De Schildpaddenfontein van Aafjes

Fonteinenliefde

‘De Schildpaddenfontein van Aafjes’ – De Romeinse fonteinen hebben op bezoekers van de stad altijd grote indruk gemaakt. Ook op de in Amsterdam geboren schrijver Bertus Aafjes (1914-1993). Hij stak zijn fonteinenliefde niet onder stoelen of banken. Het onderstaande fragment, dat ik ‘De Schildpaddenfontein van Aafjes’ heb genoemd, is afkomstig uit het verhaal ‘De fonteinen van Rome’, dat hij schreef in mei 1969, tijdens of na een bezoek aan Rome.

De Schildpaddenfontein van Bertus Aafjes

De unieke Schildpaddenfontein in Rome.
Fragment fontein

Vier naakte knapen leunen achteloos tegen de steel van een paddestoelvormige fontein. Met de ene hand houden zij een dolfijn bij de staart, op wiens kop zij hun voet geplant hebben. Met de andere hand tillen zij een schildpad omhoog naar de bekkenrand om het dier te laten drinken. De vier levensgrote bronzen efeben zijn in houding en gebaar van zulk een natuurlijke bevalligheid dat de toeschouwer onwillekeurig aan Rafaël denkt. De Romeinse volksmond schrijft het ontwerp dan ook aan Rafaël toe. Dit ten onrechte. De fontein werd in 1585 vervaardigd door Taddeo Landini, vermoedelijk naar een ontwerp van Giacomo della Porta. […]

De oorspronkelijke schets van de Schildpaddenfontein gaf de vier efeben geen schildpadden in de hand. Waarschijnlijk moesten zij vier dolfijnen omhoog tillen en deze als het ware over de bekkenrand in het water laten glippen. Maar de dolfijnen werden niet toegevoegd en bijna een eeuw lang maakten de knapen een slag in de lucht en zaten met leeg gebarende hand rond de fontein.

Toen vulde een geniaal man, Bernini vermoedelijk, deze met een schildpad: het kleine logge dier schijnt met wonderbaarlijke behendigheid over de bekkenrand te klimmen – als men goed toeziet is het reeds aan de vingertoppen van de jongenshand ontglipt – en dit geeft iets onzegbaar vrolijks aan deze fontein, die de belichaming is van het begrip eeuwige jeugd, maar terzelfder tijd gestalte geeft aan de vergankelijkheid van de inhoud ervan. […]

Vanzelfsprekend vertellen de Romeinen van deze charmante fontein een hunner charmantste verhalen. Aan deze Piazza Mattei staat een der vele Mattei-paleizen, waarin eens de hertog van Mattei woonde, de rijkste man van de Eeuwige Stad. Hij was een hartstochtelijk speler en verloor vaak in een nacht een bedrag dat voor een minder rijk man een vermogen betekende.

De verliefde hertog

Op zekere dag werd hij verliefd op de dochter van een verarmde landedelman uit de Castelli. Hij vroeg haar ten huwelijk. Reeds had de oude landedelman ingestemd met Mattei’s huwelijksaanzoek, toen deze op een nacht naast een deel van zijn fortuin ook een van zijn paleizen verspeelde. Dit kwam de oude landedelman ter ore – heel Rome sprak er immers over. Menend dat zijn toekomstige schoonzoon bankroet was, liet hij hem weten dat hij afzag van het huwelijk.

De hertog echter, die zo rijk was dat het verlies hem maar weinig schade berokkende, zon op een middel om de oude landedelman alsnog te winnen voor een huwelijk met de vrouw van wie hij hartstochtelijk hield. Hij liet in één enkele nacht voor vijfduizend gouddukaten de Schildpaddenfontein op het plein voor zijn paleis neer zetten.

De volgende dag nodigde hij zijn geliefde en haar vader naar zijn palazzo, vroeg hen hoe zij ooit hadden kunnen denken dat hij tot de bedelstaf vervallen was, wierp het venster open en toonde hen het meesterwerk dat hij die nacht voor zijn huis had laten oprichten. Evenals de Romeinen en de ontelbare toeristen nadien keek het drietal ademloos naar het kunstwerk. De vader schonk daarop de hand van zijn dochter aan de hertog, deze riep een metselaar en liet het venster waardoor zij gezamenlijk naar de Schildpaddenfontein gekeken hadden dichtmetselen opdat niemand meer langs deze weg zien zou wat zij zo juist aanschouwd hadden. Bezoekt gij het Schildpaddenfonteintje kijk dan langs een van de efeben in de richting van het Palazzo Mattei en gij zult zien dat het venster links van de ingangspoort tot vandaag bleef dicht gemetseld.

Een toelichting

Er zijn in Rome onveer 2500 nasoni fonteinen.
nasone fontein

In het genoemde verhaal beschrijft Aafjes vijf van de ruim 1500 Romeinse fonteinen, waarbij de ongeveer 2500 karakteristieke ‘nasoni’ natuurlijk niet zijn inbegrepen. Naast de Schildpaddenfontein  beschrijft hij de Trevifontein, de fontein op Piazza Esedra, de  Vierstromenfontein op Piazza Navona en ten slotte de Tritonenfontein op Piazza Barberini. Hij had ze al eerder gezien tijdens zijn verblijf Rome in 1936. In de bundel Een voetreis naar Rome (1944) leest men in een vers op pagina 57 dat zijn ‘hart nu roept naar fonteinen’. Zijn liefde voor Rome en haar fonteinen zou hij zijn hele leven met zorg bewaren en er in vele publicaties uiting aan geven.

Fonteinenfeitjes

Tot zover Aafjes en zijn fonteinenliefde. Hij wist blijkbaar niet dat de schildpadden in de vorige eeuw diverse malen werden gestolen. De eerste keer in 1906. Het gebeurde opnieuw in 1944. Ditmaal had een voddenverkoper ze bij toeval aangetroffen en bracht ze terug bij de rechtmatige eigenaar: de gemeente Rome. Veel later, In 1981, maakten dieven zich meester van één van de vier schildpadden. Het stadsbestuur besloot toen kopieën op de bekkenrand aan te brengen en bracht de drie resterende originelen onder in het veiliger Capitolijnse museum.

Een tweede aardigheid betreft de legende – die trouwens nog steeds wordt verteld – van de verliefde hertog. Zelfs voor een legende lijkt het construeren van een zó ingewikkeld kunstwerk in één nacht zeer onwaarschijnlijk. Men had er in werkelijkheid wel wat langer voor nodig: van 1581 tot 1588. Het hertogelijk palazzo werd overigens pas in 1616 gebouwd. Maar bij een legende kijkt men niet op een jaartje.

Aantekeningen

  • Het tussenkopje in het fragment heb ik toegevoegd.
  • Zie de auteurspagina over de schrijver: Aafjes.
  • Bertus Aafjes: ‘De fonteinen van Rome’, in: Het rozenwonder. Verhalen. Amsterdam: Meulenhoff, 1979, pp. 128-143. Dit fragment op pp. 136-138.
  • Wiily Pocino, Le fontane di Roma, Roma: Newton & Compton editori, 1996, p. 209.
  • Caludio Rendina, La grande enciclopedia di Roma, Roma: Newton & Compton editori, p. 721-722.

Umberto Eco over poëzie en Eugenio Montale

Interview met Eco

In een heel kort interview uit 1988 spreekt Umberto Eco over het grote belang van de poëzie voor zijn intellectuele vorming, en al snel blijkt dat vooral de gedichten van Eugenio  Montale hoog op zijn lijstje te staan.  Zie hier enkele citaten uit het interview.

In de tijd dat we werden geëvacueerd en in de provincie Monferrato ondergebracht, kreeg ik een schoolboek over poëzie in handen. Achterin was een bloemlezing opgenomen en daarin vond ik verzen van Quasimodo, Ungaretti en Montale. Ik las ze zonder er iets van te begrijpen en schreef ik er parodiën op. Op het lyceum werd ik enthousiast voor de contemporaine poëzie, iets waar niemand zich voor interesseerde. Tijdens de lessen las ik in het geniep Ungaretti, Quasimodo en Montale, maar ook Cardarelli, want dat was een andere liefde van toen. […]

Eugenio Montale

Op de vraag welke dichter op zijn generatie de meeste invloed heeft gehad, zegt Eco:

Montale, zonder enige twijfel.

Hoe was uw verhouding met Montale?

Op het persoonlijke vlak erg moeizaam. Hij was een ongedurig mens, en na twee minuten wist ik daarom al niet meer wat ik moest zeggen. Misschien kwam dat door het enorme verschil in leeftijd: voor hem was ik een broekie. […] Montale was een gesloten man. Hij was achterdochtig en alleen open met zijn vrienden. Onze verhouding was van mijn kant vol respect, en hij van zijn kant gedroeg zich zeer welopgevoed. Er werd weinig gezegd. […] Maar afgezien van onze persoonlijke verhoudingen was Montale mijn dichter!

En welke Montale heeft uw voorkeur?

Ik zou zeggen de eerste bundels : Ossi di seppia en Bufera.

En Montale dichter van de liefde?

Dat deel van zijn werk interesseert mij veel minder.

– Leest u hem nog?

Hij is een van de dichters die ik regelmatig herlees, ook al ken ik het meeste van zijn werk uit mijn hoofd.

Andere poëtische invloeden

Tot zover de vertaalde passages van Eco. Het valt op dat hij niet zegt wàt hem in Montale boeit. De dame die hem interviewde, vroeg er helaas niet naar. Eco noemt in het gesprek ook de Franse dichters Rimbaud, Mallarmé en Verlaine, die hij in het laatste jaar van het lyceum las. Eliots The Waste Land, zegt hij, ‘heeft op mijn vorming een enorme invloed gehad’. In de jaren na de oorlog las hij de met hem bevriende dichters Luciano Erba en Bartolo Cattafi. Hun werk volgde hij ‘bijna dagelijks’. Hij meldt verder, dat hij zeer nauw betrokken was bij de neo-avantgardistische Gruppo ’63. Na een intense omgang met poëzie in de jaren vijftig en zestig werd zijn bemoeienis met het genre steeds minder.

De bloemlezing

Na de tekst van het interview zijn tien gedichten van Eugenio Montale afgedrukt. Wie de keuze heeft gemaakt, is niet duidelijk. Uit de door hem genoemde bundel La bufera e altro (1940-1954) werd niets opgenomen. Dat was trouwens Montale’s derde bundel. De eerste acht gedichten zijn afkomstig uit Ossi di seppia waarvan de eerste druk verscheen in 1925. Er volgden tientallen herdrukken, soms herzien en uitgebreid met nieuw werk. Het eerste gedicht heeft als titel Falset (Falsetto, pp. 14-15), van de zes die volgen zijn dit de eerste versregels:

– ‘t Verwaaide geluid van een sistrum… (Debole sistro al vento… p. 46.)
– De knarsende katrol van de put… (Cigola la carrucola del pozzo, p. 47.)
– Ik denk weer aan je glimlach… (Ripenso il tuo sorriso… , p. 32.)
– Mijn leven, beginselen vraag ik je niet…  (Mia vita, a te non chiedo lineamenti… p. 33.)
– Bereikt geluk, voor jou loopt men… (Felicità raggiunta, si cammina… p. 40.)
– Het riet steekt zijn pluimen op…  (II canneto rispunta i suoi cimelli… p. 41.)

De bundel Le occasioni

Uit Le occasioni (1928-1939) zijn drie gedichten opgenomen. Ze komen alle drie uit de serie ‘Mottetten’, die in totaal 20 gedichten beslaat. Van het eerste vond ik een vertaling van Marko Fondse & Peter Verstegen (in De Tweede Ronde, 1981, n. 4, p. 154) :

Je weet: ik moet je weer verliezen en ik kan het niet.
Als door een voltreffer ben ik ondersteboven
van ieder werkgeluid, iedere kreet en ook de
zilte adem die van de havenhoofden
aangolft en die het donker voorjaar maakt
van Sottoripa.

Dorp van ijzer en masten
tot woud in het stof van de avond.
Aanhoudend gonzen komt van buitenaf,
tergend als nagels op glas.
Ik zoek ’t verloren teken, enig pand in genade
van jou gekregen.
En de hel staat vast.   (p. 139)

– Ik veeg de ijsdruppels van je hoofd (Ti libero la fronte dai ghiaccioli…, p. 150.)
– Afscheid, gefluit in het donker, gebaren, gehoest … (Addii, fischi nel buio, cenni, tosse … p. 143.)

Geen vertalingen

Van negen gedichten heb ik in de Digitale Bibliotheek Nederland geen vertalingen gevonden, maar het is natuurlijk mogelijk dat er in de bloemlezing De roos in de kermistent (Kwadraat, 1984) of op andere plaatsen enkele van de hierboven aangeduide gedichten zijn opgenomen.

De paginanummers verwijzingen naar: Eugenio Montale, Tutte le poezie, a cura di Giorgio Zampa, Milano: Mondadori, 19912. Mijn vertaling van de acht eerste versregels is provisorisch.

In de laatste zin in het interview zegt Eco tegen mevrouw Pansa, dat hij Montale’s werk uit zijn hoofd kent. Een tiental jaren later geeft hij een gehoor van enkele honderen studenten in Bologna het advies om ‘elke dag een paar verzen hardop te lezen en uit het hoofd te leren’. Dat versterkt het geheugen is zijn overtuiging. Mocht men geen gedicht bij de hand hebben, dan voldoet ook een lijstje spelers van het geliefde elftal. (Bericht gevonden in het tijdschrift Poesia, Anno XIII, n. 135, Milaan: Crocetti, 2000, p. 34.)

Aantekeningen

Het interview met Eco is opgenomen in de bloemlezing die werd Umberto Eco en de poëzie van Eugenio Montale samengesteld door Francesca Pansa, Amore amore: I poeti e gli scrittori italiani contemporanei raccontano il loro poeta più amato e ne presentano i versi a loro più cari, Roma: Newton e Compton editori, 1988, 50-52. [Liefde liefde: Hedendaagse Italiaanse dichters en schrijvers vertellen over hun geliefde  dichter en presenteren van hen de gedichten waarvan ze het meest houden].

Eco’s geboortestad Alessandria in Piëmont werd eind april, begin mei 1944 zwaar gebombardeerd door de gealieerden. Hij was toen 12 jaar.

Meer over de Italiaanse dichters die Eco noemt:

Luciano Erba
Vincenzo Cardarelli
Bartolo Cattafi
Eugenio Montale
Salvatore Quasimodo
Giuseppe Ungaretti

Handvest van de Ademtocht

Begin september vroeg een vriendin uit Calcata of ik voor een goede vriend van haar een vertaling wilde maken van iets meer dan een pagina tekst. Natuurlijk heb ik direct ja gezegd, want Marijcke van der Maden en ik kennen elkaar al sinds begin jaren negentig. In haar Culturele Centrum ‘Il Granarone’, ofwel graanschuur, kwam ik vrij regelmatig om haar muziekavonden bij te wonen of een tentoonstelling te bekijken. Zelfs organiseerde zij met grote energie een druk bezochte bijeenkomst over Etty Hillesum. Maria Gabriella Nocita en ik traden op als sprekers.  Maar nu bleek te gaan om wat ik heb vertaald als het ‘Handvest van de Ademtocht’. Het is een pleidooi voor het behoud van gezonde lucht.

Het Handvest: de link naar de Italiaanse website. Op de website is het handvest te lezen in een twintigtal talen. Ten overvloede hier de Nederlandse tekst:

Handvest van de Ademtocht

    1. Alle levende wezens hebben enerzijds het natuurlijke recht op het inademen van zuivere lucht, en anderzijds de plicht die te behouden voor ons en voor de toekomstige generaties.
    2. De ademtocht is onze meest kostbare rijkdom, onze levensbron. Het is een geschenk dat ons altijd vergezelt. Ademhalen is onze eerste en laatste handeling: wij beginnen met ‘nemen’ en eindigen met ‘geven’. De balans van het ademen is voor elk bestaan altijd in evenwicht.
    3. De mogelijkheid, de noodzaak en het vermogen om adem te halen, maakt ons allen gelijkwaardig vanaf het eerste ogenblik ons het bestaan. De lucht en de ademtocht zijn een rijkdom die niet kan worden geaccumuleerd en zij kunnen aan niemand worden geweigerd noch van iemand afgenomen.
    4. Alles wat leeft, ademt. Elke cel van elk wezen heeft zuurstof nodig, en leeft in symbiose met anderen in een enkel organisme dankzij de zuurstof. Voor ieder van ons geldt, dat waar wij ook mogen zijn, wij dankzij de ademtocht niet alleen onderling zijn verbonden, maar ook met de natuur waarvan wij deel uitmaken.
    5. De ademtocht is onze intiemste en diepst gewortelde band met de planeet die ons huisvest. Het verstoren van de biodiversiteit, het ondermijnen en vernietigen van de biosferen, brengt ons voortbestaan in gevaar, zowel van individuele mensen als van onze en van de andere soorten.
    6. Het ademen is een automatische en onvrijwillige handeling. Het is de vorm van een permanente relatie tussen ons innerlijke bestaan en alles wat ons omringt. Het ademen beïnvloed onze gevoelens, ons humeur, onze relaties en onze gezondheid. Hoe bewuster wij ademhalen hoe groter onze verantwoordelijkheid voor ons lichamelijk en geestelijk welzijn, voor ons innerlijk evenwicht, voor het leven in harmonie met ons zelf en met de anderen.
    7. De stem en de stilte zijn uitdrukkingsvormen van de ademtocht. Begrip, empathie, comunicatie en solidariteit met anderen worden bevorderd door het luisteren naar en het verkennen van onze ademhaling. Dat geldt in gelijke mate voor het zorgvuldig luisteren naar de ademhaling van de anderen en van de Natuur. Kennis van en respect voor het individuele en collectieve ademen is een sterke remedie tegen angst, tegen afsluiting en afscheiding die mensen tussen elkaar lijken te willen bevorderen. Dat geldt voor mensen overal op de wereld, die verkeren in de meest uiteenlopende sociale omstandigheden.
    8. Elk individu heeft een unieke ademhaling, origineel en herkenbaar, die het resultaat is van zijn persoonlijke, familiaire en maatschappelijke ontwikkeling. Aandachtig luisteren en gelegenheid bieden voor het vertellen van zijn verhaal, zijn de wegen naar zelfkennis en de mogelijkheden om met anderen een band te scheppen.

Vertaling: Gerrit Van Oord
© La città di Isaura, Vereniging voor het genoegen van het lezen
Foto Emi Curatolo.

Aantekening

De Italiaanse titel van het handvest is Carta del Respiro. Voor het woord ‘respiro’ koos ik Ademtocht. Dat is misschien wat ouderwets, maar het lijkt me te passen bij de toon van het handvest. Ik vond in het onvolprezen WNT behalve de betekenis ook een aantal heel aardige voorbeelden.

Overschaduwde vreugde: nieuwe brug in Genua. Mattarella bij opening

Op 3 augustus 2020 was het staatshoofd Sergio Mattarella aanwezig bij de opening van de nieuwe brug in Genua. Zie hier voor mijn bericht over de  tragische gebeurtenissen rond de oude brug.

Ontwerp van Renzo Piano

De wereldberoemde architekt Renzo Piano, afkomstig uit Genua, heeft het project van de brug kort na de instorting van de oude aan zijn stad geschonken. De brug is 1067 meter lang, 40 meter hoog en heeft 19 overspanningen die rusten op 18 pijlers.

De nieuwe

De dag na de oplevering werd hij geopend. Vanuit het gezichtspunt van het verkeer en de economie kwam daarmee een einde aan het semi-isolement van de havenstad. De nieuwe brug is in recordtempo gebouwd op de plaats van de oude Morandibrug, die twee jaar geleden instortte. De eerste gebruikers van het nieuwe bouwwerk toonden zich zeer verheugd en opgetogen, want voor hen was er een einde gekomen aan de niet zelden drievoudige reistijden om de stad te bereiken en aan andere ernstige ongemakken.

De nabestaanden van de drieënveertig slachtoffers van de ramp waren, en dat is begrijpelijk, niet aanwezig bij de opening op 3 augustus. Gisteren, 14 augustus 2020, waren zij bijeen om de rampzalige gebeurtenis te herdenken. De plechtigheid werd bijgewoond door de Italiaanse eerste minister Conte en andere hoogwaarigheidsbekleders. Bij het woord ‘ramp’ denkt men al snel aan een natuurramp. Dat bleek voor de Morandibrug niet het geval. Een lange voorgeschiedenis van ontbrekend onderhoud veroorzaakte op 14 augustus 2018 om 11.36 uur de fatale instorting. Op dat moment onderging het leven van de nabestaanden van de 43 omgekomenen een radikale wending, een leven waarvan het leed voortaan deel zou zijn. De Nederlandse dichteres Hanny Michaelis drukte dit zeer precies uit in een gedachte die natuurlijk haar eigen bestaan betrof: ‘Je komt er niet af, maar je kunt er mee leven’.  Niettemin zullen velen die herkennen en misschien hebben ervaren.

Herinneringspark

Onder de nieuwe brug is een cirkelvormig park aangelegd waarin men 43 verschillende soorten bomen heeft geplant, voor elk slachtoffer één. Hun namen zijn aangebracht op een plaquette. Het park heeft de naam Open plek van de Herinnering gekregen  (Radura della Memoria). Op deze afbeelding een deel van het park en de brug erboven.

Het woord ‘radura’ staat voor een door bomen omringd rond grasveld in het bos. De cirkel is als universeel symbool allom aanwezig in de Italiaanse kunst, architectuur en religie. Een boom geplant om een persoon te herinneren heeft in Italië de laatste decennia meer en meer toepassing gekregen.

De officiële naam van de nieuwe brug is “Genua Sint-Joris”. De legendarische heilige en drakendoder wordt door de inwoners van de havenstad al eeuwen geliefd en vereerd. Dat is althans het beeld dat in de comunicatie van het  stadsbestuur wordt overgebracht. Het rode Sint-Joriskruis op een wit vlak is sinds jaar en dag de vlag van de stad. De keuze van de naam weerspiegelt de locale identiteit en past volledig in het politieke beleid van het huidige stadsbestuur. Sinds de verkiezingen van 2017 leidt de gekozen burgemeester Mario Bucci het bestuur, dat de uitdrukking van een rechtse coalitie. Het nationalisme is in de politieke cultuur van deze politieke partijen op nationaal niveau aanwezig als diepverankerde en sturende waarde.

Etty Hillesum congres in Rome: december 1988

Wat wist men in Nederland van het Etty Hillesum Congres van 4 en 5 december 1988 in Rome?

Artikelen van Jan Louter teruggevonden

In het magazijn van onze uitgeverij, dat zich onder mijn huis bevindt, staat een pallet met een dozijn dozen gevuld met oud archiefmateriaal. Af en toe maak ik er een open, bekijk de inhoud en gooi wat weg kan in de papierbak. Tussen het pakje brieven dat ik vond, was er een van Jan Louter, die ik mij niet meer herinner. In de enveloppe een heel vriendelijk begeleidend ansichtkaartje van 14 januari 1989 met een winterse afbeelding van de Magere Brug in Amsterdam. Belangrijker zijn echter de fotokopieën van de twee artikelen die hij de maand daarvoor had gepubliceerd. Het kortste verscheen in Het Parool van dinsdag 6 december 1988. Het tweede, aanzienlijk langere artikel, was geplaatst in het NIW, Nieuw Israëlietisch Weekblad van vrijdag 9 december 1988.

In beide artikelen doet Jan Louter verslag van het Etty Hillesum Congres van 4 en 5 december 1988 in Rome, dat hij mogelijk als journalist had bijgewoond. Het bestaan van zijn artikelen was ik volledig vergeten.

Van links naar rechts: Nadia Neri, Giacoma Limentani, een adm mederw., Ted Meijer, Sergio Quinzio  en Romana Guarnieri. Op de eerste verdieping van het Nederlands Instituut te Rome. Foto © Maria Korporal.

Ted Meijer

Het tweedaagse Romeinse symposium over Etty Hillesum heeft het verloop van mijn leven in Italië in de jaren daarna bijzonder sterk beïnvloed. Tot op de dag van vandaag, zoals blijkt uit dit weblog.  Daarover zal ik het nu niet hebben. Naar aanleiding van de hervonden artikelen wil ik echter één persoon, bij wijze van dierbare herinnering en durende dankbaarheid, hier kort ter sprake brengen.  Ik bedoel Ted Meijer (1940-1997), de toenmalige directeur van het Koninklijk Nederlands Instituut te Rome. Hij overleed op 15 augustus 1997. Over minder dan drie weken is dat 23 jaar geleden.

Het is te danken aan Meijers enthousiaste steun aan het project dat deze eerste internationale bijeenkomst over Etty Hillesum kon worden gerealiseerd. Ik had het project in 1987 bedacht en aan hem voorgelegd toen hij nog maar net in dienst was getreden. Hij stond direct achter het plan en verschafte er het institutionele kader voor. Dat was erg belangrijk, want het stelde mij in staat het als een cultureel project van het Instituut te presenteren en te organiseren.

De publicatie van de Hillesum-lezingen

Later zorgde Ted Meijer ook voor de financiering van de uitgave van het boek met de resultaten van de twee symposiumdagen. Het verscheen in 1990: L’esperienza dell’Altro, De ervaring van de Ander, waarin ik de vijftien lezingen had opgenomen. Het was de eerste uitgave van onze uitgeverij Apeiron Editori, die Maria Korporaal en ik in datzelfde jaar hadden opgericht. Dat was nodig, omdat geen enkele Italiaanse uitgever de teksten wilde publiceren. In het najaar van 2020 hopen wij het elfde boek over Etty Hillesum te publiceren.  Maar daarover volgt later meer.

Jan Louters artikelen in pdf :
Het Parool In Rome congres over E. Hillesum
NIW: Italianen verslaafd verrukt over Diario Etty Hillesum

De moeder. Een verhaal van Italo Svevo

Het onderwerp van Svevo’s korte verhaal ‘De moeder’ uit 1927 is de ‘egoïstische’ liefde van een moeder voor haar eigen kinderen. Behalve romans en verhalen schreef Svevo ook een twintigtal fabels. Men zou het verhaal in dit genre kunnen plaatsen, want de moeder is een eigenzinnige hen en de hoofdpersoon een moedig kuiken.  Het verhaal begint zo:

In een met stralende voorjaarskleuren getooid dal, dat was omringd door met bossen begroeide heuvels, stonden naast elkaar twee verwaarloosde, grote stenen huizen. Ze zagen er zo eender uit, dat ze de hand van dezelfde bouwmeester verrieden. Ook de door heggen omsloten voortuinen waren gelijk van omvang en van vorm. Maar niet voor alle bewoners lag een gelijk lot in het verschiet. […]

Het verhaal heeft een omvang vier pagina’s . Van mijn vertaling kunt u hier een pdf downloaden en op uw gemak lezen:  De moeder

 

Friulaans gemeenteraadslid uitgedost in SS uniform

Het gemeenteraadslid Vaccarin

De heer Gabrio Vaccarin (geb. 1966) is lid van de gemeenteraad van Nimis, een dorp van nog geen 3000 inwoners in de buurt van Udine. Hij behoort tot de vier leden van de oppositie, die met de acht leden van de meerderheid de gemeenteraad vormen. De gekozen burgemeester is mevrouw Gloria Bressani.
Dit is een foto van de heer Vaccarin. Naar zijn zeggen had hij zich verkleed om carnaval te vieren, in het verre 2010 of 2011.

U ziet het goed. Hij is gekleed in een SS-uniform en achter hem hangt een portret van Adolf Hitler, die ook al in uniform is. De foto zit in een passend lichtbruin lijstje. De heer Vaccarin ziet er heel gewoon uit. Hij is niet bijzonder aantrekkelijk, maar ook niet bijzonder afstotelijk. Een doorsnee nationaalsocialist zou ik bijna zeggen. De Führer kon op deze trouwe dienaren van het Reich rekenen. Zelfs vijfentachtig jaar na zijn dood!

Commotie op het internet

Deze foto gaat rond op het internet en werd een paar dagen geleden door enkele dagbladen afgedrukt. De kwestie zorgt voor grote opwinding. Het is voor de regionale coördinator en tweede kamerlid Walter Rizzetto van de partij “Fratelli d’Italia” (Fratelli = Broeders) een lastige zaak. Hij probeert afstand te nemen van de carnavalsganger en zijn mederaadsleden. Een veilige afstand om niet besmet te worden. Er zijn immers weer verkiezingen in aantocht. In september. Juist nu deze extreem rechtse partij het in de peilingen zo goed doet. Verwijzing naar het duistere verleden komt nu wel zeer ongelegen. Het verleden van het fascistische Italië, van Mussolini’s antisemitische wetten van 1938, van Italië bondgenoot van nazi-Duitsland in de tweede wereldoorlog. “Fratelli d’Italia” gaat daar zeker niet rechtstreeks op terug, maar staat in termen van politieke cultuur en historie wel in deze rechtsextreme traditie.

Wat bezielt een politicus die zich zo uitdost, is een vraag die ik mij niet meer stel. Daarvoor gebeurt het te vaak. Het zijn geen grappen en grollen, maar de uitdrukking van een mentaliteit, van een politieke cultuur. Zodra men vraagt naar de drijfveren van dit soort media georiënteerd handelen, grijpen zij onveranderlijk terug op het bekende taalregister: een kwajongensstreek, een scherts, een carnavalspak, enzovoort. En als het alleen om uitspraken gaat: ik ben verkeerd begrepen, mijn woorden zijn uit de context gerukt, ik heb het ongelukkig geformuleerd, etc.

Voor raadslid Vaccarin zou de verkleedpartij kunnen uitlopen op de aanklacht ‘apologie van het fascisme’, en dat is in Italië een misdrijf. Erg waarschijnlijk is het niet, maar mocht Vaccarin worden aangeklaagd voor zijn gedemonsteerde nazi-sympathiën en weet hij een proces uit te buiten, dan zou dit zijn politieke carrière te goede kunnen komen. Maar hopelijk is de kleine naziman daar toch te dom voor.

Bronnen:
Udine Today + La Stampa

Vrouwenmoord. Een verhaal van Federigo Tozzi

In de nalatenschap van de Italiaanse schrijver Federigo Tozzi (1883-1920) vond men de opzet voor een kort verhaal over het thema vrouwenmoord. Tozzi’s zoon Glauco gaf het een titel en nam het op in de verzamelde novellen. De door hem bezorgde uitgave verscheen in 1963.

Een bericht in de krant

De trein snelde voort en de lust om te huilen werd groter. Bij het coupéraam de twee geliefden. Zij zat en hij stond, zodat ze konden praten zonder dat iemand het hoorde. Zij fluisterde in zijn oor en haar woorden hadden op hem hetzelfde effect als haar haar, dat hem licht beroerde.
Met een verterende hartstocht nam hij haar op. Hij ging tegenover haar zitten, haalde de dienstregeling uit zijn zak en schreef met potlood in de marge van de kaft: ‘Als je niet meer van me houdt, breng ik mezelf om!’ – Hij liet het haar lezen.
Terwijl zij het las, keek hij naar haar en voelde de drang om vóór haar neer te knielen en haar handen te kussen.

Ze keek niet meteen naar hem op. Toen zag zij hem recht in de ogen, met tederheid en liefde.
– Waarom heb je dat geschreven?
– Omdat ik van je houd.
Ze voelden hun lichamen trillen.
Na een korte stop bij een station was de coupé voller geworden. Ze voelden zich  opgesloten tussen al die mensen en waren geïrriteerd en gek van verlangen om met zijn tweetjes te zijn.
– Ik wil bij jou zijn, ik ga niet meer van je weg.
De wind drapeerde de lange rode sjaal van Louise’s hoed over beider schouders. Hij kwam erdoor in een roes en voelde een onuitsprekelijk verlangen om ook de sjaal te kussen. Haar ogen werden groot en haar oogleden rond.

Revolver gebruikt in het verhaal Vrouwnmoord van Tozzi

Plotseling trok hij zijn revolver, en terwijl Louise haar hoofd nog gebogen hield, haalde hij, als vervuld van woede en haat, de trekker over. Hij schoot drie keer, één schot midden in haar voorhoofd, want zij had haar hoofd naar hem opgeheven.
Ze zakte in elkaar. Hij kuste haar wonden, warm van het eruitgutsende bloed. Toen dacht hij aan zichzelf.
Hij is niet dood.

 

Francesco Guccini: gedicht over Auschwitz

Op 14 juni 2020 is de populaire Italiaanse zanger Francesco Guccini 80 jaar geworden. In dit stukje komt zijn gedicht over ‘Auschwitz. Lied van het kind in de wind’  ter sprake.

Toen hij op 14 juni 1940 werd geboren, waren er nog maar vier dagen verstreken na de Italiaanse  oorlogsverklaring aan Engeland en Frankrijk. Italië schaarde zich daarmee definitief aan de kant van agressor Duitsland, die negen maanden eerder in Europa in een oorlog had ontketend waarbij in korte tijd de hele wereld zou worden betrokken en tot 1945 zou gaan duren.

Over de meest tragische van de gebeurtenissen uit die periode, de moord op zes miljoen Joden door de Duitse nationaalsocialisten, schreef Guccini in 1964 het lied “Auschwitz. Lied van het kind in de wind”.

Van dit lied bestaan veel vertalingen waaronder ook een Nederlandse.  Op de website AntiwarSongs vindt u de verschillende versies. Guccini heeft het lied in wat kortere en langere versies gezongen: deze is uit 1982.

In 1964 had hij in de periode van voorbereiding op een tentamen Latijn het lied tijdens een onderbreking gemaakt, zowel de muziek als de tekst. Enkele weken ervoor had hij een boek van Primo Levi gelezen: Tu passerai per il camino, ofwel: Jij zult door de schoorsteen gaan.

Guccini vertelt deze herinnering in deze video uit 2014 tijdens de presentatie, in een zaal van het Italiaanse parlement, van de documentaire over de reis naar Auschwitz.  Die reis had hij samen met een groep scholieren gemaakt, dus vijftig jaar na de compositie van het lied. Zijn geheugen liet hem echter in de steek, want het boek dat hij toeschrijft aan Levi was in werkelijkheid van de hand van de verzetsman Vincenzo Pappalettera (1919-1998). Het is een aangrijpend boek over Mauthausen en kwam voor het eerst uit in 1967. Ik neem aan dat de zanger Levi’s befaamde boek over Auschwitz had gelezen, Is dit een mens, waarvan de eerste editie dateert uit 1947. Het zij hem vergeven.

Een wikipedia pagina over Guccini.

Vertaling

Hieronder de Nederlandse versie. Van wie de vertaling is, wordt niet vermeld.

Auschwitz. Lied van het kind in de wind

Bij duizenden zijn kinderen
Door de schoorsteen weggevlogen
En zo ben ik ook, in de rook,
En nu ben ik in de wind,
Nu ben ik in de wind.

Het sneeuwde in Auschwitz,
De rook ging langzaam op
In de koude winterdag
En nu zijn we in de wind,
Nu zijn we in de wind.

In Auschwitz, hoeveel mensen!
Men allemaal in ’t zwijgen…
Zo raar, dat een kind
Niet glimlacht in de wind,
Niet glimlacht in de wind.

Ik vraag mij, hoe kan een mens
Zijn broeder zo licht doden?
Niettemin zijn miljoenen
In wind opgegaan,
In wind opgegaan.

Nogmaals dondert het kanon,
Met bloed zijn deze onmensen
Niet nog verzadigd,
En nog zijn we in de wind,
En nog zijn we in de wind.

Ik vraag mij, wanneer zal’t zijn?
Wanneer zullen we leren
Te leven, en niet te doden?
Zal de wind eindelijk ophouden?
Zal de wind eindelijk ophouden?

Ik vraag mij, wanneer zal’t zijn?
Wanneer zullen we leren
Te leven, en niet te doden?
Zal de wind eindelijk ophouden?
Zal de wind eindelijk ophouden?

 

Dit is het Italiaanse origineel:

Auschwitz.

Son morto con altri cento
Son morto ch’ero bambino
Passato per il camino
E adesso sono nel vento,
E adesso sono nel vento.

Ad Auschwitz c’era la neve
Il fumo saliva lento
Nel freddo giorno d’inverno
E adesso sono nel vento,
E adesso sono nel vento.

Ad Auschwitz tante persone
Ma un solo grande silenzio
È strano, non riesco ancora
A sorridere qui nel vento,
A sorridere qui nel vento

Io chiedo, come può un uomo
Uccidere un suo fratello
Eppure siamo a milioni
In polvere qui nel vento,
In polvere qui nel vento.

Ancora tuona il cannone,
Ancora non è contenta
Di sangue la belva umana
E ancora ci porta il vento,
E ancora ci porta il vento.

Io chiedo quando sarà
Che l’uomo potrà imparare
A vivere senza ammazzare
E il vento si poserà,
E il vento si poserà.

Io chiedo quando sarà
Che l’uomo potrà imparare
A vivere senza ammazzare
E il vento si poserà,
E il vento si poserà.

 

 

Ze slaapt. Een gedicht van Fausto Maria Martini

De dichter Fausto Maria Martini, die men gewoonlijk indeelt bij de ‘schemerdichters’, publiceerde in 1906 het gedicht ‘Ze slaapt’, hier in mijn vertaling.

Ze slaapt

Annie slaapt: een zacht licht
omhult als in een geheim
haar bruine hoofd, dat rust
op de schrijftafel van mahonie.
In de schaduw ligt haar blote arm
nog op een nog geopend boek:
rondom deze roze naaktheid
trilt de duisternis…
Annie, naar welke verte
reikt je zoete ziel,
terwijl je rust, met je hoofd
op de schrijftafel van mahonie?

De dichter

Fausto Maria Martini werd op 14 april 1886 in Rome geboren en stierf er op 12 april 1931. Fausto Maria MartiniEen studie rechten onderbrak hij om zich vol overgave aan de letteren te kunnen wijden. Hij schreef aanvankelijk poëzie en na de eerste wereldoorlog alleen proza. Vanaf 1903 animeerde hij met de dichter Corrado Govoni en een tiental anderen de kring rond Sergio Corazzini (1886-1907), die bijeenkwam in het Romeinse Caffè Sartoris. In het najaar van 1905 werkte hij mee aan de oprichting van het veertiendaagse culturele tijdschrift Cronache Latine.

Zijn eerste bundel verzen Le piccole morte verscheen in 1906. Een jaar later volgde «Panem nostrum» en zijn derde en laatste bundel Poesie provinciali verscheen in 1910. Martini’s dichtwerk past binnen de literaire stroming ‘schemerdichters’, i crepuscolari. Na de laatste bundel legde hij zich toe op verhalend proza: romans en toneelstukken. Martini was tevens actief als toneelcriticus.

Hij werd en wordt door de literatuurcritici als een ‘middelmatige’ exponent van de schemerdichters beschouwd, niettemin heeft hij in de belangrijkste bloemlezingen een bescheiden plaats veroverd. In 2007 zag een uitgave van zijn verzamelde gedichten het licht.

Bibliografische aantekeningen

In: Le piccole morte, 1906. (De kleine doden.) Voor de vertaling heb ik de tekst gebruikt die is opgenomen in Segre e Ossola 2004, p. 86.

Het Italiaanse origineel in een pdf: Dorme

Over Martini toneelschrijver vindt u hier een artikel uit 1926, beschikbaar in de Digitale bibliotheek Nederand. Er is ook een NL wikipedia pagina.