Albert Verwey overtuigend gebloemleesd in het Italiaans

Het onderstaande artikel ‘Albert Verwey overtuigend  gebloemleesd ‘ verscheen op 21 juli 2021 in het online tijdschrift Neerlandistiek, zie hier. Ik heb enkele storende fouten verbeterd, maar verder bleef de tekst ongewijzigd.

Giorgio Faggin

In Italië hebben wij een vertaler die Albert Verwey in zijn hart heeft gesloten. Albert Verwey overtuigend gebloemleesd in het ItaliaansBegin juli viel zijn bloemlezing Cara terra uit de lyriek van de Noordwijkse dichter in de bus. Zijn naam is Giorgio Faggin. Bij het eerste doorbladeren van het boek, moest ik denken aan het enthousiaste artikel op Neerlandistiek van Marita Mathijssen over de Italiaanse vertaling, gemaakt door Patrizia Filia, van de kwatrijnen van Jacob Israël de Haan. Welnu, ook Faggins tweetalige Verwey-anthologie verdient lof.

Faggins eerste Verwey-vertalingen verschenen in 2012 in het Milanese literaire tijdschrift Hebenon. Hij publiceerde toen negen gedichten. De neerlandicus Marco Prandoni, hoogleraar aan de Universiteit van Bologna, plaatste onze dichter voor de Italiaanse lezers in een beknopte maar duidelijke literair-historische context. Maar Faggin zat niet stil. In 2015 publiceerde hij een mooie en evenwichtige bloemlezing uit het werk van acht Tachtigers, inclusief lyriek van Verwey.

Er waren al eerder enkele vertalingen verschenen. Ik noem die van Giacomo Prampolini uit 1927, zeven gedichten omgezet in proza. En dan Massimo Spiritini, die twee gedichten vertaalde en ze in 1939 publiceerde. In 2016 verscheen in een Romeins tijdschrift een gedicht vertaald door Marco Brancaleone. Dit magere resultaat laten we voor wat het is en richten nu onze aandacht op Giorgio Faggin, die met de bundel Cara terra het aantal in het Italiaans vertaalde gedichten van Verwey van acht op vijfenveertig brengt.

De titel

De titel Cara terra lijkt mij welgekozen en met aandacht voor onze tijd. We vinden de titel terug in het eerste vers van Verweys gedicht Aarde (p. 6-7), vertaald als Terra:

Se non ti amassi tanto, cara terra, […]

dat correspondeert met:

Als ‘k u zo lief niet had, mijn aarde, zou ik […]

Hier zien wij direct een essentiële karakteristiek van Faggins aanpak. Hij vertaalt niet letterlijk, want dan zou er immers hebben gestaan: mia terra. Niet alleen past ‘cara’ beter in het ritme van de vijfvoeter, maar bovendien geeft het adjectief een algemene affectieve waarde aan ‘aarde’ door het los te maken van het beperkende ‘mijn’. Tegelijk wordt echter het individuele aspect van de affectie behouden. Hij laat het beklemtoonde ‘zo’ weg, en terecht, want dat zou het ritme maar verstoren.

Faggin hecht veel belang aan ritme in zijn vertalingen en dat is indachtig Verwey, die immers schreef ‘Metrum is iets dat niet bestaat, het eenige wat bestaat is ritme.’ (Verwey, 1931, p. 9) Ook al nam hij dat later enigszins terug. Faggin laat zich ook niet verleiden tot pogingen om aan het eindrijm vast te houden. Ook al een verstandige keuze, want dat leidt soms tot desastreuze gevolgen. Na lezing van Faggins vertalingen van Verweys gedichten – in totaal vierenveertig – en zijn selectie van de Tachtigers, lijkt het mij gerechtvaardigd te zeggen, dat door zijn uitstekende kennis van zowel de bron- als de doeltaal zijn vertalingen zeer geslaagd zijn.

Stille nacht

Faggin weet bovendien fraaie oplossingen te bedenken voor lastige probleempjes. Een mooi voorbeeld is het laatste gedicht in de bundel. Ik zet de beide versies onder elkaar.

Stille nacht

Er zijn zo hoge tonen
En zo lage
Dat mensenoren
Ze niet horen.
Mogelijk wonen
In bos of hage
Vogels voor ons verborgen
Zingende tot de morgen.

En de vertaling:

Notte silenziosa

Echeggiano nei boschi e nelle siepi
suoni talmente alti,
toni così profondi,
che non c’è orecchio umano che li ascolti.
Chi canta? Sono forse
invisibili uccelli
che all’uomo si nascondono
e cantano finché non spunta il giorno.

Terwijl Faggin het gewoonlijk met minder woorden toe kan, heeft hij er hier tien meer nodig. In dit geval zijn de samenstellingen niet van invloed. Het woord ‘mensenoren’ wordt in het Italiaans ‘orecchio umano’. Het adjectief ‘umano’ neemt het meervoud voor zijn rekening, ook al is ‘orecchio’, ‘oor’, enkelvoud. In de Nederlandse versies van de gedichten tel ik een dertigtal samenstellingen waaronder ‘lichtgespeel’, ‘zonnevuur’, ‘stralenroos’. Veel van deze woorden zijn obsoleet geworden, zoals ‘zeegezang’ (p. 49). Maar Faggin vindt gewoonlijk elegante oplossingen. Dit aspect van het vertalen zou zeker meer aandacht verdienen.

Herschrijven

Faggin heeft de twee Nederlandse volzinnen in Stille nacht herschreven en de inhoud van het gedicht adequaat overgebracht. Vers 5 begint echter met de vraag: Chi canta?, Wie zingt er?, maar de vraag is niet aanwezig in het origineel! Het is een fraaie vondst, die past in de logica van de Italiaanse versie. Verweys ‘Mogelijk’ impliceert deze vraag tot op zekere hoogte. In het Italiaanse ‘forse’ (misschien) bespeuren we een dergelijke connotatie, maar zeer zwak. Zonder de vraag ‘Chi canta?’ zou het vers aanzienlijk minder duidelijk zijn en het gedicht er ritmisch onder lijden. De vraag Chi canta? is een uitstekend gekozen oplossing om het antwoord op het raadsel in de eerste volzin van het gedicht te introduceren en net als Verweys ‘Mogelijk’ (vs 5) volledig toegerust op de taak van keerpunt. Verwey gebruikt het procedé overigens ook zelf. Zie vs 1 van het gedicht De Liefdegift, Il dono dell’amore:

Geluk? Ik heb het u gegeven

door Faggin zònder de vraag vertaald als

Te l’ho donato la felicità

in de voltooid tegenwoordige tijd en een poëtische woordvolgorde. Naar mijn gevoel een uitstekende weergave in de doeltaal.

Lofzang

Met de woorden een ‘lofzang op het leven’, un inno alla vita, karakteriseert de eerder genoemde Marco Prandoni het werk van Albert Verwey. Faggin citeert deze woorden aan het begin van zijn nawoord (p. 80-83),  waarin hij uitlegt waarom Verwey in zijn tijd populair was.

In de gedichten vindt men het thema ‘lofzang’ op het leven terug. Bijvoorbeeld in een gedicht uit 1903 over de vraag of dan toch echt àlles vergankelijk is. Vers 1: ‘Helaas, elk tijdlijk ding vergaat’. Maar tegenover het tijdelijke stelt Verwey de Eeuwige Liefde, die hij in het Leven ziet. Ik laat in beide versies het eerste kwatrijn weg:

[…] Eppure t’amo, Vita, che fai vivere
nel tutto anche me stesso;
ti amo perché sempre
tremi in ogni creatura.

Ti amo perché sempre
l’umanità diversa tieni unita;
ti amo perché ognora sento in te
l’Amore Eterno.

En het origineel:

[…] Ik heb u lief, Leven dat leeft
In elk ding als in mij –
Ik heb u lief die nacht en dag
Door alle levens leeft.

Ik heb u lief die nacht en dag
Oneenbre wezens eent –
Ik heb u lief in wien ik steeds
De Eeuwige Liefde zag.

De Idee

Sinds Vestdijks studie over Verwey kunnen we het motief Eeuwige Liefde benoemen met het  begrip ‘Idee’, dat volgens hem dè karakteristiek van Verweys werk is. Maar er is meer. Het lijkt mij, dat we bij de typering van Prandoni ook het lijden en de dood moeten betrekken, want dat zijn immers dimensies van het leven. Ik geloof dat Faggin dat goed heeft aangevoeld, want hij neemt in zijn bloemlezing vier gedichten op met het motief dood: [Bedenk hoe schoon wanneer wij zijn gestorven] (pp. nl: 24-it: 25), De gestorvenen (44-45), Bij de dood van een kind (56-57) en Schuif op naar ’t graf (pp. 74-75), en één over het lijden: De last van het leed (54-55). En we kunnen bij ‘lofzang’  ook gedichten over de ‘aardse’ liefde betrekken: Het aarde-lief (30-31), Verliefden (36-37), De liefdegift (66-67), maar zeker ook Weerkeer (38-39). De onlosmakelijkheid van leven en dood vinden we ook in het gedicht Waar in de laagten mensen wonen, uit de bundel De weg van het licht uit 1922. De laatste strofe luidt aldus:

Daar is ’t een derven en verwerven
Niet anders dan van ’t eerste paar,
En schoon als t‘ leven komt het sterven
Voor mens en dier als voor het jaar.

Door Faggin vertaald als:

Acquisto en privazione ci saranno
sempre per tutti dacché mondo è mondo.
E bello come il vivere, il morire
coglierà l’uomo, l’animale e il tempo.

En om af te sluiten: Faggin selecteerde voor deze bundel tevens een aantal gedichten waarin de natuur centraal staat. Ik noem er twee: De zee (40-41) en De boom (52-53). En het is zeker geen toeval dat Faggin het gedicht Dante opneemt. Niet alleen omdat Verwey de Divina Commedia in het Nederlands vertaalde, maar 2021 is het 700 honderdste geboortejaar van de Dichter.

Tot slot

Faggin presenteert in totaal 37 gedichten: vijfentwintig ongepubliceerde en de twaalf die in 2012 verschenen in het tijdschrift Hebenon. Strikt genomen tel ik negentien ongepubliceerde gedichten, want zes verschenen eerder in de bundel van 2015. Het zij Faggin vergeven, want Cara terra is een uitstekend werkstuk, dat een chronologisch gerangschikte keuze biedt uit vijftien van Verweys bundels die gaan van 1896 tot 1936. De vertaler geeft voor alle gedichten nauwkeurig aan uit welke bundels ze afkomstig zijn. Daarmee krijgt de Italiaanse lezer een met zorg samengestelde en naar mijn mening bewonderingswaardig vertaalde selectie uit de omvangrijke lyrische productie van Albert Verwey, die in Giorgio Faggin een Italiaanse toegewijde heeft.

Bibliografie

  1. Maurizio Brancaleoni, “‘Io sono un Dio’: La poesia degli Ottantisti”. In: Quaderni del Premio Letterario Giuseppe Acerbi, vol. 26 (2016), pp. 78-87.
  2. Giorgio Faggin, “Cara Terra. Liriche scelte di Albert Verwey”. In: Hebenon, XVII (2012) 9-10, pp, 61-73.
  3. Giorgio Faggin, Gli Ottantisti (Tachtigers), Vicenza: Accademia Olimpica, 2015, pp. 34-45.
  4. Marco Prandoni, “Albert Verwey”. In: Hebenon, XVII (2012) 9-10, pp. 56-60.
  5. Giacomo Prampolini, La letteratura olandese e fiamminga (1880-1924), Rome: Stock, 1927, pp. 15-18. [Prampolini neemt prozavertalingen van zeven van Verwey’s gedichten op.]
  6. Massimo Spiritini (red.), Poeti del mondo: Interpretazioni di lirici. Milaan: Garzanti, 1945² (1939¹). [Bevat gedichten van: J. Perk, W. KIoos, H. Schwartz, F. van Eeden, L. Couperus, A. Verwey, H. Roland-Holst van der Schalk, P.C. Boutens, M. Nijhoff, L. de Bourbon, G. Gezelle, K. van de Woestijne, K. van den Oever e M. Gijsen.]
  7. Albert Verwey, Ritme en metrum, 1931. [Uitgave geciteerd op db.nl.]
  8. Albert Verwey, Cara terra. Novi Ligure: Joker edizioni, 2020. Bezorgd en vertaald door Giorgio Faggin.
  9. Simon Vestdijk, Albert Verwey en de Idee. Amsterdam: Polak & Van Gennep, 1965² (1939¹).

 

Umberto Eco over poëzie en Eugenio Montale

Interview met Eco

In een heel kort interview uit 1988 spreekt Umberto Eco over het grote belang van de poëzie voor zijn intellectuele vorming, en al snel blijkt dat vooral de gedichten van Eugenio  Montale hoog op zijn lijstje te staan.  Zie hier enkele citaten uit het interview.

In de tijd dat we werden geëvacueerd en in de provincie Monferrato ondergebracht, kreeg ik een schoolboek over poëzie in handen. Achterin was een bloemlezing opgenomen en daarin vond ik verzen van Quasimodo, Ungaretti en Montale. Ik las ze zonder er iets van te begrijpen en schreef ik er parodiën op. Op het lyceum werd ik enthousiast voor de contemporaine poëzie, iets waar niemand zich voor interesseerde. Tijdens de lessen las ik in het geniep Ungaretti, Quasimodo en Montale, maar ook Cardarelli, want dat was een andere liefde van toen. […]

Eugenio Montale

Op de vraag welke dichter op zijn generatie de meeste invloed heeft gehad, zegt Eco:

Montale, zonder enige twijfel.

Hoe was uw verhouding met Montale?

Op het persoonlijke vlak erg moeizaam. Hij was een ongedurig mens, en na twee minuten wist ik daarom al niet meer wat ik moest zeggen. Misschien kwam dat door het enorme verschil in leeftijd: voor hem was ik een broekie. […] Montale was een gesloten man. Hij was achterdochtig en alleen open met zijn vrienden. Onze verhouding was van mijn kant vol respect, en hij van zijn kant gedroeg zich zeer welopgevoed. Er werd weinig gezegd. […] Maar afgezien van onze persoonlijke verhoudingen was Montale mijn dichter!

En welke Montale heeft uw voorkeur?

Ik zou zeggen de eerste bundels : Ossi di seppia en Bufera.

En Montale dichter van de liefde?

Dat deel van zijn werk interesseert mij veel minder.

– Leest u hem nog?

Hij is een van de dichters die ik regelmatig herlees, ook al ken ik het meeste van zijn werk uit mijn hoofd.

Andere poëtische invloeden

Tot zover de vertaalde passages van Eco. Het valt op dat hij niet zegt wàt hem in Montale boeit. De dame die hem interviewde, vroeg er helaas niet naar. Eco noemt in het gesprek ook de Franse dichters Rimbaud, Mallarmé en Verlaine, die hij in het laatste jaar van het lyceum las. Eliots The Waste Land, zegt hij, ‘heeft op mijn vorming een enorme invloed gehad’. In de jaren na de oorlog las hij de met hem bevriende dichters Luciano Erba en Bartolo Cattafi. Hun werk volgde hij ‘bijna dagelijks’. Hij meldt verder, dat hij zeer nauw betrokken was bij de neo-avantgardistische Gruppo ’63. Na een intense omgang met poëzie in de jaren vijftig en zestig werd zijn bemoeienis met het genre steeds minder.

De bloemlezing

Na de tekst van het interview zijn tien gedichten van Eugenio Montale afgedrukt. Wie de keuze heeft gemaakt, is niet duidelijk. Uit de door hem genoemde bundel La bufera e altro (1940-1954) werd niets opgenomen. Dat was trouwens Montale’s derde bundel. De eerste acht gedichten zijn afkomstig uit Ossi di seppia waarvan de eerste druk verscheen in 1925. Er volgden tientallen herdrukken, soms herzien en uitgebreid met nieuw werk. Het eerste gedicht heeft als titel Falset (Falsetto, pp. 14-15), van de zes die volgen zijn dit de eerste versregels:

– ‘t Verwaaide geluid van een sistrum… (Debole sistro al vento… p. 46.)
– De knarsende katrol van de put… (Cigola la carrucola del pozzo, p. 47.)
– Ik denk weer aan je glimlach… (Ripenso il tuo sorriso… , p. 32.)
– Mijn leven, beginselen vraag ik je niet…  (Mia vita, a te non chiedo lineamenti… p. 33.)
– Bereikt geluk, voor jou loopt men… (Felicità raggiunta, si cammina… p. 40.)
– Het riet steekt zijn pluimen op…  (II canneto rispunta i suoi cimelli… p. 41.)

De bundel Le occasioni

Uit Le occasioni (1928-1939) zijn drie gedichten opgenomen. Ze komen alle drie uit de serie ‘Mottetten’, die in totaal 20 gedichten beslaat. Van het eerste vond ik een vertaling van Marko Fondse & Peter Verstegen (in De Tweede Ronde, 1981, n. 4, p. 154) :

Je weet: ik moet je weer verliezen en ik kan het niet.
Als door een voltreffer ben ik ondersteboven
van ieder werkgeluid, iedere kreet en ook de
zilte adem die van de havenhoofden
aangolft en die het donker voorjaar maakt
van Sottoripa.

Dorp van ijzer en masten
tot woud in het stof van de avond.
Aanhoudend gonzen komt van buitenaf,
tergend als nagels op glas.
Ik zoek ’t verloren teken, enig pand in genade
van jou gekregen.
En de hel staat vast.   (p. 139)

– Ik veeg de ijsdruppels van je hoofd (Ti libero la fronte dai ghiaccioli…, p. 150.)
– Afscheid, gefluit in het donker, gebaren, gehoest … (Addii, fischi nel buio, cenni, tosse … p. 143.)

Geen vertalingen

Van negen gedichten heb ik in de Digitale Bibliotheek Nederland geen vertalingen gevonden, maar het is natuurlijk mogelijk dat er in de bloemlezing De roos in de kermistent (Kwadraat, 1984) of op andere plaatsen enkele van de hierboven aangeduide gedichten zijn opgenomen.

De paginanummers verwijzingen naar: Eugenio Montale, Tutte le poezie, a cura di Giorgio Zampa, Milano: Mondadori, 19912. Mijn vertaling van de acht eerste versregels is provisorisch.

In de laatste zin in het interview zegt Eco tegen mevrouw Pansa, dat hij Montale’s werk uit zijn hoofd kent. Een tiental jaren later geeft hij een gehoor van enkele honderen studenten in Bologna het advies om ‘elke dag een paar verzen hardop te lezen en uit het hoofd te leren’. Dat versterkt het geheugen is zijn overtuiging. Mocht men geen gedicht bij de hand hebben, dan voldoet ook een lijstje spelers van het geliefde elftal. (Bericht gevonden in het tijdschrift Poesia, Anno XIII, n. 135, Milaan: Crocetti, 2000, p. 34.)

Aantekeningen

Het interview met Eco is opgenomen in de bloemlezing die werd Umberto Eco en de poëzie van Eugenio Montale samengesteld door Francesca Pansa, Amore amore: I poeti e gli scrittori italiani contemporanei raccontano il loro poeta più amato e ne presentano i versi a loro più cari, Roma: Newton e Compton editori, 1988, 50-52. [Liefde liefde: Hedendaagse Italiaanse dichters en schrijvers vertellen over hun geliefde  dichter en presenteren van hen de gedichten waarvan ze het meest houden].

Eco’s geboortestad Alessandria in Piëmont werd eind april, begin mei 1944 zwaar gebombardeerd door de gealieerden. Hij was toen 12 jaar.

Meer over de Italiaanse dichters die Eco noemt:

Luciano Erba
Vincenzo Cardarelli
Bartolo Cattafi
Eugenio Montale
Salvatore Quasimodo
Giuseppe Ungaretti

Guccini: gedicht over Auschwitz, uit 1964

Guccini 80 jaar

Guccini: gedicht over Auschwitz, uit 1964
Francesco Guccini in 2016 (bron wiki)

Francesco Guccini: gedicht over Auschwitz. Op 14 juni 2020 is de populaire Italiaanse zanger Francesco Guccini 80 jaar geworden. In dit stukje komt zijn gedicht over ‘Auschwitz. Lied van het kind in de wind’  ter sprake.

Toen hij op 14 juni 1940 werd geboren, waren er nog maar vier dagen verstreken na de Italiaanse  oorlogsverklaring aan Engeland en Frankrijk. Italië schaarde zich daarmee definitief aan de kant van agressor Duitsland, die negen maanden eerder in Europa in een oorlog had ontketend waarbij in korte tijd de hele wereld zou worden betrokken en tot 1945 zou gaan duren.

Over de meest tragische van de gebeurtenissen uit die periode, de moord op zes miljoen Joden door de Duitse nationaalsocialisten, schreef Guccini in 1964 het lied “Auschwitz. Lied van het kind in de wind”.

Vertalingen

Van dit lied bestaan veel vertalingen waaronder ook een Nederlandse.  Op de website AntiwarSongs vindt u de verschillende versies. Guccini heeft het lied in wat kortere en langere versies gezongen: deze is uit 1982.

In 1964 had hij in de periode van voorbereiding op een tentamen Latijn het lied tijdens een onderbreking gemaakt, zowel de muziek als de tekst. Enkele weken ervoor had hij een boek van Primo Levi gelezen: Tu passerai per il camino, ofwel: Jij zult door de schoorsteen gaan.

Guccini vertelt deze herinnering in deze video uit 2014 tijdens de presentatie, in een zaal van het Italiaanse parlement, van de documentaire over de reis naar Auschwitz.  Die reis had hij samen met een groep scholieren gemaakt, dus vijftig jaar na de compositie van het lied. Zijn geheugen liet hem echter in de steek, want het boek dat hij toeschrijft aan Levi was in werkelijkheid van de hand van de verzetsman Vincenzo Pappalettera (1919-1998). Het is een aangrijpend boek over Mauthausen en kwam voor het eerst uit in 1967. Ik neem aan dat de zanger Levi’s befaamde boek over Auschwitz had gelezen, Is dit een mens, waarvan de eerste editie dateert uit 1947. Het zij hem vergeven.

Een wikipedia pagina over Guccini.

Vertaling

Hieronder de Nederlandse versie. Van wie de vertaling is, wordt niet vermeld.

Auschwitz. Lied van het kind in de wind

Bij duizenden zijn kinderen
Door de schoorsteen weggevlogen
En zo ben ik ook, in de rook,
En nu ben ik in de wind,
Nu ben ik in de wind.

Het sneeuwde in Auschwitz,
De rook ging langzaam op
In de koude winterdag
En nu zijn we in de wind,
Nu zijn we in de wind.

In Auschwitz, hoeveel mensen!
Men allemaal in ’t zwijgen…
Zo raar, dat een kind
Niet glimlacht in de wind,
Niet glimlacht in de wind.

Ik vraag mij, hoe kan een mens
Zijn broeder zo licht doden?
Niettemin zijn miljoenen
In wind opgegaan,
In wind opgegaan.

Nogmaals dondert het kanon,
Met bloed zijn deze onmensen
Niet nog verzadigd,
En nog zijn we in de wind,
En nog zijn we in de wind.

Ik vraag mij, wanneer zal’t zijn?
Wanneer zullen we leren
Te leven, en niet te doden?
Zal de wind eindelijk ophouden?
Zal de wind eindelijk ophouden?

Ik vraag mij, wanneer zal’t zijn?
Wanneer zullen we leren
Te leven, en niet te doden?
Zal de wind eindelijk ophouden?
Zal de wind eindelijk ophouden?

Het Italiaanse origineel:

Auschwitz.

Son morto con altri cento
Son morto ch’ero bambino
Passato per il camino
E adesso sono nel vento,
E adesso sono nel vento.

Ad Auschwitz c’era la neve
Il fumo saliva lento
Nel freddo giorno d’inverno
E adesso sono nel vento,
E adesso sono nel vento.

Ad Auschwitz tante persone
Ma un solo grande silenzio
È strano, non riesco ancora
A sorridere qui nel vento,
A sorridere qui nel vento

Io chiedo, come può un uomo
Uccidere un suo fratello
Eppure siamo a milioni
In polvere qui nel vento,
In polvere qui nel vento.

Ancora tuona il cannone,
Ancora non è contenta
Di sangue la belva umana
E ancora ci porta il vento,
E ancora ci porta il vento.

Io chiedo quando sarà
Che l’uomo potrà imparare
A vivere senza ammazzare
E il vento si poserà,
E il vento si poserà.

Io chiedo quando sarà
Che l’uomo potrà imparare
A vivere senza ammazzare
E il vento si poserà,
E il vento si poserà.

 

 

Fausto Maria Martini Ze slaapt, een gedicht

Het gedicht van Fausto Maria Martini ‘Ze slaapt’ dateert uit 1906. Men deelt deze kunstenaar gewoonlijk in bij de zogenaamde schemerdichters.  Volgt mijn versie van de drie quartine.

Dorme

Annie dorme: un chiaror discreto
avvolge come in un segreto
la bruna testa, china giù
sullo scrittoio d’acajù.

Nell’ombra, un suo braccio scoperto
ancora tocca un libro aperto:
intorno a quella nudità
rosea, trema l’oscurità…

Annie, per quale lontananza
la dolce anima tua s’avanza,
mentre riposi, china giù
sullo scrittoio d’acajù?

Ze slaapt

Annie slaapt: een zacht licht
omhult als in een geheim
haar bruine hoofd, dat rust
op de schrijftafel van mahonie.

In de schaduw ligt haar blote arm
nog op een nog geopend boek:
rondom deze roze naaktheid
trilt de duisternis…

Annie, naar welke verte
reikt je zoete ziel,
terwijl je rust, met je hoofd
op de schrijftafel van mahonie?

De dichter

Fausto Maria Martini zag het levenlicht op 14 april 1886 in Rome. Hij stierf er op 12 april 1931. Fausto Maria MartiniEen studie rechten onderbrak hij om zich vol overgave aan de letteren te kunnen wijden. Hij schreef aanvankelijk poëzie, maar na de eerste wereldoorlog alleen nog proza. Vanaf 1903 animeerde hij met de dichter Corrado Govoni en een tiental anderen de kring rond Sergio Corazzini (1886-1907). De groep kunstenaars kwam bijeen in het Romeinse Caffè Sartoris. In het najaar van 1905 werkte hij mee aan de oprichting van het veertiendaagse culturele tijdschrift Cronache Latine.

Zijn eerste bundel verzen Le piccole morte verscheen in 1906. Een jaar later volgde «Panem nostrum». Zijn derde en laatste bundel Poesie provinciali verscheen in 1910. Martini’s dichtwerk past binnen de literaire stroming ‘schemerdichters’, i crepuscolari. Na de laatste bundel legde hij zich toe op verhalend proza: romans en toneelstukken. Martini was tevens actief als toneelcriticus.

Hij werd en wordt door de literatuurcritici als een ‘middelmatige’ exponent van de schemerdichters beschouwd. Toch veroverde hij in de belangrijkste bloemlezingen een bescheiden plaats. In 2007 kwam een uitgave van zijn verzamelde gedichten op de markt.

Aantekeningen

  • In: Le piccole morte, 1906. (De kleine doden.) Voor de vertaling heb ik de tekst gebruikt die is opgenomen in de bloemlezing van Segre e Ossola 2004, p. 86.
  • Het Italiaanse origineel kunt u hier in een pdf downloaden: Dorme
  • Over Martini toneelschrijver vindt u hier een artikel uit 1926. Het is beschikbaar in de Digitale bibliotheek Nederland. Er is ook een Nederlandse wikipedia pagina.

 

Terug naar mijn stad. Een gedicht van Vincenzo Cardarelli

Vincenzo Cardarelli publiceerde het gedicht Terug naar mijn stad in 1942.

Terug naar mijn stad
[Na twee oorlogen]

1

O wrede herinnering, wat heb je gedaan
met mijn stad?
Een stad van spoken
waar niets is veranderd behalve de levenden
die van de doden de plaats bezetten.
Alles staat hier stil, als betoverd,
in mijn herinnering.
Ook de wind.

                    2

Hoe dikwijls, o mijn geboortestad,
kwam ik in je om dat te zoeken
wat mij ’t meest eigen is én wat ik verloren heb.
De oude wind, de oude stemmen,
en de geuren en de seizoenen
van een, ach, eens geleefde tijd.

De dichter

Vincenzo Cardarelli werd vandaag, 1 mei 2020, precies 113 jaar geleden, geboren in Tarquinia, bekend om haar Etruskische dodenstad. Ter herinnering aan zijn geboortedag mijn vertaling van het  gedicht, dat hij als eerste van drie opnam in de afsluitende afdeling van zijn bundel Poesie. In april 1942 publiceerde uitgeverij Mondadori de bundel.

Een roman van Rosita Steenbeek

Behalve dit ongebruikelijke geboortejaar was er nog een motief om aan Cardarelli aandacht te besteden. De afgelopen dagen las ik de roman Schimmenrijk van Rosita Steenbeek. Behalve Rome heeft het boek vooral Tarquinia als plaats van handeling. De laatste drie verzen van de eerste strofe gebruikt Rosita Steenbeek in een iets andere versie in haar vertelling als literair motief. Daarover gaat dit stukje. Het is dus geen bespreking van deze boeiende roman, waarin de dood het dominerende thema is.  Een ook het gedicht van Cardarelli Terug naar mijn stad komt er slechts gedeeltelijk in voor.

Foto Silvia Longo.
Foto Silvia Longo.

Het sleutelpersonage Antero Curunna toont Lisa van der Meer, de hoofdpersoon van Nederlandse afkomst die in Rome woont en werkt, de gedenksteen van de schrijver van het hierboven gepresenteerde gedicht (p. 62). Het (marmeren) voorwerp ligt in een perkje in het centrum van de stad en heeft de vorm van een boek. Op de  opengeslagen pagina’s zijn de drie versregels aangebracht: ‘Hier is alles stil, als betoverd, in mijn herinnering ook de wind.’ In mijn vertaling heb ik ‘hier’ (bijwoord van plaats) iets verschoven. In het origineel staat achter ‘herinnering’ een punt. Over het belangrijke woordje ‘hier’ zal ik het zo nog hebben.

In het voorlaatste hoofdstuk laat Steenbeek het motief ‘Cardarelli’ terugkomen. Lisa en haar vriendin Angela gaan’s nachts op weg naar de necropolis om de graftombe beter te bekijken. Angela graaft net als met haar bevriende stadsgenoot Antero illegaal naar Etruskische schatten. Zij moeten om er veilig te komen over de muur klimmen van het kerkhof, dat buiten de stad ligt en grenst aan het gebied van de necropolis. Tarquinia’s grootste poëet Cardarelli, althans volgens de grafrover Antero die zich hier bij hen voegt, is op dit stadskerkhof bijgezet in een sarcofaag. Terwijl zij er gedrieën voor staan, declameert Antero opnieuw de versregels: ‘Hier is alles stil, als betoverd, in mijn herinnering ook de wind.’ (p. 222, in de tekst cursief).

In deze context verwijst het woordje ‘hier’ naar het kerkhof waar zij zich bevinden en naar de necropolis waar zij enkele minuten daarna zullen zijn om de door hen eerder in het boek illegaal opengelegde Etruskische graftombe opnieuw te bekijken.

Als we nu even terugkeren naar het marmeren boek in het gras, dan kunnen we met enige reden vaststellen en  interpreteren dat ‘hier’ verwijst naar de stilte die is gevolgd op de dood van de dichter.

Kijken we vervolgens naar het gedicht, dat voor alle duidelijkheid niet in de roman voorkomt. In de titel en vers twee lezen we ‘mijn stad’, dus Tarquinia, de geboortestad van Cardarelli. Er is geen twijfel, dat hij met het bijwoord ‘hier’ naar haar verwijst.

De manier waarop het functioneert in de roman veroorzaakt een lichte verschuiving in de betekenis. Terwijl er in de context van het gedicht sprake is van een fatale stilstand, een dodelijke onbeweeglijkheid van de stad en haar bewoners, gaat het bij het boek in het perkje en op het kerkhof om de moderne en de antieke Etruskische dodenakkers. Gemeenschappelijk aan beide omgevingen is de dood, het thema dat in het boek van Rosita Steenbeek in de meeste situaties waarin de personages zich bevinden een prominente rol speelt, waarbij heden en verleden vaardig in elkaar gevlochten worden.

Daarentegen heeft het gedicht van Cardarelli Terug naar mijn stad meer specifiek de stad zelf, haar bewoners en het verleden van de dichter tot onderwerp. In de tweede strofe toont de dichter bevangen te zijn door een onbuigbare weemoed.

Eerbewijs aan Cardarelli

Niet lang na het overlijden van de dichter in 1959 ontdekten archeologen op de heuvel Monterozzi een nieuwe graftombe. Men besloot die als eerbetoon naar de dichter te vernoemen: ‘Tomba Cardarelli’.

Plattegrond

Links een plattegrond met waarop de plaats van de Cardarelli tombe staat aangegeven.
Hier vindt u een Franse Wikipedia pagina over de graftombe.
En hier een link naar een 3D simulatie op Youtube die 4.53 minuten duurt.

Aantekeningen

Vincenzo Cardarelli, Poesie. Prefazione di Giansiro Ferrata. Verona: Mondadori, 1948, 5e druk. De eerste druk kwam uit in april 1942. Zie deze PDF met de laatste drie gedichten in het Italiaans.
Rosita Steenbeek, Schimmenrijk, Amsterdam: Prometeus, 2000, 5e druk.