Friulaans gemeenteraadslid uitgedost in SS uniform

De heer Gabrio Vaccarin (geb. 1966) is lid van de gemeenteraad van Nimis, een dorp van nog geen 3000 inwoners in de buurt van Udine. Hij behoort tot de vier leden van de oppositie, die met de acht leden van de meerderheid de gemeenteraad vormen. De gekozen burgemeester is mevrouw Gloria Bressani.
Dit is een foto van de heer Vaccarin. Naar zijn zeggen had hij zich verkleed om carnaval te vieren, in het verre 2010 of 2011.

U ziet het goed. Hij is gekleed in een SS-uniform en achter hem hangt een portret van Adolf Hitler, ook al in uniform. De foto zit in een passend lichtbruin lijstje. De heer Vaccarin ziet er heel gewoon uit. Niet bijzonder aantrekkelijk noch bijzonder afstotelijk. Een doorsnee nationaalsocialist zou ik bijna zeggen. De Führer kon op deze trouwe dienaren van het Reich rekenen. Zelfs vijfentachtig jaar na zijn dood!

Deze foto gaat rond op het internet en werd een paar dagen geleden door enkele dagbladen afgedrukt. De kwestie zorgt voor grote opwinding. Het is voor de regionale coördinator en tweede kamerlid Walter Rizzetto van de partij “Fratelli d’Italia” (Fratelli = Broeders) een lastige zaak. Hij probeert afstand te nemen van de carnavalsganger en zijn mederaadsleden. Een veilige afstand om niet besmet te worden. Er zijn immers weer verkiezingen in aantocht. In september. Juist nu deze extreem rechtse partij het in de peilingen zo goed doet. Verwijzing naar het duistere verleden komt nu wel zeer ongelegen. Het verleden van het fascistische Italië, van Mussolini’s antisemitische wetten van 1938, van Italië bondgenoot van nazi-Duitsland in de tweede wereldoorlog. “Fratelli d’Italia” gaat daar zeker niet rechtstreeks op terug, maar staat in termen van politieke cultuur en historie wel in deze rechtsextreme traditie.

Wat bezielt een politicus die zich zo uitdost, is een vraag die ik mij niet meer stel. Daarvoor gebeurt het te vaak. Het zijn geen grappen en grollen, maar de uitdrukking van een mentaliteit, van een politieke cultuur. Zodra men vraagt naar de drijfveren van dit soort media georiënteerd handelen, grijpen zij onveranderlijk terug op het bekende taalregister: een kwajongensstreek, een scherts, een carnavalspak, etc. En als het alleen om uitspraken gaat: ik ben verkeerd begrepen, mijn woorden zijn uit de context gerukt, ik heb het ongelukkig geformuleerd, etc.

Voor raadslid Vaccarin zou de verkleedpartij kunnen uitlopen op de aanklacht ‘apologie van het fascisme’, en dat is in Italië een misdrijf. Erg waarschijnlijk is het niet, maar mocht Vaccarin worden aangeklaagd voor zijn gedemonsteerde nazi-sympathiën en weet hij een proces uit te buiten, dan zou dit zijn politieke carrière te goede kunnen komen. Maar hopelijk is de kleine naziman daar toch te dom voor.

Bronnen:
Udine Today + La Stampa

Een zelfverklaarde antisemiet in Gorizia

‘Geloof: antisemiet.’ Deze informatie geeft de heer Stefano Altinier, lid van de gemeenteraad van Gorizia, over zichzelf op zijn Facebook profiel. Nee, wacht, ik moet schrijven: ‘gaf’, want het getuigenis werd een paar dagen geleden opgemerkt door leden van de oppositie en de heer Altinier heeft de twee woorden spoorslags verwijderd.

De met rood omcirkelde woorden Orientamento religioso = Religieuze voorkeur, waaronder hij heeft ingevuld: antisemitisme. Daarboven de naam van de rubriek Mijn interessen, waar hij heeft ingevuld ‘Donne’ = vrouwen.

Wie denkt dat antisemieten uit Gorizia bruten zijn vergist zich lelijk, want dìt kunnen wij over deze Lega politicus lezen:

I am a punctual and reliable person who works well under pressure. I am able to work hard both in a team environment and on my own initative (sic). I have a friendly disposition and have a good sense of humour. I also have experience to work in different places. I have good communication skills.

Men kan deze loffelijke karakteristiek aantreffen op de website van de gemeente Gorizia onder het hoofdje Curriculum vitae, ongetwijfeld door hemzelf geschreven.

Zoals gebruikelijk bij dit soort gevallen, werd de betrokkene door de locale pers om commentaar gevraagd. Het bleek allemaal op een misverstand te berusten. Een storm in een glas water. Een uit de hand gelopen grap volgens de politicus. Ik citeer: ‘… het is iets van 10 tot 15 jaar geleden … ik was een adolescent en het was een grap … natuurlijk niet geslaagd …’

Laten we aannemen dat het raadslid het veld in zijn FB profiel 12 jaar geleden invulde. We schrijven dan 2007 en hij was toen 23 jaar, want geboren in 1984. Bepaald geen puber zoals hij ons wil doet geloven. – Overigens werd Facebook pas vanaf 14 mei 2008 in het Italiaans beschikbaar. – Kwade tongen zouden kunnen beweren dat de met ‘good communication skills’ begiftigde locale politicus gedurende zijn hele volwassen leven al antisemiet is geweest en dat via Mark Zuckermanns uitvinding urbi et orbi heeft verkondigd.

Het nu vijfendertigjare raadslid, gekozen in de gezagsgetrouwe rijen van de partij van Matteo Salvini, ontkent dit. Hij gebruikt daarvoor een variant van het afgesleten argument ‘ik heb veel Joden onder mijn vrienden’. Ziehier wat hij zegt ter verontschuldiging:

‘Ik ben nooit antisemiet geweest. Stel je voor zeg. Ik heb zelfs deelgenomen aan het Joodse feest Chanoeka en ik ben heel erg geboeid door de geschiedenis en de tradities van dat volk.’

Hij zegt ‘dat’ en niet ‘het Joodse’ volk.

En hij besluit: ‘Ik bied mijn verontschuldigingen aan voor wat er is gebeurd.’ Hij zegt niet:  ‘het spijt me dat ik deze woorden heb neergeschreven’, of iets van die strekking.

De kwestie werd aanhangig gemaakt door twee sociaaldemocratische leden van het Italiaanse Parlement: het kamerlid Debora Serracchiani (1970) en de senator Tatjana Rojc (1961). Beide vrouwen verwijzen niet toevallig naar de wet Mancino uit 1993, die ‘Discriminatie, haat of geweld op grond van racistische, etnische, nationalistische of religieuze motieven’ sanctioneert. (Art. 1. “Discriminazione, odio o violenza per motivi razziali, etnici, nazionali o religiosi”.)

Het is evenmin toevallig dat het raadslid zijn Facebook profiel direct heeft bijgewerkt. Je weet het maar nooit met die linkse vrouwelijke parlementsleden.

Je komt er niet af…

Fatina was ziek en wilde geen mens meer zien. Mijn kleinkinderen hebben me laten roepen. Ik moest iets doen, werd me gezegd.
‘Wat haal je nu weer in je hoofd’, zei ik tegen d’r.
Geen antwoord.
‘Als je je niet goed voelt, halen we een dokter.’
Plotseling gilde ze: ‘Je begrijpt er niks van jij, niks! Ik ben ’t zat om in Auschwitz te zitten. Ik wil d’r uit! Begrijp ’t nou toch es!’
Het waren mijn zusters laatste woorden.

Dit is een stukje uit een interview met Alberto Sed, opgetekend door de Italiaanse historica Elisa Guida. In het kader van haar onderzoek naar de terugkeer van de Joodse overlevenden van de concentratie- en vernietigingskampen, heeft ze met een aantal van hen gesproken. De resultaten van haar werk heeft zij in 2017 gepubliceerd in haar boek De weg naar huis.
Fatina Sed hield ook een dagboek bij. Elisa Guida geeft daaruit een citaat:

… ik ben oma van twee lieve kleinkinderen en moeder van drie volwassen kinderen, maar hoewel het mij aan niets ontbreekt, voel ik mij diep ongelukkig. Het lijkt me, dat een deel van mijzelf heel ver weg is, achtergebleven op een plaats van schrijnend lijden en onmenselijke levensomstandigheden.

Alberto Seds woorden en de dagboekaantekening van zijn zuster deden mij denken aan een ander interview. Hanny Michaelis (1922-2007) sprak in de jaren zestig met Bibeb. Bij  het begin van het gesprek, dat voornamelijk gaat over haar relatie met Gerard (van het) Reve, vertelde de dichteres over haar onzekerheid, over de dominantie van Reve in hun huwelijk en de daarmee samenhangende onmacht om te schrijven. De scheiding werd voltrokken en, zegt zij, een psychotherapie ‘… heeft gemaakt dat ik weer kon schrijven. Je krijgt er zelf inzicht door. Je komt er niet af, maar je kunt er mee leven.’

Om de laatste zin te kunnen plaatsen, is het nodig toe te voegen, dat Michaelis tijdens de oorlog van 1942 tot 1945 was ondergedoken. Zij overleefde de ramp. Haar ouders werden in 1943 opgepakt, naar het vernietigingskamp Sobibor gedeporteerd en daar vermoord. Zij hadden er van afgezien een schuilplaats te zoeken.

De Nijmeegse filosofe en literatuur-onderzoekster Ria van den Brandt heeft in haar bundel Vrouwen van woorden zes essays samengebracht over evenzovele vrouwen die hun Joodse afkomst gemeen hadden. Van den Brandt schrijft: ‘Hun wereld werd volledig of bijna volledig verwoest door de vernietigingsmachine van de nazi’s.’ Nelly Sachs, Gertrud Kolman, Gerty Spies, Etty Hillesum, Selma Meerbaum-Eisinger en Hanny Michaelis hebben ‘… in hun gedichten hun fictie, hun brieven en dagboekaantekeningen hun omgang met het oorlogstrauma in heel uiteenlopende toonsoorten ter sprake gebracht.’ Van den Brandt constateert bij de zes vrouwen ‘… aanhoudende rouw en gevoelens van woede, haat, schuld, depressie, verzet en desillusie…’ . In haar mooie essay over Michaelis geeft zij van enkele van deze thema’s een aantal sprekende voorbeelden, die zij vooral in de vroege gedichten traceert. Van den Brandt gebruikt de term ‘existentiële zwaarmoedigheid’ om een funderend element in het werk en de levensloop van de dichteres te identificeren.

Ik citeer één gedicht van Michaelis waarin het thema opgeslotenheid of het weggedrukt zijn in het eigen verleden aanwezig is:

Laat in de avond
slaat de regen tegen het raam.
Wind beukend op de deuren
vindt nergens onderdak.
Hier waar het stil is tussen
vier muren zit ik mijzelf in de weg
onder een dikke laag verleden
maar zonder de wijsheid die daar bij past.

Fatima Sed en Hanny Michaelis zaten beiden ‘gevangen’ in een door hen als rampzalig ervaren verleden, maar anders dan Michaelis kon Fatima met haar trauma niet meer leven. De zwaarmoedigheid, die vele gedaantes kan aannemen en in diverse gradaties voorkomt: triestheid, moedeloosheid, neerslachtigheid, melancholie, nam bij haar blijkbaar de vorm aan van steeds terugkerende depressies, ontaardend in een pathologie die haar geen andere uitweg liet dan de dood. Zij is zeker niet de enige overlevende van de kampen die tòch nog het slachtoffer van de nationaalsocialistische ‘rassenleer’ is geworden. In gedachten komen de namen van Paul Celan en Primo Levi.

Over Alberto Sed is een wikipagina in het Italiaans beschikbaar.

Gebruikte teksten:

– Guida, Elisa (2017). La strada di casa. Il ritono in Italia dei sopravissuti alla Shoah, Viella, Roma. [De weg naar huis. De terugkeer in Italië van de overlevenden van de Sjoa.]

– Bibeb (1966). De mens is een ramp voor de wereld, Van Gennep, Amsterdam. 207-218.

– Brandt, Ria van den (2014). Vrouwen van woorden. Een kleine canon tegen groot leed, Abdij van Berne, Heeswijk. 102-117. Op pagina 117 de verwijzing naar literatuur. Het essay was overigens al afgesloten voor de publicatie van de dagboeken van Michaelis.

In het Nederlands verschenen onder auspiciën van de Stichting Onderzoek Terugkeer en Opvang (SOTO) vanaf 2001 vier kloeke delen over de problematiek van de terugkeer. De SOTO opdracht betrok alle terugkerenden in het onderzoek. Zie de website van het NIOD.

Antisemitisch t-shirt in Predappio 2018

De Romeinse hoogleraar Italiaanse literatuur Giuliano Manacorda (1919-2010) – en niet alleen hij – verdedigde de stelling dat er gedurende het regime van Mussolini geen fascistische cultuur heeft bestaan. Eén van de ‘monumenten’ van het intellect uit die tijd, de Enciclopedia Treccani, bestond immers al eerder en werd door Giovanni Gentili geïncorporeerd in zijn politiek. Na de oorlog behield de Treccani zijn vooraanstaande positie en gezag.

Aan deze overtuiging moest ik denken toen ik gisteren de afbeelding zag van een breed lachende dame gekleed in een zwart t-shirt met daarop in witte letters het woord ‘Auschwitzland’.  Het beeld zou het woord Auschwitz niet nodig hebben om herkend te worden. Het vest dat zij draagt is ook zwart, evenals de kleding van de andere personen op de foto. Op de band aan haar linkerarm staat – op de witte baan van de Italiaanse driekleur – gedrukt. Ordedienst (Servizio d’ordine). Al die zwarte kleding past bij de tijd, de plaats en de gelegenheid. Het was zondag 28 oktober in Predappio, de plaats waar Benito Mussolini zijn graftombe heeft gekregen. Men herdacht de 96-ste verjaardag van de Mars op Rome die het fascistische regime aan de macht bracht. De Mussolini-pelgrims ontbreken geen jaar, weer of geen weer, op het appèl in Predappio.

De organisatoren van de bijeenkomst, Forza Nuova, een politieke beweging zeer nabij de Lega Nord van Matteo Salvini, de huidige Minister van Binnenlandse Zaken en vicepremier, hebben expliciet en publiekelijk afstand genomen van de dame.

Na de polemiek die het t-shirt onvermijdelijk veroorzaakte, rechtvaardigde de gelukkige draagster zich als volgt:

De beweging heeft hier niets mee uit te staan. Vanmorgen om vijf uur heb ik bij vergissing het verkeerde shirt aangetrokken omdat er in het andere een gat zat en tijdens het strijken was het me niet opgevallen. Zo’n punt is het niet. Italië heeft belangrijkere  problemen dan mijn t-shirt: bruggen die instorten, Italianen die  niet kunnen rondkomen met wat ze verdienen, mensen die van  hun werk niet meer thuiskomen omdat ze er de dood vinden, jonge meiden (het geval Pamela) die worden vermoord en aan stukken gehakt.

Aldus Selene Ticchi, neofasciste en activiste van Forza Nuova. U kunt hier een korte video zien waarin de dame antwoordt op de vraag waarom zij het t-shirt draagt met de woorden: een vorm van zwarte humor…

Inmiddels hebben zowel het bedrijf Walt Disney (vestiging Milaan) als het Auschwitz Museum in Polen juridische stappen aangekondigd. Ook de Italiaanse regering, bij monde van vicepremier Luigi Di Maio, overweegt acties.

Sinds 1994 zijn extreem rechtse politieke formaties jaar na jaar steeds meer in de openbare sfeer getreden. In de zomer van 2017 werd door Forza Nuova aangekondigd dat zij op  28 oktober de Mars op Rome zouden gaan lopen. Dat veroorzaakte toen zoveel weerstand, dat men het plan heeft laten varen. In oktober 2022 zal het honderd jaar geleden zijn dat de mars werd gehouden. Het lijkt me niet onwaarschijnlijk dat we dan aan een nieuwe ‘historische zwarthemden parade’ zullen moeten geloven.

Het is voor velen onbegrijpelijk dat in Italië, de bakermat van de Europese cultuur, zulke evenementen kunnen plaatsvinden. Maar na de oorlog heeft politiek extreem rechts altijd zijn vertegenwoordiging in het parlement gehad. De namen van de partijen en bewegingen zijn veranderd, maar het verschijnsel is niet verdwenen, integendeel. Met het groeiende ‘politieke populisme’ wordt de ruimte waarin neofascisten – niet alleen Italiaanse – zich kunnen manifesteren almaar groter.

Giuliano Manacorda zou in deze geschiedenis zijn mening bevestigd zien.

Noot.
Volgens het antisemitisme observatorium in Milaan groeit het antisemitisme in Italië.

Italië 1938: een antisemitisch document

De fascistische dictatuur geleid door Benito Mussolini kwam in de zomer van 1938 in een nieuwe fase: in de juli werd het op biologische aannames gebaseerde racistisch   antisemitisme aangekondigd. Voor de nieuwe politiek van het regime werden in de tekst “Het fascisme en het probleem van het ras” de lijnen uitgezet. In tien stellingen werd beoogd een wetenschappelijke basis te verschaffen aan een exclusief biologisch-racistisch begrip van het Italiaanse volk. Het document wordt ook wel genoemd: “Manifest van de fascistische academici”, omdat het zou zijn samengesteld door hoogleraren en wetenschappers. U kunt hier mijn Nederlandse vertaling in pdf downloaden.

Het is 80 jaar geleden dat Mussolini het antisemitisme tot een van de kernpunten van zijn politieke beleid maakte. Niet dat het in Italië voordien afwezig was, integendeel, maar in 1938 werd het een staatszaak. Daarmee begon de periode waarin de Italiaanse Joden stap voor stap rechtenloos werden gemaakt en in een maatschappelijk isolement werden gedreven. De afbeelding hiernaast uit het tijdschrift ‘De verdediging van het ras‘, van 10 november 1938, brengt een serie verbodsbepalingen in beeld.

De razzia’s, vervolgingen en deportaties, dus de maatregelen waarbij men het gemunt had op het leven van de Joden, luidden een nieuwe fase in. Die begon enkele dagen na 8 september 1943. Op die woensdag werd door regering Badoglio bekend gemaakt dat zij een wapenstilstand had gesloten met de geallieerde strijdkrachten. De Duitsers gingen onmiddelijke over tot de bezetting van de noordelijke helft van het land, inclusief Rome.

In 2018 wordt in Italië niet alleen tachtig jaar anti-joodse wetgeving herdacht. Het is op 16 oktober aanstaande vijfenzeventig jaar geleden dat op zaterdagmorgen de grote razzia in het voormalige getto van Rome plaatsvond (zie de voorgaande post).

Ik zou hier nog een belangrijke gebeurtenis willen vermelden: in hetzelfde jaar 1943 werden Etty Hillesum, haar broer Mischa en haar ouders op 7 september uit kamp Westerbork naar Auschwitz-Birkenau gedeporteerd. Tijdens het Internationale Etty Hillesum Congres op 10, 11 en 12 september aanstaande in Middelburg zal hieraan ongetwijfeld ruim aandacht worden besteed. Etty Hillesum was klaarblijkelijk op de hoogte van de eerste val van Mussolini op 25 april 1943 en het verloop van de oorlog in Italië, want ze schrijft op 8 augustus 1943 in een brief aan Maria Tuinzing: “Ik bedacht een verhaaltje over Victor Emanuel, over een volksregering en een naderende vrede…”.

16 oktober 1943: de razzia in het voormalige getto van Rome

Vergeleken met de razzia’s, de deportaties en het aantal Joodse slachtoffers is er een groot kwantitatief verschil tussen Nederland en Italië. De nazi-dictatuur duurde in Nederland vijf jaar. De noordelijke helft van het Italiaanse schiereiland, inclusief Rome, werd door de voormalige bondgenoot bezet kort ná de gebeurtenissen van 8 september 1943. Het zou duren tot 25 april 1945 voor het land geheel was bevrijd. Voor Rome kwam dit gelukkige moment aanzienlijk eerder: op 5 juni 1944 waren de geallieerden in de stad. De anti-joodse politiek werd in het bezette gebied onverstoorbaar voortgezet en heeft in totaal iets meer dan 8000 slachtoffers geëist.

Op zaterdag 16 oktober 1943 werd door de nazi’s een grootschalige razzia in het Romeinse voormalige getto uitgevoerd. 1020 Joden werden naar Auschwitz-Birkenau gedeporteerd. Het bleef bij deze eenmalige omvangrijke actie. In de maanden daarna, tot hun aftocht naar het noorden, pakten de nazi’s nog wel Joden op, maar dat betrof gelukkig slechts geringe aantallen. Italiaanse jodenjagers waren daarbij overigens zeer behulpzaam.

Over de razzia publiceerde de schrijver en literatuurcriticus Giacomo Debenedetti (1901-1967) al in december 1944 een eerste verslag. Het was een korte tekst die werd afgedrukt in het Romeinse tijdschrift Mercurio. In boekvorm zou het werkje decennia lang het enige referentiepunt blijven. In 1985 bracht Meulenhoff een Nederlandse vertaling uit, gemaakt door Frida De Matteis Vogels: 16 oktober 1943 – een joodse kroniek.

Sinds de eeuwisseling is het aantal publicaties over deze rampdag sterk gegroeid. Opvallend in dit spectrum is het boek dat de Romeinse (maar geboren in Turijn, 1944) historica Anna Foa in 2013 publiceerde: Portico d’Ottavia: Una casa nel ghetto nel lungo

Voorplat van de 1e editie.

inverno del ’43 [letterlijk: De zuilengalerij van Octavia: Een huis in het getto in de lange winter van 1943]. Zij heeft zich de vraag gesteld wat er op die dag met de inwoners van het grote pand aan de via Portico d’Ottavia 13 is gebeurd. Het resultaat is een boeiende «micro history», gebaseerd op archief- en literatuuronderzoek, die zij evenwel zorgvuldig heeft ingebed in de historische context. Anna Foa vertelt het verhaal van het lot van ruim honderd Romeinse vrouwen en mannen en hun kinderen, die het slachtoffer werden van het misdadig handelen van de nationaalsocialisten.

Anna Foa heeft twaalf jaar gewoond in een van de appartementen die het uit de middeleeuwen daterende pand rijk is. Misschien was dit een van de motieven om het verhaal te vertellen. Maar haar Joodse afkomst en het feit dat zij moderne en contemporaine geschiedenis beoefent, als docente en onderzoeker aan de Romeinse universiteit Sapienza, hebben mogelijk ook meegeteld.

In haar boek stelt Foa behalve de feitelijke gang van zaken een aantal fundamentele kwesties inzake de Jodenvervolging aan de orde. Ik noem hier: de gedegen voorbereiding, zorgvuldige geheimhouding, efficiënte uitvoering (ondanks een tekort aan manschappen), gebruikmaking van de gegevens van de Romeinse burgelijke stand, van de hand- en spandiensten van de fascistische politie, ook al werd die sterk gewantrouwd, en tenslotte de valse informatie verstrekt aan de slachtoffers omtrent hun bestemming. Het zijn elementen die wij ook uit de Nederlandse situatie kennen. Een verschil is bijvoorbeeld de ‘segregatie’, die in Italië reeds in 1938 (!) zijn beslag kreeg in de zogenaamde rassenwetgeving.

De meeste van de Joodse bewoners van het Huis­ – Foa gebruikt de term Huis en schrijft die met een hoofdletter: Casa – bleken vóór en na de razzia niet alleen slecht geïnformeerd over de ware bedoelingen van de nazi’s, maar zelfs te goed van vertrouwen. Op een enkeling na die onderdook, bij voorbeeld rabbi Zolli, die niet naliet anderen aan te sporen hetzelfde te doen. Door de leiding van de Joodse gemeenschap werd hem lafheid verweten.

Het blok genaamd Sant’Ambrogio della Massima , waarvan het pand op nummer 13 deel uitmaakt.

Natuurlijk maakten ook anderen – vrouwen en mannen – zich in de vroege ochtenduren van 16 oktober snel uit de voeten, voor zover zij konden. De meesten van de ongeveer 110 bewoners, verdeeld over een 20-tal gezinnen, bleven echter in hun woning. Het gedrag van erg veel vrouwen werd helaas bepaald door de overtuiging dat de Duitsers alleen de mannen zouden oppakken voor de zogenaamde Arbeitseinsatz. Maar ook de bekende feiten die elders eveneens de onderduik verhinderden – gebrek aan financiële middelen, familie, vertrouwde omgeving – telden mee. Foa maakt melding van wat ook uit andere onderzoeken is gebleken: dat diverse Romeinse kloosters gastvrijheid gaven aan Joodse vrouwen en kinderen. (Zie mijn recente post over Giacoma Limentani.)

De rol bij de jodenvervolging van de fascisten die zich na 8 september 1943  achter de Republiek van Salò schaarden, wordt door Foa nauwkeurig uiteengezet. Hun antisemitisme vond zijn ‘wettelijke’ basis in de fascistische rassenwetten (leggi razziali fasciste), die tot stand waren gekomen in de zomer en het najaar van 1938. Foa laat  echter duidelijk zien, dat roof van Joods bezit het hoofdmotief van hun handelen was. En dat je doet gelijk denken aan het boek Roof: De ontvreemding van joods bezit tijdens de Tweede Wereldoorlog, van Gerard Aalders. Foa geeft ook een voorbeeld van het verschijnsel dader uit eigen kring, hier in de persoon van Celeste Di Porto, bijgenaamd Zwarte Panter. Deze jonge Joodse inwoonster van de wijk collaboreerde zonder scrupules met de nazi’s en de Salò-fascisten, en verraadde vrienden, kennissen en familieleden.

Het derde thema dat ik wil noemen is de naoorlogse rechtspraak (hoofdstuk 8). Ook hier zijn opmerkelijke parallellen te bespeuren. De stemming in het naoorlogse Italië leek sterk op het gevoelen dat men ook elders in Europa aantrof: men wilde zo snel mogelijk een punt achter deze pijnlijke geschiedenis zetten en de wederopbouw ter hand nemen.

Voor wat de hier besproken geschiedenis betreft, geeft Foa aan dat talloze daders niet, nauwelijks of licht werden gestraft, en niet zelden na korte tijd vrij kwamen. Daaraan waren ook debet de amnestiemaatregelen – waaronder ook collaboratie viel – die in 1946 werden afgekondigd door de toenmalige minister van justitie Palmiro Togliatti. Niet te onderschatten was bovendien het antisemitisme dat in de jaren na de bevrijding opnieuw zijn Medusahoofd opstak. Foa citeert hiervan de evidente sporen in de verslagen van de rechtzittingen die zij voor haar boek heeft onderzocht. Voor Nederland leze men er Abel J. Herzbergs Kroniek op na.

In nauw verband hiermee staat het thema van de naoorlogse verzoening, die door het ontbreken van een adequate rechtspraak nauwelijks tot stand is gekomen. Terecht stelt de historica dat een door de slachtoffers als juist ervaren rechtspraak een voorwaarde is voor verzoening.

Foa legt in haar boek niet expliciet het verband met het groeiende antisemitisme vandaag de dag in Italië, maar uit de toon en de taal van het boek blijkt dat zij zich daarover geen enkele illusie maakt.

Noot.
Naar de jodenvervolging in Italië is degelijk historisch onderzoek verricht. Een centrale rol speelde en speelt daarbij het in Milaan gevestigde CDEC (Foundation Jewish Contemporary Documentation Center) dat zich toelegt op archiefvorming, coördinatie en bevordering van onderzoek. De Stichting CDEC neemt natuurlijk deel aan het internationale netwerk EHRI: European Holocaust Research Infrastructure.