De dood van de kat, door Italo Svevo

Van het onderstaande verhaal De dood van de kat verscheen voor zover ik heb kunnen nagaan niet eerder een Nederlands vertaling.

1

Een grote kat zat op zijn gemak op de kussens van de koets die zojuist in De dood van de kat, door Italo Svevode schuur was gezet. Hij keek naar de vrouwen die de was hadden gedaan en een emmer water op het vuur gooiden voor ze vertrokken. De lucht werd vochtig en warm van de damp die door de lucht trok. De kat dacht: ‘Wat is het toch goed dat zoveel mensen aan mij denken. Buiten giert de bora en ik moest afzien van mijn vaste wandeling, die ik doe als Tyras in het huis is en Turco nog aan de ketting ligt. Vervloekte beesten! Ik zou hen wel met rust laten en het ontgaat me waarom we niet allemaal in vrede kunnen leven rond onze baas Gioachino.

Ze beweren dat ik niet geliefd ben in het huis. Maar voor wie anders dan voor mij zou dit gesloten rijtuig dan in de schuur zijn gezet? Vandaag stormt de bora en ik zit hier goed. In de open koets begon het trouwens al wat te koud te worden. Jammer dat ze de raampjes van deze niet hebben dicht gedaan.’

‘Goed dat Tony zo’n precieze koetsier is,’ dacht de kat, ‘die eraan denkt de schuurdeuren te sluiten. Dan loop ik tenminste niet het risico gewekt te worden door de hatelijke geluiden van Turco, zoals in die nacht waarin ik van een diepe slaap in een keihard gevecht belandde. Het kostte me grote plukken haar en het vel van mijn rechterpoot.’

2

Hij zag alle details van die strijd weer voor zich. Op een zeker ogenblik wist hij met een uiterste krachtinspanning en ondanks het bloedverlies, met een ferme sprong het hoog opgetaste brandhout te bereiken. Eenmaal veilig boven begon hij direct zijn wonden te likken, terwijl Turco tevergeefs opsprong, wetend nog slechts de dreiging als wapen te hebben. Het was geen mooie nacht geweest. En die avond aarzelde de kat om de loods weer binnen te gaan. Maar hij ging! De koetsier die de deuren open had laten staan, was door Gioachino ontslagen en de nieuwe leek een oplettend type. Daarom had hij er goed aan gedaan om het koetshuis weer binnen te betreden en vanaf die tijd waren zijn nachten rustig geweest.

Met deze gedachten viel de kat in slaap. Hij droomde dat Gioachino het omliggende land had gekocht en verklaarde: ‘Dit terrein bestem ik uitsluitend voor de katten. Geen enkele hond zal het mogen betreden. En om er voor te zorgen dat de kat ’s avonds kan slapen in de schuur waaraan hij zo gehecht is, zullen Tyras en Pronto aan de ketting worden gelegd.’ Van Tyras kan ik het begrijpen, die heeft immers zijn plaats aan de ketting. Maar voor Pronto moet men een nieuw hok inrichten. Wat een kostenpost!

De kat werd wakker. Zijn zoete dromen waren verstoord. Hij voelde zich erg beroerd en begreep niet waar het vandaan kwam. ‘Er is natuurlijk weer een hond in de loods’, dacht hij, trots op zijn instinct. Voorzichtig en geluidloos zette hij zijn voorpoten op het portier en keek naar buiten. Er waren geen honden. Die stompzinnige en rumoerige beesten zouden zich meteen hebben verraden. In de schuur hing een dichte rook. Dat was natuurlijk de stoom van het water dat de vrouwen op het vuur hadden gegooid.

3

De kat bleef onrustig en waaks. Wat hij vanuit die positie buiten hem waarnam, bracht een sterke innerlijke onrust teweeg. Hij voelde zich onwel. Het bloed suisde door zijn oren en een dikke waas hing voor zijn ogen. Over zijn ademhaling was hij ontevreden. Hij sprong uit de koets, maar zijn poten begaven het en hij rolde met geweld over de grond en bezeerde zijn dijbenen. Hij kwam bij de open haard tot stilstand. De stenen waren bloedheet!

Toen sleepte zich de kat met zijn uiterste krachten naar de houtstapel die hem de vorige keer had gered. Hij klom erop, tot aan het hoogste punt. Hij keek rond. Rode schijnsels trokken door de rook en kwamen vlak bij hem. De kat sprong op. Hij voelde hoe het kwaad door zijn bek en neus in zijn lichaam drong. Hij omklemde een stuk hout en legde zijn bekje erop om niet te hoeven ademen. ‘Ik laat ook deze koetsier ontslaan’, dacht hij.

Hij voelde dat hij van de houtstapel naar beneden rolde, maar een diepe slaperigheid belette hem om zich vast te grijpen. Hoe lang rolde hij al zo? Het leek hem dat hij steeds verder viel, steeds verder en verder; en toch voelde hij niets.

Aantekeningen

NB. De paragraafnummers heb ik aangebracht voor de leesbaarheid.

  • De titel van dit korte verhaal is van Italo Svevo, die het neerschreef in het album van zijn dochter Letizia. De datum is onbekend, maar Svevo schreef deze wat venijnige vertelling waarschijnlijk ná 1910, het jaar dat hij het werk van Sigmund Freud ontdekte. Daarop zou de opmerkelijke droom kunnen wijzen.
  • Het verhaal werd niet opgenomen in Italo Svevo, Alle verhalen. Amsterdam: Bert Bakker, 1989. Vertaling door Jenny Tuin. Zie hier over Svevo in Nederlandse vertalingen.
  • De tekening is van Angelo Canevari (1901-1955). Over hem weet ik niet meer dan dat hij als beeldhouwer en schilder werkte voor het regiem van Benito Mussolini.
  • Svevo’s verhaal deed mij denken aan dat van Jac van Looy: ‘Bij de dood van mijn poes’, uit 1889. Van Looy vertelt over zijn woede en het grote verdriet dat die ellendige geschiedenis hem bezorgt. Voor het verhaal van Jac. van Looy zie hier.

De Ferrarese katten van Torquato Tasso

Lang geleden

De Ferrarese katten van Torquato Tasso. Een klein poëtisch juweeltje.

Gedichten die katten en poezen tot onderwerp hebben, gaan ver terug in de geschiedenis van de Italiaanse literatuur. Het oudste voorbeeld dat ik ken, is een gedicht van de zestiende eeuwse Italiaanse dichter Torquato Tasso (1544-1595). Hij schreef een bijzonder sonnet. Frans van Dooren maakte er voor alle katten liefhebbende poëzielezeressen en -lezers een mooie  Nederlandse vertaling van.

De katten van het ziekenhuis Sint-Anna

Zoals de man die ’s nachts aan ’t scheepsroer staat,
terwijl de oceaan door storm bewogen
brullend wordt opgezweept en meegezogen,
zijn blikken doodvermoeid ten hemel slaat,

net zo richt ik me, O kat, in deze staat
van blinde rampspoed naar jouw heilige ogen,
die mij als ’t poolgesternte in den hoge
zowel lichtbaken zijn als toeverlaat.

Och, daar is nóg een katje, ’t lijkt nu wel
de Grote en Kleine Beer. O fijne, goede,
dierbare poezen, lampen van mijn cel,

dat God jullie voor stokslagen behoede
en voeden mag met melk en vlees!
O lichten, blijf mij nabij en help mij bij dit dichten!

In het origineel gebruikt Torquato Tasso de vrouwelijke vorm van het naamwoord: ‘gatta’, poes. Van Doorn vertaalt het terecht met katten, kat en katje, respectievelijk in de titel, vers 5 en vers 9. alleen in vers 11 vertaalt hij  ‘dierbare poezen’. Ritmisch lijkt mij dit een verstandige keuze. In de Italiaanse versie is het duidelijk dat het om twee poezen gaat, want gatta en gattina zijn vrouwelijke vormen. Men mag wel aannemen dat Tasso het heeft over moeder en dochter. In de vertaling van Van Dooren blijft dat onbeslist want duidelijke aanwijzigingen ontbreken.

Een zeker verlies

In het Italiaanse origineel is er een identificatie van ‘licht’ met de poezen, met hun ‘heilige ogen’ (v. 6), met het vrouwelijke, waarvan verlichting van de kwellingen wordt verwacht. De vertroosting komt voor Torquato Tasso alleen tot stand via het door het ‘licht’ geïnspireerde dichten, dat immers zijn métier is. Helaas gaat dit aspect in de vertaling bijna verloren.

In Ferrara De Ferrarese katten van Torquato Tasso

Tasso schreef het sonnet in de periode dat hij in Ferrara in het psychiatrisch ziekenhuis Sint Anna zat  opgesloten. Dat was van 1579 tot 1586. De afbeelding hiernaast reproduceert het schilderij dat Eugene Delacroix (1798-1863) maakte van de dichter in zijn cel.

Aantekeningen

  • De vertaling in: Frans van Dooren, Gepolijst albast. Baarn: Ambo, 1994, p. 180.
  • Zie in deze pdf het Italiaanse origineel.
  • Van Dooren vertaalde ook Tasso’s hoofdwerk uit 1581: Jeruzalem bevrijd, Amsterdam: Atheneum-Polak & Van Gennep, 2003.
  • Pagina wikipedia over de dichter in het Nederlands

De Romeinse katten van Hermans, een verhaal (1956)

Onbegrensde kattenliefde

Dit stukje gaat over de Romeinse katten van Hermans (1921-1995). Willem Frederik Hermans hield van katten. Deze liefde was geen capriccio, geen gril, maar een constante in het bestaan van de schrijver en zijn vrouw Emmy. Maar liefde voor levende wezens geeft nogal eens aanleiding tot opmerkelijk gedrag. Zeker bij mensen. We lezen dat Hermans in een zomerse nacht in het jaar 1955 door Rome dwaalde. Onder zijn arm had hij een oude krant met een maaltje sardines. Hij was op weg naar de katten die in de basiliek van Maxentius woonden. Een onweerstaanbare feliene liefde dreef de 34-jarige schrijver de duisternis in. De tocht toonde aan dat zijn liefde en zorg niet beperkt bleven tot zijn eigen katten, maar zich ook uitstrekten tot de verkommerde Romeinse. Leed Willem Frederik Hermans aan feliene empathie?

Ik koos uit het verhaal de passages die van zijn nachtelijke expeditie getuigen.

De katten van Rome

In donkere spleten en gangen bewegen soms schimmen.

Wie een poosje blijft staan bij een van de hekken die de valleien waarin de ruïnes staan, afsluiten, ziet hoe telkens een stuk vuil de gedaante aanneemt van een kat. Deze oude puinhopen zitten vol katten: rode katten, zwarte, vuilwitte, cyperse. Katten met huidziekten, katten met uitpuilende buiken, katten zonder staart, katten op drie poten, katten zonder oren, katten met zwerende ogen, oude katten, stervende katten en kleine katten die zich, drie of vier tegen elkaar aan, liggen te zonnen op een gebarsten brok marmer.

Waar leven zij van in deze meestal dorre woestenijen, waar vogels geen reden hebben neer te strijken?

[…] Maar de katten in Rome kunnen zelfs geen drinken vinden tussen hun omgevallen antieke zuilen.

’s Nachts om twee uur is Rome uitgestorven. De dofrode gebouwen staan als nachtmerries in het natriumlicht. Ik heb ’s nachts uren lang rondgelopen. Een oude krant met sardines had ik bij mij. De katten lopen dan in troepen over de straten. Er zijn in Rome overal drinkbakken, gemaakt van oude marmeren doodkisten, waar voortdurend een dun straaltje water in valt en daardoor altijd overlopen. Uit de plassen die zich er omheen vormen, komen de katten drinken. Zij zijn erg schuw. Het is mij niet dikwijls gelukt er een te aaien. Hun vel voelt vreemd aan, ruw, stoffig, kleverig. Eerder het vel van een vuile hond dan van een kat. Ja, de katten in Rome zijn zo verkommerd, zo uitgedroogd, dat zij zich zelfs niet meer kunnen wassen.

Iets meer over Hermans’ verhaal

Het stukje verscheen voor het eerst op 18 februari 1956 in het dagblad Het Vrije Volk. Hier het knipsel in Delpher. In de titel stond toen nog het woord ‘verkommerde’ en luidde: ‘De verkommerde katten van Rome’, maar in latere herdrukken heeft Hermans dit Het verhaal van Willem Frederik Hermans over de Romeinse katten is dit boekjeadjectief geschrapt. De Leidsche emeritus hoogleraar en Hermans-biograaf Willem Otterspeer nam ‘De katten van Rome’ op in het elegant uitgegeven boekje De geur van een pasgestoomde deken. De beste kattenstukken. Deze door Otterspeer geredigeerde bundel bevat nog meer kattenverhalen: De kat Kilo; De poes van Lenin; De dood in Dublin; verder een keuze uit zijn bijdragen aan de terecht beroemde  Poezenkrant; het essay De liefde tussen mens en kat, en het interview met Maria Roskam Abbing. Otterspeer leidt het boekje mooi in met een flink aantal wetenswaardigheden over Hermans’ leven met katten en poezen. Laat het toch niet ongelezen!

Aantekeningen

  • Eerste publicatie in Het vrije volk Democratisch-socialistisch dagblad, 18-02-1956. Voorpagina. Rubriek VRIJ SPEL.
  • Een herdruk met de titel ‘De katten van Rome’ werd opgenomen in Het sadistische universum, Amsterdam: De Bezige Bij, 19729, 137-138. Eerste druk 1964.
  • Willem Frederik Hermans, De geur van een pasgestoomde deken. De beste kattenstukken. Ingeleid door Willem Otterspeer, Amsterdam: De Bezige Bij, 2009. pp. 47-50.