het Achterhuis (1947) van Anne Frank; een recente ontdekking is het waardevolle werk van E. Hillesum, gedood in Auschwitz: Het verstoorde leven (1981) en Brieven 1942-1943 (1986). Het thema oorlog en oorlogsherinneringen  is aanwezig in het werk van diverse auteurs. De novelle De nacht der Girondijnen (1957) van E. (sic) Presser, de bundels Het bittere kruid (1957) en De val (1982), van de schrijfster M. Minco, tot de roman De aanslag (1986) van H. Mulisch.

[NB. Ik heb de Italiaanse titels + jaar van uitgave van de vertalingen van de genoemde boeken weggelaten.]

In deze alinea hebben Anne Frank, Auschwitz en Harry Mulisch een link naar de aan hen gewijde artikelen in dezelfde encyclopedie gekregen. Over Etty Hillesum verscheen tot nu nog geen afzonderlijk artikel.

Het lijkt mij van belang dat Etty Hillesum is vermeld in deze gerenommeerde en prestigieuze Italiaanse encyclopedie. Hillesums aanwezigheid duidt erop dat haar bekendheid in dit land in stijgende lijn is. Wel moeten we bedenken, dat er in het artikel alleen auteurs worden genoemd wier werk in een Italiaanse vertaling beschikbaar is. Het lijkt me van belang dit te melden. Deze keer gaat het nu eens niet om Hillesums aanwezigheid in een specifiek segment van de Italiaanse maatschappij. Ze heeft een plaatsje binnen de brede context van een algemeen cultureel instrument van de bovenste plank.

 

Fulvio Manara 1958 – 2016

Goede Vrijdag, Pasen 2016.

Het bericht dat Fulvio Manara op vrijdag 25 maart in de avonduren aan een hartaandoening was overleden, kwam echt onverwacht. Hij was thuis aan het werk in zijn studio. Werk wil zeggen lezen en schrijven.

Fulvio C.P. Manara (geb. 29 juni 1958) doceerde Sociale pedagogie aan de Universiteit van Bergamo. Fulvio’s primaire belangstelling en liefde gingen uit naar het onderzoek, naar de bestudering van de teksten die hij voor de samenleving van belang achtte. De denkers en schrijvers  die bovenaan zijn ‘werklijstje’ stonden, waren Mahatma Ghandi, Ramon Panikkar en Etty Hillesum. Bij de keuze van de auteurs die aan zijn leven en onderzoeksactiviteiten richting gaven, waren de thema’s van de geweldloosheid en de mensenrechten doorslaggevend. Daarin paste zijn visie op het dagboek van Etty Hillesum als ‘Libro di formazione’, naar zijn opvatting een tekst die vormende en educatieve kwaliteiten in zich bergt.

Onze eerste ontmoeting dateert uit 2004. Hij vroeg mij naar Bergamo te komen om iets rond Etty Hillesum op touw te zetten. Sindsdien hebben wij een grote hoeveelheid initiatieven op dit gebied gerealiseerd waar velen in binnen en buitenland bij werden betrokken, niet in de laatste plaats dankzij Fulvio’s uitgebreide (inter)nationale netwerk – waartoe ook verschillende aan het EHOC verbonden Hillesumonderzoekers – en ondanks de 600 kilometer die ons scheidden.

Deze afstand is sinds vorige week vrijdag onoverbrugbaar geworden. Zijn opgewekte getuigenis van sympathie en vriendelijkheid, uitgedrukt in zijn heldere ‘Ciaaoo Gerrit’ bij het opnemen van de telefoon, was heerlijk om te horen.

Op Tweede Paasdag is Fulvio begraven, in de namiddag in Albino, bijna 14 kilometer ten noord-oosten van Bergamo, waar hij met zijn vrouw Alida en drie kinderen Elia, Lucia en Jacopo woonde.

Velen van ons zullen met weemoed terugdenken aan zijn vriendelijke gezicht waarop zijn zachte glimlach je welkom heette.

Dag Fulvio.

Fulvio in chiesaOp deze foto loopt Fulvio in de aula magna van de Universiteit van Bergamo. Het Departement Menswetenschappen waar hij werkte is gevestigd in het het voormalige klooster Sant’Agostino waar de recent gerestaureerde ontwijde kerk onderdeel van is.

Door te klikken op de foto kunt u de details bekijken. De foto werd gemaakt door Maughn Gregory (Montclair State University), die op uitnodiging van Fulvio in oktober 2015 als visiting professor in Bergamo les gaf.

Etty Hillesums ‘modderschrift’

Het was Etty Hillesums uitgesproken wens na de oorlog schrijfster te worden. Dat kan men op vele plaatsen in haar dagboek nalezen. Haar dagboek beschouwde zij een oefenschrift waarin zij tussen begin maar 1941 en oktober 1942, dus in een relatief kort tijdsbestek, in tien cahiers ongeveer 250.000 woorden neerschreef. Het waren er nog zo’n 25.000 meer, maar het zevende cahier is verloren gegaan. Zij had van haar schrijfkunst in deze fase van haar leven overigens geen hoge dunk, niet wetende dat twee van haar brieven in het najaar van 1943 zouden worden gepubliceerd.

Haar negatieve opinie kunnen we aflezen aan de woorden ‘klad’, ‘kladden’. Aan het begin schrijft ze met een zekere zelfspot: “Hè, hè, wat mooi geformuleerd, maar ik klad het maar neer …” (HW, 10.), maar ook veel later is ze nog kritisch: “Ik zit hier nu 1½ uur ongeveer te pennen en voel me nog akeliger en ontevredener dan toen ik begon. Dat komt, ik zit maar zo een beetje in het wildeweg te kladden.” (HW, 118.) Maar zelfs in een brief aan Spier gebruikt ze deze zinswending nog: “… ik klad het maar neer, zoals het toevallig uit de pen komt …” (HW, 588.)

Wij moeten dan ook niet vreemd opkijken als zij in overeenstemming met deze vrij negatieve waardering haar dagboek op 18 juni 1942 karakteriseert als volgt: “Dit is m’n modderschrift. Een soort vuilnisbak voor velerlei afvalproducten van m’n geteisterd gemoed. […] wanneer alle afvalproducten weggewerkt zijn, wie weet, kom ik misschien eens tot iets positiefs op deze blauwe lijntjes? (HW, 445-446.) Het samengestelde woord ‘modderschrift’ komt in Hillesums nagelaten teksten slechts één maal voor, net als het werkwoord ‘modderen’, dat in de onovergankelijke betekenis van onhandig te werk gaan, om niet te zeggen knoeien: “Je kunt op dit gebied [de psychologie] zo heerlijk je eigen gang gaan, modderen, stellingen bedenken, hypotheses opstellen …” (HW, 136.) Het zelfstandig naamwoord ‘modder’ vinden we één keer figuurlijk gebruikt in de veel geciteerde zin “Dit barbarisme van ons moeten wij innerlijk afwijzen, wij mogen die haat niet aankweken in ons, omdat de wereld dan geen stap verder uit de modder komt.” Frequent is ‘modder’ (dertien keer) in de brieven in relatie tot kamp Westerbork, natuurlijk in de concrete betekenis van een mengsel van klei en water. Ze gebruikt het adjectief ‘modderig’ in twee omstandigheden. De eerste keer bij de gedachte aan de gracht waarin zij zou willen laten zakken om er een einde aan te maken (HW, 148, 224, 509) de tweede keer in verband met de jasmijn op het dak van de garage (HW, 484, 517).

Ik heb altijd aangenomen dat ‘modderschrift’ een door haar bedacht woord was, mogelijk associatief gevormd door haar frequent gebruik van het woord ‘modder’ en de schoolschriften waarin zij haar gedachten opschreef. En daar heb ik het dan ook bij gelaten. Op het moment echter dat ik mij afvroeg hoe dit woord in de Italiaanse vertaling was overgekomen, ontstond de behoefte meer over dit woord in mijn moedertaal te weten te komen.

Van de Leidse hoogleraar Marc van Oostendorp heb ik begrepen dat taalkundigen tegenwoordig internet zoekmachines zoals Google gebruiken om woordfrequenties en –gebruik na te gaan. Goed voorbeeld doet goed volgen. Zo trof ik in een verslag van de zitting van het Belgische parlement van 20 juni 1939 het woord ‘modderschrift’ aan, maar bovendien nog twee andere samenstellingen: ‘modderrevue’ en ‘modderproza’. Het zelfstandig naamwoord ‘modderproza’ heb ik via Delpher in de nationaalsocialistische weekblad Volk en Vaderland van 26 mei 1939 kunnen opsporen. Het voornoemde verslag verwijst naar een bijeenkomst op 21 mei van het Vlaams Nationaal Front waar het genoemde weekblad een pagina aan heeft gewijd. Het Woordenboek der Nederlandsche Taal geeft bij het lemma ‘modder’ geen enkele van deze vier samenstellingen geeft. Al met al geen rijke oogst. Maar voorlopig laat ik het hier even bij.

Het is niet na te gaan of Etty Hillesum het woord zelf heeft bedacht of aangetroffen en gebruikt in haar dagboek. Ik acht het zeer onwaarschijnlijk dat zij het NSB weekblad op haar leestafel had. In het Nederlands is de vorming van samenstellingen een zeer productief principe en daarom sluit ik haar creativiteit bij de woordvorming niet uit.

Dat brengt mij ten slotte op de vraag wat Etty Hillesum bedoelt met ‘modderschrift’. Ik meen dat dit niet negatief is in de zin van het geciteerde zittingsverslag waarin wordt verwezen naar iets wat op een smaadschrift lijkt. Hillesum heeft haar elf volgeschreven dagboekcahiers op het oog, een soort oefenschriften, die zij opvatte als een verzameling ruw materiaal om uit te putten voor het proza dat zij zou gaan schrijven ná haar terugkeer. Men zou kunnen denken aan de ‘modder’ – ter wille van de vergelijking vervang ik hier klei door modder – die de grondstof was waaruit volgens de beroemde Joodse legende de Golem werd gevormd.

Hoe lang het tegenwoordig in onbruik geraakte woord na de Tweede Wereldoorlog nog gebruikers heeft gevonden zou aardig zijn om uit te zoeken. In mijn tweedelige Van Dale, negende editie uit 1970, komt het niet voor.

Over ‘modderschrift’ buigen zich ook:

Ria van den Brandt, Denken met Etty Hillesum, Meinema, 2006, 39.

Debbie Pevenage, “Het harmonisch rollen uit Gods hand lukte niet zo erg. Worsteling en evenwicht in de dagboeken van Etty Hillesum” , licentiaat verhandeling, Universiteit Gent, 2006-2007.

De afkorting HW staat voor: Etty Hillesum, Het werk 1941-1943, uitgegeven onder redactie van Klaas A.D. Smelik. Tekstverzorging door Gideon Lodders en Rob Tempelaars. Zesde herziene en aangevulde druk, Uitgeverij Balans, Amsterdam, 2008.