Etty Hillesum in Rome: december 1988

In het magazijn van onze uitgeverij, dat zich onder mijn huis bevindt, staat een pallet met een dozijn dozen gevuld met oud archiefmateriaal. Af en toe maak ik er een open, bekijk de inhoud en gooi wat weg kan in de papierbak. Tussen het pakje brieven dat ik vond, was er een van Jan Louter, die ik mij niet meer herinner. In de enveloppe een heel vriendelijk begeleidend ansichtkaartje van 14 januari 1989 met een winterse afbeelding van de Magere Brug in Amsterdam. Belangrijker zijn echter de fotokopieën van de twee artikelen die hij de maand daarvoor had gepubliceerd. Het kortste in Het Parool van dinsdag 6 december 1988, het tweede, aanzienlijk langere artikel, was geplaatst in het NIW, Nieuw Israëlietisch Weekblad van vrijdag 9 december 1988.

In beide artikelen doet Jan Louter verslag van het Etty Hillesum Congres van 4 en 5 december 1988 in Rome, dat hij mogelijk als journalist had bijgewoond. Het bestaan van zijn artikelen was ik volledig vergeten.

Van links naar rechts: Nadia Neri, Giacoma Limentani, een adm mederw., Ted Meijer, Sergio Quinzio  en Romana Guarnieri. Op de eerste verdieping van het Nederlands Instituut te Rome. Foto © Maria Korporal.

Het tweedaagse Romeinse symposium over Etty Hillesum heeft het verloop van mijn leven in Italië in de jaren daarna bijzonder sterk beïnvloed. Tot op de dag van vandaag, zoals blijkt uit dit weblog.  Daarover zal ik het nu niet hebben. Naar aanleiding van de hervonden artikelen wil ik echter één persoon, bij wijze van dierbare herinnering en durende dankbaarheid, hier kort ter sprake brengen.  Ik bedoel Ted Meijer (1940-1997), de toenmalige directeur van het Koninklijk Nederlands Instituut te Rome. Hij overleed op 15 augustus 1997. Over minder dan drie weken is dat 23 jaar geleden.  Het is te danken aan Meijers enthousiaste steun aan het project dat deze eerste internationale bijeenkomst over Etty Hillesum kon worden gerealiseerd. Ik had het project in 1987 bedacht en aan hem voorgelegd toen hij nog maar net in dienst was getreden. Hij stond direct achter het plan en verschafte er het institutionele kader voor. Dat was erg belangrijk, want het stelde mij in staat het als een cultureel project van het Instituut te presenteren en te organiseren. Later zorgde hij ook voor de financiering van de uitgave van het boek met de resultaten van de twee symposiumdagen. Het verscheen in 1990: L’esperienza dell’Altro, De ervaring van de Ander, waarin ik de vijftien lezingen had opgenomen. Het was de eerste uitgave van onze uitgeverij Apeiron Editori, die Maria Korporaal en ik in datzelfde jaar hadden opgericht. Dat was nodig, omdat geen enkele Italiaanse uitgever de teksten wilde publiceren. In het najaar hopen wij het elfde boek over Etty Hillesum te publiceren.  Maar daarover volgt later meer.

Jan Louters artikelen in pdf :
Het Parool In Rome congres over E. Hillesum
NIW: Italianen verslaafd verrukt over Diario Etty Hillesum

De moeder. Een verhaal van Italo Svevo

Het onderwerp van Svevo’s korte verhaal ‘De moeder’ uit 1927 is de ‘egoïstische’ liefde van een moeder voor haar eigen kinderen. Behalve romans en verhalen schreef Svevo ook een twintigtal fabels. Men zou het verhaal in dit genre kunnen plaatsen, want de moeder is een eigenzinnige hen en de hoofdpersoon een moedig kuiken.  Het verhaal begint zo:

In een met stralende voorjaarskleuren getooid dal, dat was omringd door met bossen begroeide heuvels, stonden naast elkaar twee verwaarloosde, grote stenen huizen. Ze zagen er zo eender uit, dat ze de hand van dezelfde bouwmeester verrieden. Ook de door heggen omsloten voortuinen waren gelijk van omvang en van vorm. Maar niet voor alle bewoners lag een gelijk lot in het verschiet. […]

Het verhaal heeft een omvang vier pagina’s . Van mijn vertaling kunt u hier een pdf downloaden en op uw gemak lezen:  De moeder

 

Friulaans gemeenteraadslid uitgedost in SS uniform

De heer Gabrio Vaccarin (geb. 1966) is lid van de gemeenteraad van Nimis, een dorp van nog geen 3000 inwoners in de buurt van Udine. Hij behoort tot de vier leden van de oppositie, die met de acht leden van de meerderheid de gemeenteraad vormen. De gekozen burgemeester is mevrouw Gloria Bressani.
Dit is een foto van de heer Vaccarin. Naar zijn zeggen had hij zich verkleed om carnaval te vieren, in het verre 2010 of 2011.

U ziet het goed. Hij is gekleed in een SS-uniform en achter hem hangt een portret van Adolf Hitler, ook al in uniform. De foto zit in een passend lichtbruin lijstje. De heer Vaccarin ziet er heel gewoon uit. Niet bijzonder aantrekkelijk noch bijzonder afstotelijk. Een doorsnee nationaalsocialist zou ik bijna zeggen. De Führer kon op deze trouwe dienaren van het Reich rekenen. Zelfs vijfentachtig jaar na zijn dood!

Deze foto gaat rond op het internet en werd een paar dagen geleden door enkele dagbladen afgedrukt. De kwestie zorgt voor grote opwinding. Het is voor de regionale coördinator en tweede kamerlid Walter Rizzetto van de partij “Fratelli d’Italia” (Fratelli = Broeders) een lastige zaak. Hij probeert afstand te nemen van de carnavalsganger en zijn mederaadsleden. Een veilige afstand om niet besmet te worden. Er zijn immers weer verkiezingen in aantocht. In september. Juist nu deze extreem rechtse partij het in de peilingen zo goed doet. Verwijzing naar het duistere verleden komt nu wel zeer ongelegen. Het verleden van het fascistische Italië, van Mussolini’s antisemitische wetten van 1938, van Italië bondgenoot van nazi-Duitsland in de tweede wereldoorlog. “Fratelli d’Italia” gaat daar zeker niet rechtstreeks op terug, maar staat in termen van politieke cultuur en historie wel in deze rechtsextreme traditie.

Wat bezielt een politicus die zich zo uitdost, is een vraag die ik mij niet meer stel. Daarvoor gebeurt het te vaak. Het zijn geen grappen en grollen, maar de uitdrukking van een mentaliteit, van een politieke cultuur. Zodra men vraagt naar de drijfveren van dit soort media georiënteerd handelen, grijpen zij onveranderlijk terug op het bekende taalregister: een kwajongensstreek, een scherts, een carnavalspak, etc. En als het alleen om uitspraken gaat: ik ben verkeerd begrepen, mijn woorden zijn uit de context gerukt, ik heb het ongelukkig geformuleerd, etc.

Voor raadslid Vaccarin zou de verkleedpartij kunnen uitlopen op de aanklacht ‘apologie van het fascisme’, en dat is in Italië een misdrijf. Erg waarschijnlijk is het niet, maar mocht Vaccarin worden aangeklaagd voor zijn gedemonsteerde nazi-sympathiën en weet hij een proces uit te buiten, dan zou dit zijn politieke carrière te goede kunnen komen. Maar hopelijk is de kleine naziman daar toch te dom voor.

Bronnen:
Udine Today + La Stampa

Vrouwenmoord. Een verhaal van Federigo Tozzi

In de nalatenschap van de Italiaanse schrijver Federigo Tozzi (1883-1920) vond men de opzet van een kort verhaal over het thema vrouwenmoord. Tozzi’s zoon Glauco nam het op in de verzamelde novellen. De door hem bezorgde uitgave verscheen in 1963 en hij gaf er ook de titel aan.

Een bericht in de krant

De trein snelde voort en de lust om te huilen werd groter. Bij het coupéraam de twee geliefden. Zij zat en hij stond, zodat ze konden praten zonder dat iemand het hoorde. Zij fluisterde in zijn oor en haar woorden hadden op hem hetzelfde effect als haar haar, dat hem licht beroerde.
Met een verterende hartstocht nam hij haar op. Hij ging tegenover haar zitten, haalde de dienstregeling uit zijn zak en schreef met potlood in de marge van de kaft: ‘Als je niet meer van me houdt, breng ik mezelf om!’ – Hij liet het haar lezen.
Terwijl zij het las, keek hij naar haar en voelde de drang om vóór haar neer te knielen en haar handen te kussen.
Ze keek niet meteen naar hem op. Toen zag zij hem recht in de ogen, met tederheid en liefde.
– Waarom heb je dat geschreven?
– Omdat ik van je houd.
Ze voelden hun lichamen trillen.
Na een korte stop bij een station was de coupé voller geworden. Ze voelden zich  opgesloten tussen al die mensen en waren geïrriteerd en gek van verlangen om met zijn tweetjes te zijn.
– Ik wil bij jou zijn, ik ga niet meer van je weg.
De wind drapeerde de lange rode sjaal van Louise’s hoed over beider schouders. Hij kwam erdoor in een roes en voelde een onuitsprekelijk verlangen om ook de sjaal te kussen. Haar ogen werden groot en haar oogleden rond.
Plotseling trok hij zijn revolver, en terwijl Louise haar hoofd nog gebogen hield, haalde hij, als vervuld van woede en haat, de trekker over. Hij schoot drie keer, één schot midden in haar voorhoofd, want zij had haar hoofd naar hem opgeheven.
Ze zakte in elkaar. Hij kuste haar wonden, warm van het eruitgutsende bloed. Toen dacht hij aan zichzelf.
Hij is niet dood.

 

Francesco Guccini’s Auschwitz. Lied van het kind in de wind

Op 14 juni 2020 is de populaire Italiaanse zanger Francesco Guccini 80 jaar geworden.

Toen hij op 14 juni 1940 werd geboren, waren er nog maar vier dagen verstreken na de Italiaanse  oorlogsverklaring aan Engeland en Frankrijk. Italië schaarde zich daarmee definitief aan de kant van agressor Duitsland, die negen maanden eerder in Europa in een oorlog had ontketend waarbij in korte tijd de hele wereld zou worden betrokken en tot 1945 zou gaan duren.

Over de meest tragische van de gebeurtenissen uit die periode, de moord op zes miljoen Joden door de Duitse nationaalsocialisten, schreef Guccini in 1964 het lied “Auschwitz. Lied van het kind in de wind”.

Van dit lied bestaan veel vertalingen waaronder ook een Nederlandse.  Op de website AntiwarSongs vindt u de verschillende versies. Guccini heeft het lied in wat kortere en langere versies gezongen: deze is uit 1982.

In 1964 had hij in de periode van voorbereiding op een tentamen Latijn het lied tijdens een onderbreking gemaakt, zowel de muziek als de tekst. Enkele weken ervoor had hij een boek van Primo Levi gelezen: Tu passerai per il camino, ofwel: Jij gaat door de schoorsteen. Hij vertelt deze herinnering in deze video uit 2014 tijdens de presentatie, in een zaal van het Italiaanse parlement, van de documentaire over de reis naar Auschwitz.  Die reis had hij samen met een groep scholieren gemaakt, dus vijftig jaar na de compositie van het lied. Zijn geheugen liet hem echter in de steek, want het boek dat hij toeschrijft aan Levi, was in werkelijkheid van de hand van Vincenzo Pappalettera (1919-1998). Het is een aangrijpend boek over Mauthausen en kwam voor het eerst uit in 1967. Ik neem aan dat de zanger Levi’s befaamde boek over Auschwitz had gelezen, Is dit een mens, waarvan de eerste editie dateert uit 1947. Het zij hem vergeven.

Een wikipedia pagina over Guccini.

Hieronder de Nederlandse versie. Van wie de vertaling is, wordt niet vermeld.

Auschwitz. Lied van het kind in de wind

Bij duizenden zijn kinderen
Door de schoorsteen weggevlogen
En zo ben ik ook, in de rook,
En nu ben ik in de wind,
Nu ben ik in de wind.

Het sneeuwde in Auschwitz,
De rook ging langzaam op
In de koude winterdag
En nu zijn we in de wind,
Nu zijn we in de wind.

In Auschwitz, hoeveel mensen!
Men allemaal in ’t zwijgen…
Zo raar, dat een kind
Niet glimlacht in de wind,
Niet glimlacht in de wind.

Ik vraag mij, hoe kan een mens
Zijn broeder zo licht doden?
Niettemin zijn miljoenen
In wind opgegaan,
In wind opgegaan.

Nogmaals dondert het kanon,
Met bloed zijn deze onmensen
Niet nog verzadigd,
En nog zijn we in de wind,
En nog zijn we in de wind.

Ik vraag mij, wanneer zal’t zijn?
Wanneer zullen we leren
Te leven, en niet te doden?
Zal de wind eindelijk ophouden?
Zal de wind eindelijk ophouden?

Ik vraag mij, wanneer zal’t zijn?
Wanneer zullen we leren
Te leven, en niet te doden?
Zal de wind eindelijk ophouden?
Zal de wind eindelijk ophouden?

 

Dit is het Italiaanse origineel:
Auschwitz.

Son morto con altri cento
Son morto ch’ero bambino
Passato per il camino
E adesso sono nel vento,
E adesso sono nel vento.

Ad Auschwitz c’era la neve
Il fumo saliva lento
Nel freddo giorno d’inverno
E adesso sono nel vento,
E adesso sono nel vento.

Ad Auschwitz tante persone
Ma un solo grande silenzio
È strano, non riesco ancora
A sorridere qui nel vento,
A sorridere qui nel vento

Io chiedo, come può un uomo
Uccidere un suo fratello
Eppure siamo a milioni
In polvere qui nel vento,
In polvere qui nel vento.

Ancora tuona il cannone,
Ancora non è contenta
Di sangue la belva umana
E ancora ci porta il vento,
E ancora ci porta il vento.

Io chiedo quando sarà
Che l’uomo potrà imparare
A vivere senza ammazzare
E il vento si poserà,
E il vento si poserà.

Io chiedo quando sarà
Che l’uomo potrà imparare
A vivere senza ammazzare
E il vento si poserà,
E il vento si poserà.

 

 

Ze slaapt. Een gedicht van Fausto Maria Martini

Ze slaapt

Annie slaapt: een zacht licht
omhult als in een geheim
haar bruine hoofd, dat rust
op de schrijftafel van mahonie.
In de schaduw ligt haar blote arm
nog op een nog geopend boek:
rondom deze roze naaktheid
trilt de duisternis…
Annie, naar welke verte
reikt je zoete ziel,
terwijl je rust, met je hoofd
op de schrijftafel van mahonie?

Fausto Maria Martini werd op 14 april 1886 in Rome geboren en stierf er op 12 april 1931. Fausto Maria MartiniEen studie rechten liet hij rusten om zich volovergave aan de letteren te wijden. Hij schreef aanvankelijk poëzie en na de eerste wereldoorlog alleen proza. Vanaf 1903 animeerde hij met de dichter Corrado Govoni en een tiental anderen de kring rond Sergio Corazzini (1886-1907), die bijeenkwam in het Romeinse Caffè Sartoris. In het najaar van 1905 werkte hij mee aan de oprichting van het veertiendaagse culturele tijdschrift Cronache Latine.

Zijn eerste bundel verzen Le piccole morte verscheen in 1906, een jaar later gevolgd door «Panem nostrum», terwijl de derde en laatste, Poesie provinciali in 1910 verscheen. Zijn dichtwerk past binnen de literaire stroming ‘schemerdichters’, i crepuscolari. Na de laatste bundel legde hij zich toe op verhalend proza: romans en toneelstukken. Hij was tevens actief als toneelcriticus.

Hij werd en wordt door de literatuurcritici als een ‘middelmatige’ exponent van de schemerdichters beschouwd, niettemin heeft hij in de belangrijkste bloemlezingen een bescheiden plaats. In 2007 kwam een uitgave van zijn verzamelde gedichten uit.

In: Le piccole morte, 1906. (De kleine doden.) Voor de vertaling heb ik de tekst gebruikt die is opgenomen in Segre e Ossola 2004, p. 86.

Het Italiaanse origineel in een pdf: Dorme

Mondkapje met Mussolini

Een bedrijf in de buurt van Verona biedt sinds enkele dagen een mondkapje met daarop een afbeelding van Benito Mussolini te koop aan.

Aan de zijkant van het kapje staat dit citaat: ‘Marcheren, opbouwen en, als het nodig is, vechten en winnen!’ Het waren de afsluitende woorden van Mussolini’s toespraak voor het ‘Volk van Turijn’, dat op 23 oktober 1932 de Piazza del Castello tot de laatste plek had bezet. (Zie de video.) Het was Mussolini’s eerste afspraak van een tournee langs een aantal Italiaanse steden om het eerste decennium van de diktatuur te vieren en het tweede in te luiden.

De ‘camice nere’, de zwarthemden, die het plein bevolkten, hadden tien jaar eerder in de tweede helft van oktober 1922 een beslissende rol gespeeld bij de overname van de macht door Mussolini. Zij hadden in die dagen de Mars op Rome georganiseerd met het doel de politieke macht in handen te krijgen. De liberale regering ervoer de manifestatie van de fascistische militie als een enorme bedreiging en zwichtte onder de druk.

De keuze voor juist dit citaat op het mondkapje is dus alles behalve toeval. Het duurt nog maar een goede twee jaar voor er een eeuw is verstreken. De neofascistische organisaties zijn in Italië flink gegroeid en zullen honderd jaar Mars op Rome niet ongemerkt voorbij laten gaan.

Het mondkapje past in het aanbod neofascistische gadgets dat intussen een zorgelijke omvang heeft gekregen. Liefhebbers lijdend onder een patologische nostalgie kunnen terecht op deze tweetalige (!) website van een andere aanbieder. Het aanbod bestaat uit rond 1300 items waaronder natuurlijk het laatste nieuwtje, de mondkapjes anti covid-19, maar ook aanstekers, bekers, posters, schrijfgerei, t-shirts, vlaggen en vaandels. Behalve de afbeelding van diktator Mussolini op elke denkbare ondergrond, vindt de bezoeker een ruime keus uit vlaggen en vaandels met een hakenkruis. Boeken van en over nazifascistische kopstukken zijn afwezig, maar geen nood, want voor het gedrukte woord kunt u terecht bij neofascistische uitgevers en boekwinkels. T-shirts met de kop van Mussolini kunt u trouwens ook bij het zo geliefde bedrijf Amazon aanschaffen.

De Italiaanse grondwet verbiedt niet alleen de vorming van fascistische partijen maar ook de apologie van het fascisme. Met een zekere regelmaat treedt de rechterlijke macht op tegen uitwassen, maar het is blijkbaar ondoenlijk de groei van een ‘grijze zone’ aan banden te leggen.

Aantekeningen

Het citaat «Camminare, costruire e, se necessario, combattere e vincere!» in: Benito Mussolini, Opera Omnia, Vol. XXV. Florence: La Fenice, 1958, p. 144.

Vgl. ook het portaal Fascisme in Italië, s.v. Mars op Rome.

Terug naar mijn stad. Een gedicht van Vincenzo Cardarelli

Terug naar mijn stad
[Na twee oorlogen]

1

O wrede herinnering, wat heb je gedaan
met mijn stad?
Een stad van spoken
waar niets is veranderd behalve de levenden
die van de doden de plaats bezetten.
Alles staat hier stil, als betoverd,
in mijn herinnering.
Ook de wind.

                    2

Hoe dikwijls, o mijn geboortestad,
kwam ik in je om dat te zoeken
wat mij ’t meest eigen is én wat ik verloren heb.
De oude wind, de oude stemmen,
en de geuren en de seizoenen
van een, ach, eens geleefde tijd.

Vincenzo Cardarelli werd vandaag, 1 mei 2020, precies 113 jaar geleden, geboren in Tarquinia, bekend om haar Etruskische dodenstad. Ter herinnering aan zijn geboortedag mijn vertaling van het  gedicht, dat hij als eerste van drie opnam in de afsluitende afdeling van zijn bundel Poesie, die in april 1942 uitkwam bij uitgeverij Mondadori.

Behalve dit ongebruikelijke geboortejaar was er nog een motief om aan Cardarelli aandacht te besteden. De afgelopen dagen las ik de roman Schimmenrijk van Rosita Steenbeek. Behalve Rome heeft het boek vooral Tarquinia als plaats van handeling. De laatste drie verzen van de eerste strofe gebruikt Rosita Steenbeek in een iets andere versie in haar vertelling als literair motief. Daarover gaat dit stukje. Het is dus geen bespreking van deze boeiende roman, waarin de dood het dominerende thema is. 

Foto Silvia Longo.
Foto Silvia Longo.

Het sleutelpersonage Antero Curunna toont Lisa van der Meer, de hoofdpersoon van Nederlandse afkomst die in Rome woont en werkt, de gedenksteen van de schrijver van het hierboven gepresenteerde gedicht (p. 62). Het (marmeren) voorwerp ligt in een perkje in het centrum van de stad en heeft de vorm van een boek. Op de  opengeslagen pagina’s zijn de drie versregels aangebracht: ‘Hier is alles stil, als betoverd, in mijn herinnering ook de wind.’ In mijn vertaling heb ik ‘hier’ (bijwoord van plaats) iets verschoven. In het origineel staat achter ‘herinnering’ een punt. Over het belangrijke woordje ‘hier’ zal ik het zo nog hebben.

In het voorlaatste hoofdstuk laat Steenbeek het motief ‘Cardarelli’ terugkomen. Lisa en haar vriendin Angela gaan’s nachts op weg naar de necropolis om de graftombe beter te bekijken. Angela graaft net als met haar bevriende stadsgenoot Antero illegaal naar Etruskische schatten. Zij moeten om er veilig te komen over de muur klimmen van het kerkhof, dat buiten de stad ligt en grenst aan het gebied van de necropolis. Tarquinia’s grootste poëet Cardarelli, althans volgens de grafrover Antero die zich hier bij hen voegt, is op dit stadskerkhof bijgezet in een sarcofaag. Terwijl zij er gedrieën voor staan, declameert Antero opnieuw de versregels: ‘Hier is alles stil, als betoverd, in mijn herinnering ook de wind.’ (p. 222, in de tekst cursief).

In deze context verwijst het woordje ‘hier’ naar het kerkhof waar zij zich bevinden en naar de necropolis waar zij enkele minuten daarna zullen zijn om de door hen eerder in het boek illegaal opengelegde Etruskische graftombe opnieuw te bekijken.

Als we nu even terugkeren naar het marmeren boek in het gras, dan kunnen we met enige reden vaststellen en  interpreteren dat ‘hier’ verwijst naar de stilte die is gevolgd op de dood van de dichter.

Kijken we vervolgens naar het gedicht, dat voor alle duidelijkheid niet in de roman voorkomt. In de titel en vers twee lezen we ‘mijn stad’, dus Tarquinia, de geboortestad van Cardarelli. Er is geen twijfel, dat hij met het bijwoord ‘hier’ naar haar verwijst.

De manier waarop het functioneert in de roman veroorzaakt een lichte verschuiving in de betekenis. Terwijl er in de context van het gedicht sprake is van een fatale stilstand, een dodelijke onbeweeglijkheid van de stad en haar bewoners, gaat het bij het boek in het perkje en op het kerkhof om de moderne en de antieke Etruskische dodenakkers. Gemeenschappelijk aan beide omgevingen is de dood, het thema dat in het boek van Rosita Steenbeek in de meeste situaties waarin de personages zich bevinden een prominente rol speelt, waarbij heden en verleden vaardig in elkaar gevlochten worden.

Daarentegen heeft het gedicht meer specifiek de stad en haar bewoners en het verleden van de dichter tot onderwerp. In de tweede strofe toont de dichter bevangen te zijn door een onbuigbare weemoed.

Niet lang na het overlijden van de dichter in 1959 ontdekten archeologen op de heuvel Monterozzi opnieuw een graftombe, die men als eerbetoon naar hem heeft vernoemd: ‘Tomba Cardarelli’.

Links een plattegrond met waarop de plaats van de Cardarelli tombe staat aangegeven.
Hier vindt u een Franse Wikipedia pagina over de graftombe.
En hier een link naar een 3D simulatie op Youtube die 4.53 minuten duurt.

Aantekeningen
Vincenzo Cardarelli, Poesie. Prefazione di Giansiro Ferrata. Verona: Mondadori, 1948, 5e druk. De eerste druk kwam uit in april 1942. Zie deze PDF met de laatste drie gedichten in het Italiaans.
Rosita Steenbeek, Schimmenrijk, Amsterdam: Prometeus, 2000, 5e druk.

Ara, Mara, Amara. Een gedicht van Aldo Palazzeschi

Ara, Mara, Amara

Een klein grasveldje
ligt onderaan de helling
tussen hoge cipressen.
In hun schaduw dobbelen
drie oude vrouwtjes.
Elke dag op dezelfde plaats
en geen moment zien ze op.
Dobbelend in het gras,
geknield in de schaduw.

De titel van het gedicht is onvertaald gebleven: Ara, Mara, Amara. Kijk eens naar de grondstoffen, de letters. Het zijn er drie: de klinker ‘a’ komt zeven keer voor, van de twee medeklinkers de ‘r’ drie keer en de ‘m’ twee keer. Palazzeschi vormt de woorden door een ‘M’ toe te voegen aan de tweede, en ‘Am’ aan de derde naam. Hij gebruikt hoofdletters, want het zijn immers de eigennamen van de drie vrouwen. De klemtoon valt bij de eerste twee op de eerste lettergreep, bij ‘Amara’ op de tweede.

Bij het woord ‘Ara’ komt mij niet direct aan een vrouwennaam in gedachte, maar twee Romeinse monumenten: de Ara Pacis en de kerk Santa Maria in Aracoeli op

Ara Pacis, Rome

het Capitolijn. Palazzeschi werd in 1885 geboren in Florence en zou zich in 1941 definitief in Rome vestigen om er in 1974 te sterven. Hij heeft het Ara Pacis monument gekend zoals het tijdens Mussolini’s Italië was gerealiseerd .

In Palazzeschi’s Romeinse tijd waren de 14° eeuwse kerk en haar beroemde trappen onveranderd gebleven.

Het woord ‘Mara’ is in het hedendaagse Italië een gangbare vrouwelijke naam. Daarentegen is het woord ‘Amara’ (bitter) in gebruik als adjectief met een vrouwelijke uitgang, niet als eigennaam.

Het Latijnse ‘Ara’ betekent altaar of tempel, maar het is vermeldenswaard dat het woord in oudere dialecten ook voorkomt in de zin van een zonovergoten open ruimte waar het graan wordt gedorst. Op middeleeuwse handelsmarkten in de Franse regio Champagne en in Vlaanderen riepen de  kooplui het woord ‘ara’ om het einde van de onderhandelingen in te luiden en het begin van de betalingen.

Ik wil nog wijzen op de niet meer gangbare Latijnse uitdrukking ‘Amore, more, ore, re’, die men bijvoorbeeld kan vinden in het boek van Nicolaas Witsen, Noord en Oost Tartarye, Amsterdam 1705. Om vast te stellen of Palazzeschi mogelijk werd geïnspireerd door deze uitdrukking, zowel voor het hier vertaalde gedicht als voor het andere met vier mannennamen in de titel: Oro, Doro, Odoro, Dodoro, zou ik de kritische editie van de bundel uit 1905 waarin de gedichten verschenen, moeten raadplegen. De huidige omstandigheden laten dit echter niet toe.

Geen moment zien ze op

Ten slotte nog een opmerking over het dobbelen, dat nooit een goede reputatie heeft genoten. In het oudere Italiaans werden voor dit spel ook wel de klanknabootsende woorden cricca of trictrac gebruikt. Bij dit laatste spel, in het Nederlands bekend als triktrakken, werden ook dobbelstenen gebruikt. Ed. de Jongh citeert in zijn boek Tot lering en vermaak een embleemboek uit 1596 waarin men dit vers kan lezen: ‘Naar Gods wil valt de dobbelsteen van ons lot gelijk de dobbelstenen bij het spel geworpen worden’. Het embleem heeft als motto  ‘Ita est vita hominum’, zo is het leven van de mens.

Voor de Italiaanse tekst Ara Mara Amara

Aantekeningen

 

Uit de bundel: I cavalli bianchi [De schimmels], Florence, 1905. Een kritische editie werd uitgebracht door Adele Dei, A. Palazzeschi, Cavalli bianchi, Edizione critica a cura di Adele Dei, Parma, Edizioni Zara 1992.

Ed. de Jongh, Tot lering en vermaak. Betekenissen van Hollandse genrevoorstellingen uit de zeventiende eeuw, Rijksmuseum, Amsterdam 1976, p. 111. Zie dbnl.org

 

Muizenissen van gouverneur Luca Zaia

‘Iedereen heeft ze gezien, de Chinezen die levende muizen en dergelijke eten.’

Deze weinig diplomatieke uitspraak kon men op 29 februari 2020 horen op een Italiaanse locale TV-zender. De auteursrechten ervan zijn het onvervreemdbare eigendom van de gouverneur van de regio Veneto. Hij werd geïnterviewd over de gang van zaken rond het coronavirus in de 5 miljoen inwoners tellende regio, waarvan hij de politieke leiding heeft. Zijn naam is Luca Zaia. Hij behoort tot de vooraanstaande politici van de Lega. Zijn politieke baas is Matteo Salvini.

De dag erna gaf hij het volgende commentaar op de wassende stroom van verontwaardigde reacties: ‘Ik geef toe de zin niet zo gelukkig gekozen was … als iemand zich erdoor gekwetst voelt, dan mijn excuses daarvoor’. Hij voegde eraan toe: ‘Het was niet mijn bedoeling te generaliseren…’

Arthur van Schendel schreef ooit: ‘… je zit weer te piekeren, over muizenissen zonder grond.’ Van Schendel heeft voor en tijdens de tweede wereldoorlog in Italië gewoond. Wie weet wat hij over Zaia’s weerzinwekkende uitlating zou hebben gedacht. Hij heeft immers gezien waartoe op superioriteitsdenken gebaseerde uitspraken kunnen leiden: stimatisering, isolatie, uitsluiting en geweld.

Enige dagen eerder, op 24 februari, werd in Como een bejaarde Chinese heer op straat aangevallen door twee Italiaanse jongens van  15  of 16 jaar. Zij werden door een Italiaanse veertiger aangepakt en maakten zich vliegensvlug uit de voeten.

Noot.
Dit is het fragment van één minuut en tien seconden uit het genoemde interview: TV uitzending van Antenna3 (Italiaans). En dit is de zin in de contekst:

«L’igiene che ha il nostro popolo, i veneti e i cittadini italiani, e la nostra formazione culturale ci portano a farci la doccia, lavarci spesso le mani e stare attenti alla pulizia e all’alimentazione. E’ un fatto culturale. La Cina ha pagato a caro prezzo quest’aspetto. In fondo li abbiamo visti tutti mangiare topi vivi e altre robe del genere.»

Wikipedia heeft een pagina (Eng.) over hem (de Nederlandse is lang niet bijgewerkt).