Een tocht door Rome: feuilleton van Jacob Israël de Haan

Enkele dagen geleden was het de 140º geboortedag van Jacob Israël de Haan: 31 december 1881. Hij publiceerde Een tocht door Rome terwijl hij op weg was naar Palestina. De onderstaande tekst stond op 18 februari 1919 in de avondeditie van het Algemeen Handelsblad. Na een kort verblijf in Rome reisde hij door naar Napels, vanwaar hij scheep ging naar Cairo.

Rome een heerlijkheid

Rome na Londen en Parijs is een heerlijkheid. Er is geen metro, en er is geen tube. De doodsvijanden, de auto’s, de futuristische, kubistische auto’s zijn er niet talrijk en niet boosaardig. En de trammen, och, de trammen, die gaan zoo genoegelijk de hellende straten op en af. Daar is geen kwaad bij. Natuurlijk, er zijn rampen. Het paspoort. De politie, die hier questura centrale heet, beweert, dat mijn paspoort mij niet het recht geeft in Rome te blijven. Alleen maar doortrekken naar de inschepingshaven voor Egypte of Palestina. Maar ik weet nog heelemaal niet, vanwaar ik vertrekken zal. Passagiersschepen zijn er niet. Ik moet alles nog regelen met Engelsche autoriteiten te Rome, voor wie ik speciale aanbevelingen heb. Ik zal wel moeten reizen met een troepenschip, met een graanschip of een steenkolenschip. Van Napels of Tarente, of Genua of Venetië. Wie weet dat?

De questura is redelijk. Ik offer een foto op het altaar des vaderlands. Krijg twee bedrukte folio-vellen papier om in te vullen. Dat heet ‘soggiorno segli stranier‘ in Italië. En ik mag in Rome blijven. Het is alles eenvoudig. Het is alles doodeenvoudig. Men had mij immers wel kunnen vierendeelen!

Een tocht door Rome : feuilleton van Jacob Israël de Haan
Station Termini waar De Haan uitstapte. Foto  ca. 1910.

En in Rome ben ik dadelijk thuis. Mijn hotel bij ’t station. Maar ik eet bij eene Joodsche familie in de Via Campo Mazzio. Een heel eind. Maar ik stap over de Via Nazionale en Piazza Venezia, en Corso Umberto en Piazza Colonna alsof ik er altijd gewoond heb. Het is alsof ik Rome herken en wederzie.

Godefridus Johannes Hoogewerff

Ik heb een introductie voor dr. G. Hoogewerff, Secretaris van het Nederlandsch Historisch instituut te Rome. Ze wonen buiten de stad. Maar dat is niets. In Rome wandelt het gaarne. Wij maken kennis. Er zijn meer Hollanders. Wij praten over paspoorten, kranten, duurte en schaarschte. Mevrouw Hoogewerff is eene Finsche vrouw. Van die taal hebben Hollanders zelfs geen verre vermoedens. Maar ik weet toch iets; Johannes Linnankoski is in het Hollandsch vertaald: ‘Het lied van de Vuurroode Bloem’, en Albert Verwey heeft vertalingen van gedichten van Eino Leino gepubliceerd.

Wij spreken af, dat wij Dinsdag een wandeling door Rome zullen doen. Beginnen des morgens tien uur bij de Sint-Pieter. Ik ben er om half tien. En ik wandel ernstig over het groote, stille Sint-Pieterplein. De Kerk bouwt zijn koepel hoog in de witte en blauwe lucht. Twee zware zuilengangen omvatten half-cirkelend een deel van het plein. Men kan niet zeggen of dit mooi of leelijk is. Het hart is bewogen. Maar wat is het? Naar dit gebouw gaan de gedachten van millioenen bij millioenen Christenen uit. Wat gevoel ik: angst, verzet, overgave, vijandschap? Woorden, woorden, woorden.

Het woord, dat de veelen verbindt, kan nooit zeggen, wat de enkelen beleven in de oogenblikken van hunne sterkste spanning. En bijna ademloos leun ik tegen de obelisk, die vóór de kerk midden op het plein staat. Hier is het middelpunt. Weinig menschen gaan en komen. Op de geweldige trappen van de kerk lijkt alles klein en weinig.

Vaticaan

Ik loop langs het kompas, dat in den grond is gebouwd. Ik zoek het Oosten. En ik vind het: de kerk heeft haar gezicht juist naar het Oosten: Jerusalem, onze Stad, ons Land. Het is toevallig. Maar het is. De beide zuilengangen grijpen het Oosten. Maar de kerk is niet tegen ons. De Paus heeft de eischen van de Zionisten als rechtmatig erkend. Toch ben ik blij, als het tien uur is en dr. Hoogewerff het plein overkomt.

En nu zie ik het: hoe vol Rome is van schoonheid, overal, overal, langs alle straten, aan zooveel huizen. Zoo dood als Baedeker is, zoo wild en levend is mijn gids. Hij zegt een enkel woord, een naam, een tijdperk en ik zie het alles uitleven. Een nis in een muur, nietwaar, dat is niet veel? Maar ga eens de nissen zien van Michel-Angelo in de buitenmuren van Sint-Pieter, waar de weg stijgt naar het Vaticaan. Een paar lijnen. Een paar vlakken. En daarin de Schoonheid. Waar men deze Kerk ziet, bouwt zij stout en schoon. Maar ’t schoonst zien wij haar vanaf een weggetje, een windend dorpsweggetje tusschen Kerk en Vaticaan. Een verloren pleintje, kippen en pratende buurvrouwen. Wonderlijk verloren in de Stad. Daar bouwt de kerk op uit een landschap met heesters en boomen, zooals men dat ziet op open, primitieve schilderijen.

En van dat weggetje gaan wij naar het Vaticaan. Langs een fraaie vallende fontein. Bouwwerk van een Hollander, Jan van Santen uit Utrecht, die in ’t begin van de 17de eeuw Pauselijk bouwmeester te Rome was. Hoogewerff heeft zijn werk te Rome ontdekt en beschreven […].  Er zijn meer van zijn fonteinen, gelijk van bouw: een kleine bak waaruit het water valt in een grooten bak, die opengevouwen is als bloembladen.

Bibliotheek

Wij zien ook iets van de bibliotheek van het Vaticaan. Het is er heel stil en ernstig. Veel geestelijken. Maar de geleerde, dien wij er zoeken, is er niet. Hij is Franschman, gemobiliseerd en nu te Jerusalem. En wij gaan weer op weg. Een Zwitser loopt voor de poort van het Vaticaan heen en weer. Zijn bonte kleederen. Zijn zwierige mantel. Zijn spies op den schouder. Een prelaat komt aangereden. In een huurbakje. Zeker een bisschop van buiten.

En wij wandelen. Overal, den heelen dag door, zijn in de straten gebeeldhouwde poorten en poortjes en hoven van huizen, waar niemand ze verwachten zou, maar waar mijn goede geleider ze weet. En fonteinen. Er is niet mooier dan de harmonie van de levende lijnen van het vallend en klaterend water. Er zijn spuitende fonteinen en er zijn vallende fonteinen, al naar gelang ze water krijgen van de eene of de andere waterleiding. Er zijn er twee in Rome. Schatten van schoonheid zijn aan de fonteinen gegeven. Hier een Romeinsche sarcophaag uit den keizerstijd. Gebeeldhouwd met jachttafereelen. Het graf eenmaal van een geweldig jager. Nu vangt hij water op uit een leeuwenbek daarboven. Een Italiaansche straatjongen komt er zijn wijnflesch vullen: lange hals, breede buik in ’t stroo. Hij doet het handig. Hij morst niet. Wat is tijd? Wat is eeuwigheid?

Fonteinen

Caracalla: is het lang geleden? Ach, zijn duizend jaren meer dan de dag van gisteren, die voorbij is? De groote badkuipen uit het badhuis van Caracalla zijn nu bakken voor fonteinen, geweldig van lijn. Er is één fontein, die een geheelen gevel beslaat. De fontein draagt het Huis. Overal valt het. Overal klatert het. Een gebruik: wie in Rome weder wil keeren, moet een munt werpen in het bekken van de fontein, met den rug er heen gekeerd en werpend over den schouder. De Engelsche misses doen dat. En de straatjongens visschen de munten weer op. Maar nu zijn er geen Engelsche misses meer.

Wij zien de fonteinen. En wij zien de binnenhoven van groote huizen. De dag is zonder zon. Den geheelen dag dreigt regen. En bij vlagen regent het wreed. Maar in den schemerenden middag zijn de hoven der oude huizen onzegbaar teeder en schoon. Uit alle tijden, in alle stijlen. Sober of rijk. Maar altijd in schoonheid.

Den Tiber gaan wij over in een vlaag van zon uit de wolken. Rome is prachtig. Maar de Tiber is de  Amstel niet. En de brug bij den Engelenburcht bouwt niet zoo fraai als de brug van de Amstelstraat naar het Waterlooplein. De Engelenburcht: een geweldige steenenmassa. Maar machteloos tegen de kanonnen van dezen tijd.

Ghetto

Het Ghetto. Het is verruimd. Maar nog heel goed zichtbaar hoe ellendig nauw de straatjes, waarin wij opgesloten. Alles volgebouwd. Geen licht. Geen lucht. Hoe hebben wij er het leven gehouden. Des avonds na zons-ondergang mocht geen Jood het ghetto uit. Eeuwen lang had het ghetto niet eens een fontein. Tot een goedhartige Paus een fontein voor de Joden liet opbouwen, door dienzelfden Jan van Santen van Utrecht. Wij zien ook de kerk, waar de Joden ééns per jaar werden gedwongen de mis te hooren. Een deel erin. De anderen samen gedreven op het plein ervoor. Boven de deur een heel booze aanhaling uit Jesajah, Latijn en Hebreeuwsch.

De lucht is leeggewaaid, wanneer wij aan het Forum komen. Het is niet veel: allerlei puinhoopen. Maar er zijn toch nog prachtige tempelzuilen bij, die streng en schoon afstaan tegen den mildblauwen avondhemel. Wij zien de tempelplaats van Vespasianus, van Castor en Pollux, de offerplaats met zwijn, schaap en rund. En zeldzaam mooi bewaard: een marmeren altaartje. De Via Sacra. Wij gaan naar den Triumfboog van Titus. Er is een Joodsche legende: toen een van de Joodsche koningen misdreven had, daalde de Engel Gabriël op de aarde neder met een stok. Hij stak den stok in den Tiber. Daaromheen groeide een eilandje en daarop werd Rome gebouwd.

Jerusalem verwoest

Acht eeuwen later werd Jerusalem door de Romeinen verwoest. Zeg nu eens: acht eeuwen. Dat is een seconde van de Eeuwigheid. De Tijd is niets. Een menschelijk bedenksel. Dit alles is gisteren gebeurd. De Via Sacra. De Triumfboog. Wij gaan niet gaarne naar den Triumfboog van Titus. Maar nu ik, de Dichter van het Joodsche Lied, als overwinnaar naar Jerusalem terugkeer, eerste van vele duizenden, nu zal ik naar den Triumfboog gaan. En over de eeuwen heen, lacht mijn ziel Titus uit. Titus, Titus: door twintig eeuwen heen, hebben wij zijnen naam als een scheldnaam bewaard. Wij zeiden het tegen elkander, heel ernstig en heel woedend, toen wij kleine Joodsche jongens waren: Titus, Titus. Dat was het ergste.

Hij is opgeknapt, de Triumfboog van den Man, die onze Stad heeft verwoest. Maar het beeldhouwwerk is gebleven. Een tooneel: Titus in zijn zegewagen. Een tweede tooneel: triumfators, bloemenbanden in het haar, dragen de geroofde tempelschatten. De groote kandelaar is duidelijk. Het beeldhouwwerk is prachtig bewaard. Een van de gezichten is nog volkomen duidelijk. Teeder en wreed. Een fantasie dit tooneel, de tempelschatten zijn nooit te Rome aangekomen, want in storm op zee vergaan. Neen, mijn ziel verzadigt zich niet van haat en wraak en hoon. Wat is er van al de dagen en daden van Titus overgebleven, terwijl wij naar Jerusalem teruggaan?

Dominicaan

Maar wij verlaten het Forum langs het Kapitool en wij dalen de Stad in. Nog één bezoek: wij worden verwacht bij Pater Jacques M. Vosté, Dominicaan, Hoogleeraar in de kennis van de Heilige Schrift aan het College Angélique. Hij heeft eenige jaren te Jerusalem de Bijbelstudie beoefend aan de School der Dominicanen onder leiding van Pater Lagrange.

Dr. Hoogewerff heeft den vorigen dag belet voor ons gevraagd. En ik heb mij een voorstelling van den Pater gemaakt. Ik weet, dat hij niet oud is. En niet stuursch. Een Belg, die Vlaamsch spreekt. Maar als hij dan binnenkomt en wij samen zitten, hoe is alles dan anders. Hij is een wonder van lavende schoonheid. Men zegt: uit een schilderij van Fra Angelico weggeloopen. Hij is heel diep en heel wijs. En daarbij onschuldig van lach als een kind. En zoo mild van gebaar, Vorstelijk in zijn gering wit habijt.

Zionisme

Wij spreken natuurlijk over het Zionisme. Over de heilige Christelijke en Arabische plaatsen in Palestina. Over de rechten der verschillende volken. Ik vind natuurlijk onze rechten de beste. Hij geeft mij een artikel over het Zionisme van prof. Lagrange in ‘Le correspondant’ van April 1918. En hij spreekt zoo lief Vlaamsch. Zoo mooi en zoo zuiver. Het doet er dus niet toe wat hij zegt. De Pater zelf zal niet verwacht hebben dat ik terugkeeren zou naar Amsterdam of mij bekeeren tot hem en blijven in zijn klooster. Maar ik zie hem in een glans van schoonheid. En ik hoor zijn woorden in een klank van schoonheid. Hij is mild en verdraagzaam. Hij zegt, dat ieder verstandig Christen sympathie heeft voor het Joodsche Volk. En niemand wenscht de middeleeuwen terug.

Wij vergelijken het Zionisme met de Vlaamsche beweging, Hebreeuwschen taalstrijd met Vlaamschen taalstrijd. Hij is Flamingant: voorstander van volledige gelijkheid van Waalsch en Vlaamsch. Ik vraag of hij activist is? ‘Ach, zegt hij, de menschen willen alles vangen in een woord. Doet u daar niet aan mee.’

Hij erkent den Belgischen Staat als een historisch feit, dat kan worden aanvaard. Maar daarbinnen volkomen gelijkheid. In Jerusalem is hij geweest van 1909 tot 1911. Zijn kennis is dus wel wat verjaard. De oorlog is daar overheen gegaan. Maar hij heeft Ben Jehoeda gekend, den grooten Hebreeuwschen taalkenner, die dikwijls kwam werken in de bibliotheek van de Dominicanen te Jerusalem.

En dan scheiden wij. De Pater geleidt ons tot de buitendeur. En de groet, dien hij ons geeft is zoo lief en mild als een zegen.

Schoonheid om ons heen

En dan is Rome weer om ons heen met al zijn schoonheid van straten en huizen, van beelden en fonteinen.

Een schoonheid, die ons achtervolgt door de uren van de dagen en die ons niet verlaat in de droomen van de nachten.

Aantekeningen bij Een tocht door Rome

  • De illustraties en de tussenkopjes heb ik ingevoegd.
  • Dit is tekst nummer 10 uit Jacob Israël de Haan, Feuilletons in het Algemeen Handelsblad 1919-1924. Deze digitale uitgave, bezorgd door Ludy Giebels, is beschikbaar op de website van de Digitale Bibliotheek Nederland. Zie hier.
  • De Haan verwijst naar: G.J. Hoogewerff, ‘De werkzaamheid van Jan van Santen te Rome’, Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond, 9 (1916), p. 213-217.
  • In dit weblog over andere Rome reizigers: Bertus Aafjes, Willem Frederik Hermans.

Italianen antisemieten Umberto Eco en de Protocollen

De vraag van Umberto Eco

Italianen antisemieten Umberto Eco en de Protocollen
Umberto Eco 2010

Zijn Italianen antisemieten ? Umberto Eco (1932-2016) beantwoordt deze vraag in het onderstaande artikel uit 2002. Op zijn manier natuurlijk. De aanleiding voor het schrijven was de volgende gebeurtenis. In Rome werd in de nacht van 17 op 18 juli van dat jaar aan vijftig Joodse graven belangrijke materiële schade toegebracht. De tomben bevinden zich op het Joodse kerkhof dat  deel is van de grote Romeinse begraafplaats Verano. De schending veroorzaakte veel deining. Na het onderzoek van de politie werden twee tuinlieden van de begraafplaats gearresteerd.

Het woord ‘Protocollen’ in de titel van mijn post verwijst naar De protocollen van de Wijzen van Zion, het ‘belangrijkste antisemitische geschrift in de geschiedenis’ (Klaas Smelik). In Eco’s boek Il cimitero di Praga zijn de Protocollen een centraal motief.

De Italiaanse politicus Casini

Volgens de Italiaanse politicus Pier Ferdinando Casini was het antisemitisme in Italië minder geworteld dan in andere landen. In een toespraak op 24 juni 2002 zei hij: ‘Ik ben ervan overtuigd dat in Italië het onkruid van het antisemitisme bij ons volk minder goed zal kunnen groeien.’ Deze bewering en de reacties erop werden de directe aanleiding voor Eco’s artikel “Zijn de Italianen antisemieten?” In zijn tekst gaat hij ook in op de beruchte Protocollen. Eco schrijft in de eerste alinea – die ik niet vertaal – dat hij een onderscheid maakt tussen intellectueel en volks antisemitisme. Hier volgt Eco’s tekst.

“Zijn de Italianen antisemieten ?”

Het volkse antisemitisme is net zo oud als de [Joodse] diaspora. Het ontstaat uit een instinctieve reactie van het volk op mensen die anders zijn en een onbekende taal spreken.  Een volk dat magie belijdt, dat gewend is aan een cultuur van het Boek, zodat de Joden leerden lezen en schrijven. Ze cultiveerden de medische wetenschap, de handel en het uitlenen van geld. Vandaar het ressentiment voor deze ‘intellectuelen’. Het antisemitisme van de Russische boeren had deze wortels.

Natuurlijk was de christelijke veroordeling van het Joodse volk als ‘moordenaars van God’  van groot belang.  Toch groeide er uiteindelijk ook in de Middeleeuwen tussen de christeijke en Joodse intellectuelen wederzijdse belangstelling en respect. Op de Renaissance hoeven we het verder niet in te gaan. De wanhopige massaas daarentegen, die op kruistocht gingen en de getto’s platbrandden, baseerden zich zeker niet op doctrines, maar volgden hun instinct om te plunderen.

De memoires van Barruel

Het hedendaagse intellectuele antisemitisme ontstond in de moderne wereld. De abt [Augustin] Barruel schreef in 1797 zijn Mémoires pour servir à l’histoire du jacobinisme. Hij wilde daarmee aantonen, dat de Franse Revolutie een complot was van de Tempeliers en Vrijmetselaars. Maar een zekere kapitein Simonini (een Italiaan) suggereerde hem dat achter de schermen vooral de perfide Joden aan de touwtjes trokken. Op dit punt in de geschiedenis begint de polemiek rond de Joodse internationale.

De jezuiten gebruiken dit argument in hun strijd tegen de sekten van de Carbonari. Hoewel de polemiek in heel het negentiende eeuwse Europa woedt, vindt zij in Frankrijk de meeste weerklank. Daar wijst men de Joodse financiën aan als de vijand par excellence. Aanvankelijk gevoed door het rooms-katholieke légitimisme, krijgen de Protocollen in het niet religieuze deel van de Franse cultuur hun eerste vorm. Vervolgens komen ze terecht in Zaristische kringen in Rusland en ten slotte geadopteerd door Hitler.

De samenstelling van de Protocollen

Voor de samenstelling van de Protocollen gebruikte men materiaal uit feuilleton romans. Dat was op zich al voldoende om hun onbetrouwheid aan te tonen. Het is immers niet geloofwaardig dat de ‘kwaadaardigen’ zo onbeschaamd hun slechte plannen openbaar maken. De Wijzen verklaarden zelfs dat zij de sport en de visuele comunicatie wilden bevorderen. Doel: de werkende klasse nog meer te laten afstompen (deze laatste voornemens lijken trouwens meer Berlusconiaans dan Joods). Ondanks de overduidelijke grofheid ging het hier wel degelijk om intellectueel antisemitisme.

Men kan het eens zijn met het kamerlid Casini. Het volkse antisemitisme was  in Italië minder sterk dan in andere Europese landen (vanwege diverse sociaal-historische en geografische motieven). En tevens dat de gewone mensen zich verzetten tegen de vervolgingen door de Joden te helpen.

Niettemin kwam het antisemitisme in Italië tot bloei. Enerzijds bij de doctrinaire jezuïeten, anderzijds onder de bourgeoisie. Het resultaat daarvan was dat ’s lands vooraanstaande intellectuelen meewerkten aan het schandelijke blad La difesa della razza en aan de editie van de Protocollen, die in 1937 verscheen met een introductie van Julius Evola.

Julius Evola

Evola schreef dat waarde van de Protocollen lag in hun ‘sprituele stimulans’.  En dat zij vooral

[…] tijdens deze beslissende uren van de westerse geschiedenis niet mogen worden verwaarloosd of terzijde gelegd, anders wordt aan hen die aan het front vechten in naam van de geest, van de traditie en de ware beschaving, schade berokkend.

De Joodse internationale was voor Evola de bron van de belangrijkste brandhaarden die de Westerse beschaving schade toebrachten:

[…] liberalisme, individualisme, gelijkwaardigheid, vrijheid van denken, antireligieuze verlichting, en andere verschijnselen die tot massaopstanden en zelfs communisme leiden […]. Het is de plicht van de Jood  om elk overblijfsel van de echte orde en de gedifferentieerde samenleving, te vernietigen. […] Jood is Freud, wiens theorie het innerlijke leven wil reduceren tot de instincten en het onderbewuste. Jood is Einstein, wiens  ‘relativisme’ een modeverschijnsel werd. Joden zijn Schönberg en Mahler, de hoofdmannen der decadente muziek. Jood is Tzara, schepper van het Dadaïsme, de uiterste degradatie van de zogenaamde avant-garde kunst. […] Het is het ras, het is een instinct dat hier handelt. […] Dit is het moment waarop de krachten overal opstaan voor de tegenaanval, want het gezicht van het lot waaraan Europa zich leek te onderschikken, was ontmaskerd. […] Dit is het moment van het ‘conflict’ […] de tegenkrachten zijn samengebald in één blok, gewapend, onbreekbaar, onweerstaanbaar.

De Italaanse bijdrage

Italë heeft zijn excellente bijdrage aan het intellectuele antisemitisme geleverd. Maar het is vandaag de dag, dat  een serie verschijnselen doet denken aan een nieuw volks antisemitisme. Alsof oude antisemitische brandhaarden, in vormen van racisme van neo-keltische aard, een nieuw vruchtbaar terrein vonden. Dat de doctrinaire bronnen steeds weer dezelfde zijn, is daarvoor een bewijs. Om dat te verifiëren volstaat een bezoek aan enkele racistische websites. Of een korte verkenning van de antizionistische propaganda in de Arabische landen. Dan wordt het duidelijk, dat men niets beter weet te doen, dan steeds maar weer dezelfde Protocollen te ricyclen.

Toelichting

In de bovenstaande tekst anticipeert Eco op een aantal zaken die men in zijn roman De begraafplaats van Praag aantreft. Zie bijvoorbeeld hoofdstuk 18, getiteld ‘De Protocollen’, pp. 307-318. De naam Julius Evola (1898-1974) komt in de roman natuurlijk niet voor. Eco vermeldt niet de bron voor het lange citaat van de omstreden filosoof en racist.
Het omslag van de eerste Russische uitgave van de Protocollen, 1905. Bron: Eco’s roman De begraafplaats van Praag, p. 520. In het boek van Klaas Smelik staat dezelfde illustratie op p. 192. Smelik geeft aan dat het gaat om de tweede druk.

Aantekeningen

  • De tussenkopjes zijn van mij.
  • Het artikel verscheen in juli 2002 in het weekblad L’Espresso. Later in het boek: Umberto Eco, A passa di gambero. Guerre calde e populisme mediatico. Milano: Bompiani, 2006², 287-289.
  • Italianen antisemieten Umberto Eco en de ProtocollenDe eerste druk van Eco’s roman Il cimitero di Praga dateert uit oktober  2010, de Nederlandse vertaling verscheen in 2011. Zie Wikipedia. Ik gebruik voor mijn commentaar de Italiaanse editie.
  • Zie: Klaas Smelik, De zeven levens van de Wijzen van Zion: De paradoxale geschiedenis van het belangrijkste antisemitische geschrift. Gent: Academia Press, 2010.
  • Pier Ferdinando Casini deed zijn bewering in een toespraak voor het Vierde Congres van de Unie van de Italiaanse Joodse Gemeenschappen in Rome op 24 juni 2002. Zie deze link voor zijn tekst in het Italiaans.

Carlo Ginzburg over geschiedenis en zichzelf

Carlo Ginzburg over geschiedenis
Leone Ginzburg met zijn zoontje Carlo

In de culturele bijlage La Lettura van zondag 21 november 2021 van het Italiaanse dagblad Corriere della Sera staat een mooi interview met Carlo Ginzburg over geschiedenis. Aanleiding voor het gesprek met Paolo De Stefano was het recente uitkomen van Ginzburgs essaybundel La lettera uccide, De letter doodt.

De journalist spreekt met de  historicus over onderwerpen als zijn werkwijze, historisch onderzoek en internet, de stand van zaken rond de microhistorie, zijn leermeesters, de filologie, zijn Joodse identiteit. Ik heb uit het lange interview drie thema’s gekozen, die ik hieronder in een Nederlandse vertaling weergeef.

Tegendraads lezen en afstand

De interviewer vraagt naar de betekenis van tegendraads lezen voor de geschiedenis. Ginzburg zegt, dat hij probeert

[…] de documenten te lezen tégen de bedoelingen in van degene die ze heeft geproduceerd. Dat verschilt niet veel van Walter Benjamins idee om in de historische getuigenissen naar de sporen van de verdrukking te zoeken. In mijn opstel “Onze woorden en die van hen” leg ik de nadruk op de afstand die bestaat tussen de categorie van de waarnemer, ofwel de onderzoeker, en die van de actors in het historische verleden. Door zich van deze afstand steeds bewust te zijn, vermijdt men twee valkuilen: die van empathie en die van de buiksprekerij.

Geschiedschrijving is autobiografie

Dit is een these van de beroemde Italiaanse antropoloog en historicus van de religie Ernesto De Martino.  Carlo Ginzburg wijst de stelling resoluut af. Hij zegt erover:

Natuurlijk zijn onze historische vragen gerelateerd  aan de tijd waarin we leven en wellicht ook op een specifieke manier aan ons eigen bestaan. Het doel van ons  onderzoek is echter ook dit uitgangspunt te controleren en te corrigeren. En bovendien is het van belang om met de actoren van het verleden een dialoog op gang te brengen. Van Croce heb ik geleerd afstand te nemen van dit biografisch reductionisme: tussen het leven en het werk is een verhouding, maar het is fundamenteel om een onderscheid tussen de twee te  maken. En dat geldt niet alleen voor schrijvers.

Volgens Benedetto Croce is alle ware geschiedenis contemporaine geschiedenis, werpt de interviewer tegen.

Ik heb de stelling van Croce opnieuw geformuleerd als volgt: alle geschiedenis is contemporaine geschiedenis want gebaseerd op de dialoog tussen de context van de waarnemer en die van de historische actoren. Toch kan men aan de opmerking van Croce twee kanten onderscheiden. De eerste is, dat elke ware geschiedenis zich voedt door de tijd van de schrijver van die geschiedenis. En deze these was zeer succesvol. Maar er is ook een tweede kant, namelijk een idealistische. Die werd direct opgepakt door Gentile. Zij stelling was: de act van het denken maakt het verleden tot heden. Zoals bekend, bestond tussen beide filosofen begin 20e eeuw een intense dialoog. Gentile vroeg Croce een stap verder te gaan.  Gentile zelf zette deze radicale stap in 1936 : het verleden bestaat niet, het bestaat alleen op het moment dat wij het denken. Een waanzinnige stelling.

Identiteit

De interviewer: in uw essay “Er bestaat geen katholieke God” schrijft u een nogal verrassende verklaring over uzelf, ze heeft iets weg van een bewijs van identiteit:

Ik ben joods, maar heb geen enkele religieuze opvoeding gehad. Ik ken (helaas) geen Hebreeuws. De vervolgingen, waaraan ik onuitwisbare herinneringen bewaar, maakte van mij, gedurende de oorlog, een Joods kind. De religies interesseren mij hevig […] Ik ben atheïst.

En Ginzburg becommentarieert zijn eigen woorden als volgt:

Dat essay ontstond uit een lezing. Mijn publiek bestond uit personen die mij niet kenden. Het doet me trouwens plezier, dat die verklaring uw verwondering oproept. Ik geloof dat iemand die schijft twee soorten voedsel moet vermijden: gebakken lucht en opgewarmde soep.

De verbazing van de interviewer zal iemand die enigszins thuis is in de geschiedenis van Sjoa niet snel overkomen. De nationaalsocialistische maatregelen veroorzaakten bij talloze Joden in Europa een heropleving van hun Joodse identiteit. Ook bij Joden in Nederland. De uitvinder van de microhistorie had kunnen verwijzen naar het verhaal van Etty Hillesum en haar familie. Zij schreef immers in haar dagboek dat zij zich deel voelde van haar volk. Dat was een herneming van de identiteit waarvan zij door een sterke acculturatie vervreemd was geraakt.

Aantekeningen bij Carlo Ginzburg over geschiedenis

  1. Van Ginzburg kan men in het Nederlands vijf boeken lezen. Zie website van de KB voor bibliografische details.
  2. In 2002 hield hij de Nexus lezing : Carlo Ginzburg, “Geografische breedte, slaven en de Bijbel. Een experiment in microgeschiedenis”. De lezing werd gepubliceerd in Nexus 35, 2003, 167-184. Klik hier voor het Nexus Instituut.
  3. Voor informatie over persoon en werk kan met het beste de Engelse wikipediapagina raadplegen. Zie hier.
  4. Carlo Ginzburg, La lettera uccide. Milaan: Adelphi, 2021. De titel is een expliciete verwijzing naar de Paulus, 2 Korinthiërs 3,6. ‘want de letter doodt, de Geest maakt levend’.
  5. Over enkele van de genoemde personages: Benedetto Croce, Giovanni Gentile, Ernesto De Martino (1908-1965).
  6. Zie in dit weblog tevens over Natalia Ginzburg, de moeder van de historicus. Klik hier en hier.

 

Gianni Rodari de kattengedichten: De poezenkrant

Gianni Rodari de kattengedichten 1: De poezenkrantZijn de kattengedichten van Gianni Rodari (1920-1980) bedoeld voor kinderen? Of dacht hij toch meer aan volwassenen? Of schreef hij ze misschien voor beide kattengorieën? Eén ding is echter zeker: wie geen zwak voor katten en poezen heeft, zal aan dit gedicht weinig plezier beleven. Nu ja, volgens mijn onwrikbare vooroordeel dan. Het gedicht kunt u ook vinden in De Poezenkrant nummer 68, najaar 2021, pagina 5.

Het gedicht hier in de oorspronkelijk versie en mijn vertaling ter rechterzijde.

 

Il giornale dei gatti

I gatti hanno un giornale
con tutte le novità
e sull’ultima pagina
la «Piccola Pubblicità».

«Cercasi casa comoda
con poltrone fuori moda:
non si accettano bambini
perché tirano la coda.»

«Cerco vecchia signora
a scopo compagnia.
Precisare referenze
e conto in macelleria».

«Premiato cacciatore
cerca impiego in granaio.»
«Vegetariano, scapolo,
cerca ricco lattaio.»

I gatti senza casa
la domenica dopo pranzo
leggono questi avvisi
più belli di un romanzo:

per un’oretta o due
sognano ad occhi aperti,
poi vanno a prepararsi
per i loro concerti.

De poezenkrant

De katten hebben een krant
met al het nieuws
en de ‘kleine annonces’
op de achterkant.

‘Gezocht: comfortabel huis
met ouderwetse fauteuils:
kinderen niet gewenst,
want voor onze staart niet pluis.’

‘Ik zoek een oudere dame
om gezelschap te houden.
Goede referenties gevraagd
en krediet bij de slager.’

‘Gelauwerde jager zoekt
betrekking in graanschuur.’
‘Vegetariër, vrijgezel,
zoekt rijke melkboer.’

Op zondag na de lunch
lezen de dakloze katten
deze annonces
mooier dan een roman:

en een uurtje of twee
dagdromen ze weg,
dan maken zij zich op
voor hun concerten.

Toelichting

  • De titel letterlijk vertaald zou luiden ‘De krant van de katten’ of: ‘Kattenkrant’. Ondanks de aardige alliteratie en de herhaalde klinker, besloot ik toch maar voor ‘poezenkrant’. Menige lezer zal denken aan de beroemde Nederlandse Poezenkrant, die sinds 1974 verschijnt. Nummer 67 kwam in het najaar van 2020 uit. Nummer 68 ziet wellicht in april 2022 het licht. De website van De Poezenkrant.
  • Van de drie kattengedichten van Gianni Rodari is dit het eerste dat ik hier in mijn vertaling geef. Het Italiaanse origineel hier in deze pdf. Het tweede gedicht heet ‘Herfst’ en het derde ‘Bericht’. Ze komen nog.
  • In het boekje Willem Frederik Hermans: De geur van een pasgestoomde deken: De beste poezenstukken, dat ik in een vorige post gebruikte voor het verhaal over de Romeinse katten, heeft bezorger Willen Otterspeer de bijdragen van de Schrijver aan De Poezenkrant opgenomen. Het is zeker de moeite waard om die pagina’s er nog eens op na te slaan, zie: 63-67.
  • De bekende vertaler Karel van Eerd zit er niet ver naast als hij over Rodari schrijft:

Zijn poëzie is een stout mengsel van realiteit en sprookje, met vaak een politieke pointe. Zijn stijl balanceert tussen surrealistisch taalspel en kinderliedjesdreun.

Aantekeningen

Schoot van Etty Hillesum : bisschop Antonio Staglianò

Vanaf het moment dat ik op het schermpje van mijn telefoon deze titel zag verschijnen: Grembo di Etty Hillesum, voelde ik de onrust in mij groeien. Het Italiaanse ‘grembo’ betekent immers ‘schoot’. Ik dacht gelijk aan moederschoot, met de woordassociaties en de symboliek die daarbij horen. En ze passen allemaal bij het artikel van Antonio Stagliano “Schoot van Schoot van Etty Hillesum volgens bisschop StaglianòEtty Hillesum”, dat op woensdag 10 november 2021 verscheen in het dagblad L’Osservatore Romano, het officiële orgaan van het Vatikaan. Het stukje van de bisschop van de Siciliaanse stad Noto staat in de rubriek ‘Theologie in een notendop’. Stagliano’s artikel is een opmerkelijk specimen van de katholieke Hillesum receptie. Ik neem het citerend en parafraserend stap voor stap door.

Duisternis

De bisschop opent met de opmerking dat de literatuur over de concentratiekampen slechts oppervlakkig ingaat op het verschijnsel dat een heel tijdperk door de barbarij ‘radicaal verduisterd’ werd. Maar deze ‘donkere nacht’ en de ‘diepe duisternis’ werden doorbroken door ‘het licht van de sterren dat sterker is’. Ik citeer de bisschoppelijke tekst:

Etty is het verkleinwoord van Esther en dat wil zeggen “ster”. Het is een vallende ster die een boodschap van hoop brengt, terwijl zij met haar beloften aanmoedigt tot het uiten van een verlangen.

De meeste lezers van L’Osservatore romano zullen weten dat Hillesum een Jodin was. Maar zo niet: de impliciete verwijzing naar de gele ster zet ook eventuele onwetenden op het spoor.  De laatste zin van het citaat sluit af met ‘verlangen’. Dat stelt de bisschop in staat een verbinding te leggen met deze fraaie zin van Etty Hillesum:

Ik zal mijn verlangen opvoeden en het voorzichtig en zo waardig mogelijk loodsen naar zijn plaats van bestemming.— (HVW, 273)

Etty – schrijft vervolgens de bisschop – richt zich tot zichzelf, tot haar hart om het uit de  staat van teneergedruktheid op te heffen. Dat is wat zij wil, en als het moet ook op kosten van het ‘beheersen van het verlangen’. De  term ‘verlangen’ is het sleutelbegrip geworden.

‘Verlangen’ in het dagboek

Op de termen  ‘verlangen’ en ‘beheersen’ baseert de theoloog zijn argumentatie en ten slotte zijn onthutsende conclusie. Wij moeten daarom goed kijken naar wat hij met het begrip doet. Het bovenstaande citaat komt uit de  aantekening van 2 maart 1942 waarin Etty Hillesum haar relatie met Spier overdenkt. De zin voorafgaande aan de door de bisschop geciteerde is deze:

Gisterenavond in bed zei ik opeens: Eigenlijk moest ik je toch dankbaar zijn God, dat je me in staat hebt gesteld tot grote en hartstochtelijke gevoelens en dat je een man hebt gebracht op mijn pad, die al die gevoelens juist weet te beantwoorden, ook al heeft hij dan enige weken verzuimd z’n armen naar me uit te strekken.—

Hillesum schrijft over haar ‘verlangen’ naar Julius Spier. Het is voor haar geen religieuze kwestie. Het gaat haar om de persoon Spier: als leraar, als vertrouweling, als vriend, als minnaar. Voor een belangrijk deel is dit dus óók een erotisch verlangen. Zij ervaart dit verlangen als te sterk en wil het ‘opvoeden’ en zijn ‘plaats’ geven, dat wil zeggen tot de juiste, voor haar aanvaardbare proporties herleiden. De complete aantekening van die dag kan men hier lezen.

Van put naar bron

Maar voor de bisschop lijkt het echter te gaan om iets anders. Dat blijkt uit de volgende stap in zijn tekst: hij verbindt de term ‘verlangen’ met het beroemde citaat ‘Binnen in me zit een heel diepe put. En daarin zit God.’ (HVW, 97) Hij geeft daarmee aan de term ‘verlangen’ de religieuze connotatie die essentieel is voor zijn conclusie.

Hier is een opmerking over de Italiaanse vertaling van het dagboek nodig. In de vertaling wordt het Nederlandse ‘put’  omgezet in ‘sorgente’. Dat woord staat eigenlijk voor ‘bron’.  De eerste vertaalster, Chiara Passanti, die Het verstoorde leven in het Italiaans overbracht, had bewust voor ‘sorgente’ gekozen. Het Italiaanse termen ‘pozzo’, put, en ‘sorgente’, bron, verschillen echter belangrijk van elkaar. De religieuze connotatie die ‘sorgente’ bezit, kun je bij ‘pozzo’ zeker niet aantreffen.

Natuurlijk kan put / pozzo met behulp van de juiste talige context als metafoor dienst doen. Bij voorbeeld de Spaanse vertaling kiest voor ‘put’ het woord ‘pozo’.  Maar vergeleken met sorgente is de semantisch en symbolisch potentie van pozzo aanzienlijk minder. De term ‘sorgente’ sluit bovendien goed aan bij de rooms-katholieke theologische terminologie en droeg daardoor aan de Italiaanse rooms-katholieke receptie van de dagboeken wezenlijk bij.

Werken aan zichzelf

Ik volg de bisschop op de voet. Hij stelt vast, dat het beheersen van het verlangen de betekenis heeft van ‘[…] het zich oriënteren op en putten uit de bron van de waarheid en de authenticiteit’. Daarmee demonstreert men de ‘… schoonheid en waardigheid van elk menselijk wezen’. Het doel is de oorspronkelijke opgave van het leven te verwezenlijken: ‘… van zichzelf een kunstwerk maken’.

En op deze manier wordt het “werken aan zichzelf” een moedige en soms zelfs een innerlijk verscheurende onderneming, wanneer men zich vervoegt bij de bron en drinkt van het opwellende water der eeuwigheid. Alleen hier en op dit moment werkt men men aan “De grote haat […] die het eigen gemoed vergiftigt.”

Men ziet het, de bisschop sluit zijn alinea af met een ander beroemd citaat van Etty Hillesum, zie HVW, 19.  Hij laat de bepaling ’tegen de Duitsers’ weg. Hillesum gebruikt het woord ‘gemoed’, dat gedefiniëerd kan worden als innerlijk, gevoelsleven. In het Italiaans wordt dit ‘animo’.  En hiermee kunnen we naar de volgende stap.

Van gemoed naar ziel

Voor de volgende schakel in zijn argumentatie maakt de bisschop gebruik van de term ziel. Om het verschil tussen gemoed = animo en ziel = anima te overbruggen, gebruikt hij een Griekse term:

De Ziel is psyché in het Grieks, maar ook vlinder. Zijn vlucht verwijst naar de in het kamp Westerbork bereikte vrijheid.

Hij citeert vervolgens Etty Hillesum:

Ik heb daar zo sterk ervaren, hoe iedere atoom haat, aan deze wereld toegevoegd, haar onherbergzamer maakt, dan zij al is. (HVW, 629. Brief 23.)

Het bijwoord ‘daar’ verwijst naar kamp Westerbork.

Het is om deze reden dat Etty niet wil haten, vervolgt de bisschop: ‘zij beheerst haar verlangen dat zij ‘vastketent’ in een geloof in de menselijkheid, dat de Bron waaruit zij put (= de opgegraven God) aan haar onthult.’ En hier citeert de kerkelijke hoogwaardigheidsbekleder opnieuw uit het dagboek:

Es würde aber schon genügend sein, wenn es nur einen Menschen gäbe, der wert ist “Mensch” zu heißen, um an den Menschen, an die Menschheit zu glauben. (HVW, 19.)

Hij vermeldt niet dat dit een aantekening is van Julius Spier en door Hillesum in het Duits genoteerd. Iemand die het dagboek er niet op naslaat of het niet zeer goed kent, beschouwd het als een citaat van Etty Hillesum. Natuurlijk blijkt uit de dagboekpagina dat zij volledig achter die opvatting stond. Maar of zij dezelfde directe relatie legde als de theoloog: met de Bron = de opgegraven God, lijkt mij niet vol te houden. In elk geval helpt deze stap in de bisschoppelijke redenering om de conclusie naderbij te brengen.

Bisschop Staglianò: Jezus-mystiek

Ik geef nu de afsluitende alinea van de bisschop:

En je hart springt werkelijk op van vreugde als we bedenken hoe zij er in slaagde – deze jonge vrouw die nooit voet zette in een kerk en zelden in een synagoge – om deze hoge toppen te bereiken van de mystiek van Jezus, van Zijn menselijkheid (Dit is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb!): de liefde voor zijn vijanden. 

Bisschop Antonio Stagliano citeert uit Matteüs 3: 16-17, een tekst die Hillesum onder ogen had gehad. Zij schrijft immers: ‘Na het ontbijt begonnen met Mattheüs, nu iedere ochtend, systematisch.’ (HVW, 337.) Maar ik durf het te betwijfelen of zij zich deel voelde van de Jezusmystiek zoals de bisschop zijn lezers wil doen geloven.

‘Schoot’ en naamsbekendheid

Ik besluit met een enkele opmerking.

  1. Het woord ‘schoot’ komt niet voor in het artikel. De bisschop gebruikt de metafoor slechts in zijn titel. Een authentieke teaser. De bedoeling lijkt mij duidelijk: de Joodse Esther Hillesum, de ster, is teruggekeerd in de schoot van de moederkerk. Let wel: de rooms-katholieke moederkerk.
  2. In de Grande Dizionario della lingua italiana, 21 delen, 22.700 pagina’s, vergelijkbaar met het Nederlandse WNT, wordt het lemma ‘grembo’ gedefiniëerd en geïllustreerd met behulp van een honderdtal verwijzingen.
  3. De toon van het artikel, het familiaire gebruik van alleen de voornaam ‘Etty’, de verwijzing naar het dagboek + paginanummer zonder verdere bibliografische informatie, geven te verstaan, dat de schrijver weet dat het werk en de persoon van Etty Hillesum bij de lezers van L’Osservatore romano bekend zijn. Dit is een terechte veronderstelling. Zie bijvoorbeeld mijn artikel over paus Benedictus XVI.

Aantekeningen bij Schoot van Etty Hillesum

  • Ter vergelijking geef ik hier de Spaanse vertaling waarin men koos voor het woord ‘pozo’: ‘Dentro de mi hay un pozo muy profundo. Y ahi dentro está Dios.’ Zie Etty Hillesum, Obras completas, 1941-1943. Burgos: Editorial Fonte, 2020, p. 187.)
  • Klik hier voor de Italiaanse tekst van het artikel van bisschop.
  • Klik hier voor een wikipediapagina over de bisschop van Noto.