De dood van de kat, door Italo Svevo

Van het onderstaande verhaal De dood van de kat verscheen voor zover ik heb kunnen nagaan niet eerder een Nederlands vertaling.

1

Een grote kat zat op zijn gemak op de kussens van de koets die zojuist in De dood van de kat, door Italo Svevode schuur was gezet. Hij keek naar de vrouwen die de was hadden gedaan en een emmer water op het vuur gooiden voor ze vertrokken. De lucht werd vochtig en warm van de damp die door de lucht trok. De kat dacht: ‘Wat is het toch goed dat zoveel mensen aan mij denken. Buiten giert de bora en ik moest afzien van mijn vaste wandeling, die ik doe als Tyras in het huis is en Turco nog aan de ketting ligt. Vervloekte beesten! Ik zou hen wel met rust laten en het ontgaat me waarom we niet allemaal in vrede kunnen leven rond onze baas Gioachino.

Ze beweren dat ik niet geliefd ben in het huis. Maar voor wie anders dan voor mij zou dit gesloten rijtuig dan in de schuur zijn gezet? Vandaag stormt de bora en ik zit hier goed. In de open koets begon het trouwens al wat te koud te worden. Jammer dat ze de raampjes van deze niet hebben dicht gedaan.’

‘Goed dat Tony zo’n precieze koetsier is,’ dacht de kat, ‘die eraan denkt de schuurdeuren te sluiten. Dan loop ik tenminste niet het risico gewekt te worden door de hatelijke geluiden van Turco, zoals in die nacht waarin ik van een diepe slaap in een keihard gevecht belandde. Het kostte me grote plukken haar en het vel van mijn rechterpoot.’

2

Hij zag alle details van die strijd weer voor zich. Op een zeker ogenblik wist hij met een uiterste krachtinspanning en ondanks het bloedverlies, met een ferme sprong het hoog opgetaste brandhout te bereiken. Eenmaal veilig boven begon hij direct zijn wonden te likken, terwijl Turco tevergeefs opsprong, wetend nog slechts de dreiging als wapen te hebben. Het was geen mooie nacht geweest. En die avond aarzelde de kat om de loods weer binnen te gaan. Maar hij ging! De koetsier die de deuren open had laten staan, was door Gioachino ontslagen en de nieuwe leek een oplettend type. Daarom had hij er goed aan gedaan om het koetshuis weer binnen te betreden en vanaf die tijd waren zijn nachten rustig geweest.

Met deze gedachten viel de kat in slaap. Hij droomde dat Gioachino het omliggende land had gekocht en verklaarde: ‘Dit terrein bestem ik uitsluitend voor de katten. Geen enkele hond zal het mogen betreden. En om er voor te zorgen dat de kat ’s avonds kan slapen in de schuur waaraan hij zo gehecht is, zullen Tyras en Pronto aan de ketting worden gelegd.’ Van Tyras kan ik het begrijpen, die heeft immers zijn plaats aan de ketting. Maar voor Pronto moet men een nieuw hok inrichten. Wat een kostenpost!

De kat werd wakker. Zijn zoete dromen waren verstoord. Hij voelde zich erg beroerd en begreep niet waar het vandaan kwam. ‘Er is natuurlijk weer een hond in de loods’, dacht hij, trots op zijn instinct. Voorzichtig en geluidloos zette hij zijn voorpoten op het portier en keek naar buiten. Er waren geen honden. Die stompzinnige en rumoerige beesten zouden zich meteen hebben verraden. In de schuur hing een dichte rook. Dat was natuurlijk de stoom van het water dat de vrouwen op het vuur hadden gegooid.

3

De kat bleef onrustig en waaks. Wat hij vanuit die positie buiten hem waarnam, bracht een sterke innerlijke onrust teweeg. Hij voelde zich onwel. Het bloed suisde door zijn oren en een dikke waas hing voor zijn ogen. Over zijn ademhaling was hij ontevreden. Hij sprong uit de koets, maar zijn poten begaven het en hij rolde met geweld over de grond en bezeerde zijn dijbenen. Hij kwam bij de open haard tot stilstand. De stenen waren bloedheet!

Toen sleepte zich de kat met zijn uiterste krachten naar de houtstapel die hem de vorige keer had gered. Hij klom erop, tot aan het hoogste punt. Hij keek rond. Rode schijnsels trokken door de rook en kwamen vlak bij hem. De kat sprong op. Hij voelde hoe het kwaad door zijn bek en neus in zijn lichaam drong. Hij omklemde een stuk hout en legde zijn bekje erop om niet te hoeven ademen. ‘Ik laat ook deze koetsier ontslaan’, dacht hij.

Hij voelde dat hij van de houtstapel naar beneden rolde, maar een diepe slaperigheid belette hem om zich vast te grijpen. Hoe lang rolde hij al zo? Het leek hem dat hij steeds verder viel, steeds verder en verder; en toch voelde hij niets.

Aantekeningen

NB. De paragraafnummers heb ik aangebracht voor de leesbaarheid.

  • De titel van dit korte verhaal is van Italo Svevo, die het neerschreef in het album van zijn dochter Letizia. De datum is onbekend, maar Svevo schreef deze wat venijnige vertelling waarschijnlijk ná 1910, het jaar dat hij het werk van Sigmund Freud ontdekte. Daarop zou de opmerkelijke droom kunnen wijzen.
  • Het verhaal werd niet opgenomen in Italo Svevo, Alle verhalen. Amsterdam: Bert Bakker, 1989. Vertaling door Jenny Tuin. Zie hier over Svevo in Nederlandse vertalingen.
  • De tekening is van Angelo Canevari (1901-1955). Over hem weet ik niet meer dan dat hij als beeldhouwer en schilder werkte voor het regiem van Benito Mussolini.
  • Svevo’s verhaal deed mij denken aan dat van Jac van Looy: ‘Bij de dood van mijn poes’, uit 1889. Van Looy vertelt over zijn woede en het grote verdriet dat die ellendige geschiedenis hem bezorgt. Voor het verhaal van Jac. van Looy zie hier.

Amelia Rosselli over Pasolini… in een gesprek

In een interview met Plinio Perilli vertelt Amelia Rosselli over Pasolini. Het gesprek vond plaats in Rome in juni 1995. Zeven maanden vóór haar zelf gekozen dood op 11 februari 1996.

Pasolini presenteert Rosselli’s poëzie in 1963

Zij debuteerde in 1963 met de cyclus “Ventiquattro poesie”, Vierentwintig gedichten, in het legendarische literaire tijdschrift Menabò. Pier Paolo Pasolini schreef er een kort maar doordacht essay bij. Zijn bemoeienis én de status van Menabò zorgden ervoor dat de toonaangevende literaire wereld vanaf dat moment niet meer om haar heen kon. De redactie van Menabò had het goed gezien.  Laura Barile schrijft: ‘Amelia Rosselli behoort tot de belangrijkste persoonlijkheden van de twintiste eeuwse dichtkunst.’

Amelia Rosselli

Amelia Rosselli over Pasolini... in een gesprek
Rosselli, 1992. Leest in het Engels uit haar bundel Sleep

Zij schreef poëzie in drie talen: Frans, Engels en Italiaans. Het meeste evenwel in de laatste taal.  Rosselli werd in 1930 in Parijs geboren. Haar moeder was een Engelse van Ierse afkomst en haar vader Carlo Rosselli van Italiaanse. Hij werd in 1937 met zijn broer Nello, beide antifascistische bannelingen, in opdracht van Benito Mussolini vermoord. Kort voor de Duitsers Frankrijk binnenvielen vluchtten beide weduwen met hun zeven kinderen eerst naar Engeland en vervolgens naar Amerika. Daar bezocht Amelia het gymnasium. Na de bevrijding kwam het gezin naar Florence, maar Amelia vertrok al na enkele maanden naar Londen. Zij begon er aan een studie viool, piano en compositie.

Weer terug in Italië

In 1948 keerde zij terug naar Florence. Ze bleef er niet lang. Na een enkele maand verhuisde ze naar Rome. Ze zou er niet meer weggaan. Tot ongeveer 1960 hield zij zich hoofdzakelijk bezig met muziek. De eerste gedichten schreef ze in 1952. De poëzie zou vanaf het begin van jaren zestig haar scheppende werk worden. In  de jaren vijftig kreeg zij haar eerste zenuwinzinking en constateerde men de symptomen van de ziekte van Parkinson.

In het interview met Perilli vertelt Rosselli over haar werk en de schrijvers met wie zij in Rome omging. Hier volgen de passages waarin Amelia Rosselli over Pasolini spreekt:

Het interview

[…] Vertel over je ontmoeting met Pasolini

Ik heb hem thuis bij [Alberto] Moravia ontmoet. Er waren zeker nog twintig andere gasten. Met het koude zweet in mijn handen ben ik naar hem toegestapt. Ik heb hem gevraagd of ik hem een manuscript met mijn poëzie mocht laten zien. Het feit dat [Elio] Vittorini er zijn goedkeuring er aan had gegeven, hielp natuurlijk. Hij zei dat het goed was. En ik weet niet na hoeveel tijd, maar hij belde me enthousiast op en vroeg om bij hem langs te komen. Mijn indrukken van hem? Erg gunstig. Dat geldt voor alle keren dat ik hem ontmoette. Dat was niet zó vaak. Hij was heel gereserveerd. Heel  “opvoedend”.

Hij had een pedagogische missie.

Hij wist uit elke persoon het beste naar boven te halen. Later ben zijn gedichten gaan lezen.

Nadat u hem hebt ontmoet ?

Ja. Bepaalde dingen, dat is duidelijk, raakten mij enorm. Andere wat minder. Maar tegenwoordig ben ik op het grootste deel van zijn werk heel erg gesteld, want ik heb zijn karakter beter begrepen. Ook hij was iemand die experimenteerde… Hij kon het toch niet zijn hele leven over Gramsci blijven hebben!

Hij leed enorm, maar koesterde tegelijk een grote liefde voor de werkelijkheid.

Enkele van zijn boeken, bijvoorbeeld Poesia in forma di rosa, uit 1963, hebben mij bijzonder  geboeid. Maar dat was wel veel later. Vaak zijn we nog niet rijp voor bepaalde werken, in die fase van ons leven geven we dan ze geen aandacht. Het is geen estetisch oordeel, en ook niet absoluut. Later, en dat kan soms pas na tien of twintig jaar zijn, nemen we het boek weer ter hand, en… […]

Honderd jaar Pasolini

Vooruitlopend op de honderdste geboortedag van Pier Paolo Pasolini, die valt op 3 maart 2022, heb ik Rosselli’s herinneringen aan hem vertaald. Twee opmerkingen slechts. Ten eerste over de term experimenteerde, in cursief in het interview. Het is een grondtrek van Rosselli’s werk. Haar drietalige achtergrond stimuleerde en werkte door in haar linguïstische experimenten: lexicaal, metrum, versvorm, gewilde grammaticale afwijkingen, muzikaliteit. Zij waardeerde ongetwijfeld Pasolini’s meertaligheid. Hij schreef, zoals men weet, veel poëzie in het Friulaans. En in zijn romans uit 1955 en 1959 speelde het Romeinse dialect een wezenlijke rol. Ten tweede blijkt hoe groot Pasolini’s invloed in 1963 al was. Zijn gezag was enerzijds gebaseerd op zijn literaire reputatie, anderzijds op zijn filmische werk. De romans Ragazzi di vita en Una vita violenta verschenen in 1955 en 1959, en de dichtbundel Le ceneri di Gramsci in 1957. Zijn films Accatone in 1961 en Mamma Roma in 1962.

Aantekeningen

  • Plinio Perilli, “L’ultimo intervista”. In: Poesia. Mensile internazionale di cultura poetica. Milaan: Crocetti Editore. Anno IX, marzo 1996, n° 93, pp. 24-26. De citaten op p. 26. Titel vertaald: Het laatste interview. In het nummer staan drie beschouwingen over Rosselli en een ruime keuze uit haar gedichten.
  • Wie de stem van Amelia Rosselli wil horen, kan naar dit video fragment uit 1992 luisteren en kijken.
  • Amelia Rosselli over Pasolini... in een gesprekAmelia Rosselli, “Ventiquattro poesie”. In: Menabò 6, pp. 41-65.
  • Pier Paolo Pasolini, “Notizia su Amelia Rosselli”. In: Menabò 6, pp. 66-69.
  • Menabò werd geleid door Elio Vittorini en Italo Calvino Het was een publicatie van uitgeverij Einaudi. Het verscheen van 1959 tot 1967. Nummer tien was gewijd aan de in 1966 overleden Vittorini en daarom tevens het laatste dat verscheen.
  • Laura Barile, “Amalia Rosselli”, in: Cesare Segre e Carlo Ossola (red.), Antologia della poesia italiana: Novecento. Seconda parte. Turijn: Einaudi, 1999, deel 6, pp. 998-1011, 1195-1198.  L. Barile was hoogleraar Italiaanse letterkunde aan de universiteiten van Bologna en Siena, en visiting professor aan de University of Chicago.

De Ferrarese katten van Torquato Tasso

Lang geleden

De Ferrarese katten van Torquato Tasso. Een klein poëtisch juweeltje.

Gedichten die katten en poezen tot onderwerp hebben, gaan ver terug in de geschiedenis van de Italiaanse literatuur. Het oudste voorbeeld dat ik ken, is een gedicht van de zestiende eeuwse Italiaanse dichter Torquato Tasso (1544-1595). Hij schreef een bijzonder sonnet. Frans van Dooren maakte er voor alle katten liefhebbende poëzielezeressen en -lezers een mooie  Nederlandse vertaling van.

De katten van het ziekenhuis Sint-Anna

Zoals de man die ’s nachts aan ’t scheepsroer staat,
terwijl de oceaan door storm bewogen
brullend wordt opgezweept en meegezogen,
zijn blikken doodvermoeid ten hemel slaat,

net zo richt ik me, O kat, in deze staat
van blinde rampspoed naar jouw heilige ogen,
die mij als ’t poolgesternte in den hoge
zowel lichtbaken zijn als toeverlaat.

Och, daar is nóg een katje, ’t lijkt nu wel
de Grote en Kleine Beer. O fijne, goede,
dierbare poezen, lampen van mijn cel,

dat God jullie voor stokslagen behoede
en voeden mag met melk en vlees!
O lichten, blijf mij nabij en help mij bij dit dichten!

In het origineel gebruikt Torquato Tasso de vrouwelijke vorm van het naamwoord: ‘gatta’, poes. Van Doorn vertaalt het terecht met katten, kat en katje, respectievelijk in de titel, vers 5 en vers 9. alleen in vers 11 vertaalt hij  ‘dierbare poezen’. Ritmisch lijkt mij dit een verstandige keuze. In de Italiaanse versie is het duidelijk dat het om twee poezen gaat, want gatta en gattina zijn vrouwelijke vormen. Men mag wel aannemen dat Tasso het heeft over moeder en dochter. In de vertaling van Van Dooren blijft dat onbeslist want duidelijke aanwijzigingen ontbreken.

Een zeker verlies

In het Italiaanse origineel is er een identificatie van ‘licht’ met de poezen, met hun ‘heilige ogen’ (v. 6), met het vrouwelijke, waarvan verlichting van de kwellingen wordt verwacht. De vertroosting komt voor Torquato Tasso alleen tot stand via het door het ‘licht’ geïnspireerde dichten, dat immers zijn métier is. Helaas gaat dit aspect in de vertaling bijna verloren.

In Ferrara De Ferrarese katten van Torquato Tasso

Tasso schreef het sonnet in de periode dat hij in Ferrara in het psychiatrisch ziekenhuis Sint Anna zat  opgesloten. Dat was van 1579 tot 1586. De afbeelding hiernaast reproduceert het schilderij dat Eugene Delacroix (1798-1863) maakte van de dichter in zijn cel.

Aantekeningen

  • De vertaling in: Frans van Dooren, Gepolijst albast. Baarn: Ambo, 1994, p. 180.
  • Zie in deze pdf het Italiaanse origineel.
  • Van Dooren vertaalde ook Tasso’s hoofdwerk uit 1581: Jeruzalem bevrijd, Amsterdam: Atheneum-Polak & Van Gennep, 2003.
  • Pagina wikipedia over de dichter in het Nederlands

Umberto Eco over poëzie en Eugenio Montale

Interview met Eco

In een heel kort interview uit 1988 spreekt Umberto Eco over het grote belang van de poëzie voor zijn intellectuele vorming, en al snel blijkt dat vooral de gedichten van Eugenio  Montale hoog op zijn lijstje te staan.  Zie hier enkele citaten uit het interview.

In de tijd dat we werden geëvacueerd en in de provincie Monferrato ondergebracht, kreeg ik een schoolboek over poëzie in handen. Achterin was een bloemlezing opgenomen en daarin vond ik verzen van Quasimodo, Ungaretti en Montale. Ik las ze zonder er iets van te begrijpen en schreef ik er parodiën op. Op het lyceum werd ik enthousiast voor de contemporaine poëzie, iets waar niemand zich voor interesseerde. Tijdens de lessen las ik in het geniep Ungaretti, Quasimodo en Montale, maar ook Cardarelli, want dat was een andere liefde van toen. […]

Eugenio Montale

Op de vraag welke dichter op zijn generatie de meeste invloed heeft gehad, zegt Eco:

Montale, zonder enige twijfel.

Hoe was uw verhouding met Montale?

Op het persoonlijke vlak erg moeizaam. Hij was een ongedurig mens, en na twee minuten wist ik daarom al niet meer wat ik moest zeggen. Misschien kwam dat door het enorme verschil in leeftijd: voor hem was ik een broekie. […] Montale was een gesloten man. Hij was achterdochtig en alleen open met zijn vrienden. Onze verhouding was van mijn kant vol respect, en hij van zijn kant gedroeg zich zeer welopgevoed. Er werd weinig gezegd. […] Maar afgezien van onze persoonlijke verhoudingen was Montale mijn dichter!

En welke Montale heeft uw voorkeur?

Ik zou zeggen de eerste bundels : Ossi di seppia en Bufera.

En Montale dichter van de liefde?

Dat deel van zijn werk interesseert mij veel minder.

– Leest u hem nog?

Hij is een van de dichters die ik regelmatig herlees, ook al ken ik het meeste van zijn werk uit mijn hoofd.

Andere poëtische invloeden

Tot zover de vertaalde passages van Eco. Het valt op dat hij niet zegt wàt hem in Montale boeit. De dame die hem interviewde, vroeg er helaas niet naar. Eco noemt in het gesprek ook de Franse dichters Rimbaud, Mallarmé en Verlaine, die hij in het laatste jaar van het lyceum las. Eliots The Waste Land, zegt hij, ‘heeft op mijn vorming een enorme invloed gehad’. In de jaren na de oorlog las hij de met hem bevriende dichters Luciano Erba en Bartolo Cattafi. Hun werk volgde hij ‘bijna dagelijks’. Hij meldt verder, dat hij zeer nauw betrokken was bij de neo-avantgardistische Gruppo ’63. Na een intense omgang met poëzie in de jaren vijftig en zestig werd zijn bemoeienis met het genre steeds minder.

De bloemlezing

Na de tekst van het interview zijn tien gedichten van Eugenio Montale afgedrukt. Wie de keuze heeft gemaakt, is niet duidelijk. Uit de door hem genoemde bundel La bufera e altro (1940-1954) werd niets opgenomen. Dat was trouwens Montale’s derde bundel. De eerste acht gedichten zijn afkomstig uit Ossi di seppia waarvan de eerste druk verscheen in 1925. Er volgden tientallen herdrukken, soms herzien en uitgebreid met nieuw werk. Het eerste gedicht heeft als titel Falset (Falsetto, pp. 14-15), van de zes die volgen zijn dit de eerste versregels:

– ‘t Verwaaide geluid van een sistrum… (Debole sistro al vento… p. 46.)
– De knarsende katrol van de put… (Cigola la carrucola del pozzo, p. 47.)
– Ik denk weer aan je glimlach… (Ripenso il tuo sorriso… , p. 32.)
– Mijn leven, beginselen vraag ik je niet…  (Mia vita, a te non chiedo lineamenti… p. 33.)
– Bereikt geluk, voor jou loopt men… (Felicità raggiunta, si cammina… p. 40.)
– Het riet steekt zijn pluimen op…  (II canneto rispunta i suoi cimelli… p. 41.)

De bundel Le occasioni

Uit Le occasioni (1928-1939) zijn drie gedichten opgenomen. Ze komen alle drie uit de serie ‘Mottetten’, die in totaal 20 gedichten beslaat. Van het eerste vond ik een vertaling van Marko Fondse & Peter Verstegen (in De Tweede Ronde, 1981, n. 4, p. 154) :

Je weet: ik moet je weer verliezen en ik kan het niet.
Als door een voltreffer ben ik ondersteboven
van ieder werkgeluid, iedere kreet en ook de
zilte adem die van de havenhoofden
aangolft en die het donker voorjaar maakt
van Sottoripa.

Dorp van ijzer en masten
tot woud in het stof van de avond.
Aanhoudend gonzen komt van buitenaf,
tergend als nagels op glas.
Ik zoek ’t verloren teken, enig pand in genade
van jou gekregen.
En de hel staat vast.   (p. 139)

– Ik veeg de ijsdruppels van je hoofd (Ti libero la fronte dai ghiaccioli…, p. 150.)
– Afscheid, gefluit in het donker, gebaren, gehoest … (Addii, fischi nel buio, cenni, tosse … p. 143.)

Geen vertalingen

Van negen gedichten heb ik in de Digitale Bibliotheek Nederland geen vertalingen gevonden, maar het is natuurlijk mogelijk dat er in de bloemlezing De roos in de kermistent (Kwadraat, 1984) of op andere plaatsen enkele van de hierboven aangeduide gedichten zijn opgenomen.

De paginanummers verwijzingen naar: Eugenio Montale, Tutte le poezie, a cura di Giorgio Zampa, Milano: Mondadori, 19912. Mijn vertaling van de acht eerste versregels is provisorisch.

In de laatste zin in het interview zegt Eco tegen mevrouw Pansa, dat hij Montale’s werk uit zijn hoofd kent. Een tiental jaren later geeft hij een gehoor van enkele honderen studenten in Bologna het advies om ‘elke dag een paar verzen hardop te lezen en uit het hoofd te leren’. Dat versterkt het geheugen is zijn overtuiging. Mocht men geen gedicht bij de hand hebben, dan voldoet ook een lijstje spelers van het geliefde elftal. (Bericht gevonden in het tijdschrift Poesia, Anno XIII, n. 135, Milaan: Crocetti, 2000, p. 34.)

Aantekeningen

Het interview met Eco is opgenomen in de bloemlezing die werd Umberto Eco en de poëzie van Eugenio Montale samengesteld door Francesca Pansa, Amore amore: I poeti e gli scrittori italiani contemporanei raccontano il loro poeta più amato e ne presentano i versi a loro più cari, Roma: Newton e Compton editori, 1988, 50-52. [Liefde liefde: Hedendaagse Italiaanse dichters en schrijvers vertellen over hun geliefde  dichter en presenteren van hen de gedichten waarvan ze het meest houden].

Eco’s geboortestad Alessandria in Piëmont werd eind april, begin mei 1944 zwaar gebombardeerd door de gealieerden. Hij was toen 12 jaar.

Meer over de Italiaanse dichters die Eco noemt:

Luciano Erba
Vincenzo Cardarelli
Bartolo Cattafi
Eugenio Montale
Salvatore Quasimodo
Giuseppe Ungaretti

Italo Svevo: De moeder – een verhaal

Het verhaal De moeder

Het verhaal van Italo Svevo De moeder is uit 1927. Het onderwerp is de ‘egoïstische’ liefde van een moeder voor haar eigen kinderen. Behalve romans en verhalen schreef Svevo ook een twintigtal fabels. Men zou het verhaal in dit genre kunnen plaatsen, want de moeder is een eigenzinnige hen en de hoofdpersoon een moedig kuiken.  Het verhaal begint zo:

In een met stralende voorjaarskleuren getooid dal, dat was omringd door met bossen begroeide heuvels, stonden naast elkaar twee verwaarloosde, grote stenen huizen. Ze zagen er zo eender uit, dat ze de hand van dezelfde bouwmeester verrieden. Ook de door heggen omsloten voortuinen waren gelijk van omvang en van vorm. Maar niet voor alle bewoners lag een gelijk lot in het verschiet.

In een van de tuinen lag de hond aan zijn ketting te slapen en de boer bedrijvig bezig met zijn fruitbomen. In een afgelegen hoekje was een stel kuikens in een gesprek gewikkeld over hun opwindende ervaringen. Er liepen ook wat oudere kuikens rond, maar alleen de jongsten, wier lichaampjes nog de uiterlijke vorm hadden van het ei waar ze uit waren gekropen, vonden het heerlijk om te filosoferen over het leven waar ze nu deel van waren geworden. Ze waren er nog niet zo aan gewend, dat ze ook andere dingen konden zien.

Leed en genot was hun al wel ten deel gevallen, want het leven van een paar dagen is veel langer, dan iemand die het al jaren leeft, zou kunnen vermoeden. En ze wisten ook al heel veel, aangezien zij een deel van hun enerverende ervaringen hadden meegekregen uit het ei. Nauwelijks daaruit tevoorschijn gekomen, hadden ze al begrepen dat je de dingen goed moest bekijken, eerst met het ene oog en dan met het andere, om te zien of je iets kon opeten of het moest laten liggen. […]

Het verhaal heeft een omvang vier pagina’s . Van mijn vertaling kunt u hier een pdf downloaden en op uw gemak lezen.

Behalve ‘De moeder’ vindt u op dit weblog ook De stam, klik hier.