Giacoma Limentani

De Italiaanse schrijfster en vertaalster Giacoma Limentani is op zondag 18 februari 2018 overleden in Rome, waar zij negentig jaar geleden op 11 oktober 1927 werd geboren. Zij is op maandag 19 februari ter aarde besteld op de Joodse afdeling van de Romeinse begraafplaats Verano, waar om 12 uur in het overvolle Joodse Tempeltje (Tempietto ebraico) afscheid werd genomen met een dienst onder leiding van drie rabbijnen en de chazan. Alle gezangen en gebeden waren in het Hebreeuws, de toespraken na afloop in het Italiaans.

Na de dienst van ruim een uur volgde men te voet de wagen naar het graf. Rabbijn De Vries schreef daarover: ‘De stoet van een grote menigte mensen, die voldoen aan hun innerlijke behoefte en gewoon te voet de lijkbaar volgen, is het meest imposante getuigenis voor degeen, die heengaat.’ Zo ook de lange stoet op weg van het Tempeltje naar het in gereedheid gebrachte graf waar de rouwenden zich omheen schaarden. Het kaddisj gebed werd gereciteerd en wat aarde uit Israël op de kist gestrooid, die vervolgens werd neergelaten.

Giacoma Limentani kwam al in haar kindertijd met ‘iets Nederlands’ in aanraking. In 1936 begon in Italië de duizelingwekkende carrière van de drie Nederlandse zusters Leschan, die in 1935 in Noord-Italiaanse Turijn verzeild waren geraakt. Zij beoefenden net als hun ouders de acrobatie en zagen zeker geen zangcarrière in het verschiet, ook al waren er in de familie van hun moeder veel musici. Zij werden ontdekt door een radio talent-scout en pijlsnel omgevormd tot zangeressen, die optraden onder de artiestennaam ‘Trio Lescano’. Hun moeder, Eva de Leeuwe, trad op als zakelijk leidster. Vanwege hun Joodse afkomst kwam er, ondanks het bezit van een ‘ariër’-verklaring en de Italiaanse nationaliteit, in november 1943 een einde aan het in Italië bijzonder geliefde trio. Moeder en dochters doken onder in de provincie en werden ondanks de nazi-klopjachten niet gevonden vanwege de hulp van de locale bevolking. Ook Giacoma Limentani was ondergedoken. Zij overleefde de vervolgingen in een Romeins klooster.

In het gezin Limentani was de lichte muziek niet alleen geliefd, maar werd zij ook beoefend. De tiener Giacoma was dol op jazz en swing en op dat punt komt het Trio Lescano in zicht. Als meisje leerde zij de liedjes van de radio na te zingen. Mussolini was overtuigd van het enorme propagandistische potentiëel van de radio en bevorderde een zo groot mogelijke verspreiding van apparaten. Een topper in het Lescano repertoir was het liedje Tuli tuli tulipan, een duidelijke verwijzing naar hun geboorteland. Een ander lied: ‘De verliefde pinguïn’ (Il pinguino inamorato), komt aan de orde in Limentani’s eerste roman ‘Bij verstek’ (In contumacia).

In deze roman wordt de elfjarige hoofdpersoon, kort na het afkondigen van de rassenwetten (zomer 1938), door vier jeugdige fascisten onder druk gezet om de schuilpaats van haar vader te verraden. Zij zwijgt. De vier voegen haar toe dat haar vader dan bij verstek zal worden veroordeeld. Om haar een lesje te leren wordt zij in haar eigen huis verkracht. Daar was op dat moment behalve zijzelf niemand anders dan haar oma aanwezig, die getuige was van de gewelddaad. Kort daarop overlijdt zij echter zodat het geheim bewaard blijft, want de elfjarige vertelt het aan niemand. Deze tot trauma uitgegroeide gebeurtenis doortrekt en bepaalt op dramatische wijze het verdere leven van het opgroeiende meisje en vrouw. Limentani giet haar verhaal in de vorm van een autobiografische roman, die bij de publicatie in 1967 veel opzien baarde.

Het tweede contact met ‘iets Nederlands’ kwam tot stand, toen ik haar in 1988 uitnodigde om deel te nemen aan het eerste Internationale Etty Hillesum symposium in Rome. Van het bestaan van het Trio Lescano was ik toen nog niet op de hoogte en behalve enkele korte essays had ik niets van Limentani’s werk gelezen. Haar naam werd mij gesuggereerd door een lid van de Joodse gemeenschap, mevrouw Bici Migliau, die ik via een studente in mijn klassen Nederlandse les aan volwassenen had leren kennen. Limentani zegde toe en werd één van de vijftien sprekers op deze bijeenkomst, die ik in nauwe samenwerking met de toenmalige directeur Ted Meijer op het Nederlands Instituut te Rome had georganiseerd. In haar lezing ging zij in op de Joodse achtergronden van Hillesums dagboek, die zij belichtte vanuit het gezichtspunt van haar eigen levenslange studie en vertalen van teksten uit de Joodse traditie, zoals de Tora en de Midrasj. In de herinnering van de Joodse gemeenschap leeft zij voort als lerares Hebreeuws, de Joodse traditie, cultuur en wijsheid. Zij wordt aangeduid met de eretitel ‘maestra’.

Giacoma Limentani in 2017.

Op een zondag eind oktober 2016 zijn Limentani, een bevriend Romeins echtpaar en ik niet ver van haar huis gaan lunchen. Zo werd onze kennismaking door de toevallige ontdekking van gemeenschappelijke vrienden na achtentwintig jaar hernieuwd. Bij die gelegenheid heb ik voorgesteld haar lezing uit 1988 in het Nederlands te vertalen. Het opstel zal in het najaar van 2018 in deel tien van de serie Etty Hillesum Studies verschijnen. De vertaling draag ik op aan de geliefde Romeinse Joodse ‘maestra’.

Voor de controle van de Joodse terminologie mijn dank aan Klaas Smelik, die in 1988 onder sprekers van het symposium was.

Nota

De drie romans van Limentani zijn: In contumacia (Bij verstek), 1967; Dentro la D (Binnen de D. – de D staat voor Dàlet, de letter uit het Hebreeuwse alfabet), 1992; La spirale della tigre (De spiraal van de tijger), 2003. Ze werden in 2013 samen uitgegeven onder de titel Trilogia.

Rabbijn Ph. de Vries Mzn, Joodse riten en symbolen, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1968. Voor de geciteerde zin: p. 270.

Zie voor het Trio Lescano: Gabriele Eschenazi, Le regine dello swing. Il Trio Lescano: una storia fra cronaca e costume, Einaudi, Turijn, 2010.

De zusters bleven in Nederland lang onbekend. Toenke Berkelbach maakte een radioportret voor de VPRO. Zie ook wikipedia

Fred van der Spek (1923-2017)

Van zijn overlijden op 23 november 2017 werd ik door een e-mail van Karin Spaink uit Amsterdam op de hoogte gebracht. Wie weet hoelang ik zonder haar bericht in het ongewisse zou zijn gebleven.

Er is één aanknopingspunt om iets te zeggen over Fred van der Spek in een post op dit  weblog. Hij was uitgenodigd om in het najaar van 1982 in Milaan te spreken op een internationaal congres van de Italiaanse Partito Radicale, geleid door Marco Pannella en Emma Bonino. Hij heeft mij toen gevraagd dit voor hem te doen en dat heb ik gedaan. Fred (ik dus voor hem) zou direct na de openingsspeech van Pannella aan het woord komen, want hij was immers een hoge buitenlandse gast, een vooraanstaand lid van een ‘belangrijke’ politieke partij – de PSP – uit een land met een lange traditie van pacifisme en tolerantie, zéér bewonderd – en nog steeds – door sommige Italianen, door anderen, ongetwijfeld de meerderheid, veel minder. De voorzitter opende de zitting en gaf het woord aan Pannella aan en zei dat ik direct na partijleider Marco aan de beurt was. Ik nam mijn tekst en beklom eveneens het podium.

Maar dat was prematuur. Ik wist toen nog niet dat Pannella’s redevoeringen de gemiddelde tijdsduur van die op Russische partijcongressen evenaarden. Toen hij na twee uur onder het spreken zijn tweedjasje begon uit trekken, geholpen door een toegeschoten volgeling, zag ik in dat het nog wel enige tijd zou gaan duren. Ik begreep nu ook waarom de andere partijbonzen, achter de tafel op het podium, licht onderuitgezakt in hun stoel zaten. Ik vond dat eerst van weinig respect getuigen, maar tot inzicht gekomen, nam ik er vervolgens ook mijn gemak van. Dat was mijn eerste les in Italië: je komt hìer met naar Nederlands gebruik nauwkeurig geregisseerde spreektijden niet uit de voeten. Ik weet zeker dat Fred dit gebeuren met een onstuimige lach zou hebben ondergaan.

A.G. vande Spek in 1985, Utrecht.

Zó heb ik hem meegemaakt en zó herinner ik mij hem het liefst: de persoon op de foto die ik op deze wikipedia pagina vond en die dateert uit 1985, drie jaar na mijn vertrek naar Rome.

Als fraktiemedewerker heb ik van het najaar van 1979 tot het zomerreces van 1982 ‘onder Fred gediend’, en dat is voor mij een intense, leerzame en zeker plezierige periode geweest. Aan de fraktievergaderingen op dinsdag denk ik met genoegen terug. Voor de politieke verwikkelingen binnen de PSP liep ik wat minder warm, althans in mijn herinnering. Ik was geboeid door het kamerwerk, de rol van de PSP daarin, de relativerende betekenis die Van der Spek daaraan hechtte, maar zonder de verplichtingen die het kamerlidmaatschap met zich meebracht te verwaarlozen. Het was één van de podia waar zijn visie en de missie van de PSP in de openbaarheid konden komen.

Van zijn overtuiging was het pacifisme voor mij doorslaggevend en had het socialisme als model voor politieke organisatie van een maatschappij minder prioriteit. Voor hem gold dat niet. Wij dachten over het anti-militarisme wel in dezelfde termen en deelden in die jaren de politieke en economische analyse van dit verschijnsel. Het anti-militarisme is in de wereld van vandaag echter niet meer populair en wordt op macro- en microniveau bijna zonder uitzondering afgewezen.

Het denken over geweldloosheid als politiek alternatief, dat mijn jeugdjaren domineerde (ik was ooit dienstweigeraar), werd opnieuw actueel toen ik in 2006 met Fulvio Manara (1958-2016) uit Bergamo in contact kwam. Manara had zich uitgebreid met het werk en het leven van Ghandi ingelaten, als filosoof en onderzoeker, maar ook als docent. De aanleiding om elkaar te ontmoeten was het werk van Etty Hillesum, maar al snel bleek dat wij geworteld waren in dezelfde, noem het de Europese traditie van geweldloosheid. In de periode 2006-2016, waarin wij moeite deden de studie van Etty Hillesum in Italië te bevorderen, is de naam van Fred van der Spek meermalen gevallen, met name als het ging om de problematiek van het geweld, van de haat, van het lot van de Joden tijdens het nazisme. Manara vatte dit alles goed samen in de uitdrukking ‘cultura della morte’, letterlijk: ‘cultuur van de dood’, die in de Italiaanse theorie en studie van de geweldloosheid gangbaar is.

In gesprekken met Fulvio noemde ik hem nog al eens ‘mio deputato’, mijn gedeputeerde, dat in het Italiaans ook een mate van affectie herbergt, indien gebruikt in de juiste context. Het moet worden gezegd: aan Van der Spek heb ik voor wat betreft het pacifistische gedachtengoed veel te danken. Fred heeft nooit geweten dat zijn naam en dit aspect van zijn politieke visie in Bergamo meermalen ter sprake zijn gekomen. In de loop van 1983 is het contact met hem verwaterd. Mijn leven in Italië, eerst in Rome en vanaf 1988 in het dorp waar ik nog steeds woon, liet nauwelijks ruimte voor de periode die ik in september 1982 had afgesloten.

Fred mag dan in 2003 tijdens een interview breed lachend vastgesteld hebben: ‘Niks. Ik heb niks bereikt!’, zijn naam en enkele van zijn politieke ideeën zijn niettemin tot in het zuiden van Europa doorgedrongen.

Giuseppe Laras, 1935 – 2017: de opperrabbijn van Milaan en Etty Hillesum

Op woensdag 15 november 2017 overleed in Milaan rabbijn Giuseppe Laras. Hij was 25 jaar de opperrabbijn van die stad. Hij wordt geëerd met de titel ‘maestro’, geestelijk leider. Door velen werd hij erkend als een gids die richting gaf aan hun bestaan, als een leraar die zijn levenswijsheid deelde met hen die bereid waren naar hem te luisteren.

Giuseppe Laras

Laras heeft telkens opnieuw gewezen op het steeds dieper groeiende antisemitisme, in Italië en in Europa. Gedurende zijn lange carrière heeft hij zich met evenveel vasthoudendheid ingezet voor de interreligieuze dialoog tussen joden en christenen. Hij was tot diens dood bevriend met zijn stadgenoot kardinaal Carlo Maria Martini, eveneens groot voorvechter van deze dialoog. Laras breidde zijn ideeën daarover uit tot de wereld van de islam. Hij nam deel   aan het World Congress of Imams and Rabbis for Peace. Laras heeft gewerkt als universitair docent aan universiteiten in Milaan en Pavia. Hij heeft zich vooral toegelegd op de studie van Maimonides, de Joodse filosofie van de Middeleeuwen en de Renaissance, onderwerpen waarover hij publiceerde.

Zich bewust van het naderende einde heeft Laras in een brief aan de Milanese Joodse Gemeenschap opgeroepen “nieuwe modellen” te ontwerpen waarmee men twee van de complexe problemen van deze tijd aan zou kunnen pakken: ten eerste “de nieuwe golf van antisemitisme, het verraad van de linkse politiek, het snelle intellectuele en morele verval van de Westerse beschaving”, en ten tweede de fase van “uittering en verharding” waarin het Jodendom verkeert.  In de context van de jaarlijkse herdenkingen rond 27 januari was Giuseppe Laras bekend geworden als de ‘Overlevende van de Sjoa’. Op 2 oktober 1944 ontsnapte hij in zijn geboortestad Turijn aan de dood in een concentratie- of vernietigingskamp toen zijn moeder en oma werden verraden. Hij vat de gebeurtenissen nog eens samen in een artikel dat het Italiaanse katholieke dagblad Avvenire op de dag na zijn dood afdrukte: “Het lichaam is een geschenk van God. Mijn jaren ontnemen mij mijn kracht…” Ik vertaal er de volgende passage uit:

Ik herinner mij dat de twee Italiaanse SS-ers eenvoudig op de deur klopten. Onze vrome conciërge, altijd goed behandeld door mijn familie, had mijn moeder en oma aangebracht.  Zo kon zij de 5000 lire per persoon incasseren. Ik herinner mij de straat die wij ’s avonds laat doorgingen, te voet naar het gebouw van de Gestapo. Ik herinner mij de laatste snel gewisselde blik met mijn moeder, die ik nooit meer terug zag. Ik herinner mij hoe ik wanhopig en geschokt was gevlucht om een veilig heenkomen te zoeken, een plaats om mij te verbergen. En ik herinner me ook dat ik een half jaar niet heb gesproken. Ze was mooi, mijn moeder. […] Ons gezin was warm en boordevol van de levenslust, die in het woord ‘familie’ is samengebald en verscholen. Mijn kinderjaren waren heerlijk. Op 2 oktober 1944 raakte ik dit alles in één slag kwijt. Ik was negen jaar oud. Het was een onomkeerbaar verlies.

Zoals gebruikelijk worden bekende personages door journalisten over actuele thema’s om hun mening gevraagd. Dat overkwam ook Rabbijn Laras regelmatig. In een artikel in het dagblad Corriere della Sera van 3 januari 2014 over Etty Hillesums Dagboek (ik heb de bron niet kunnen controleren) heeft hij iets over haar gezegd. De passage wordt geciteerd door Nadia Neri in haar artikel van 14 januari 2014, geplaatst op de website van de Milanese Vereniging Gariwo:

Het is verkeerd haar voor te stellen als een heldin of als een hoeksteen van het denken. Zij was een intelligente en gevoelige jonge vrouw, die ons een zeer belangrijke getuigenis heeft nagelaten. Maar men moet er ook rekening mee houden, dat zij grote psychologische problemen had, die werden verergerd door de verhouding met Julius Spier, een therapeut die 27 jaar ouder was. De woorden en het gedrag van Etty [Hillesum] moeten worden beschouwd in de optiek van een gestoorde persoon.

Neri vindt deze opmerkingen van Laras ‘geringschattend’. Haar verontwaardiging komt voort uit de opvatting “Etty is een gewone vrouw.” (Etty è una donna normale.), die Neri sinds 1988 heeft gekoesterd. Daar is niets op tegen, maar toch wijkt haar mening niet zó sterk af van die van de opperrabbijn als zij in hetzelfde stuk doet voorkomen. Dit blijkt als zij verduidelijkt wat zij zélf onder “normaal”  verstaat: “[Etty had] net als iedereen veel problemen, een moeilijke verhouding met haar ouders, eetproblemen en een ernstige depressie…” Voorwaar niet gering.

Dat geldt ook voor de opmerking van rabbijn Laras over Etty Hillesum: ‘een gestoorde persoon’ (una personalità disturbata). Ik neem voorlopig aan dat Neri de rabbijn correct citeert, maar het lijkt me niettemin een oordeel dat niet past bij iemand als Laras. Je vraagt je af wat hij van Hillesums werk gelezen heeft. Wellicht alleen de bloemlezing uit 1981? Ik blijf voorlopig het anwoord schuldig.

In dit stukje wil ik tot slot nog wijzen op een interessante overeenkomst tussen Etty Hillesum en Giuseppe Laras: beiden waren zij mensen van de dialoog en beiden hebben zij aan die overtuiging méér dan lippendienst bewezen. Het gesprek met de ander veronderstelt de afwezigheid van haat. In het dagelijks bestaan kan aan deze voorwaarde meestal wel worden voldaan, maar in de uitzonderlijke omstandigheden waaronder Etty Hillesum, haar familie en haar volk leefden (en mutatis mutandis de Italiaanse Joden), lagen de verhoudingen volledig anders. Er was veel moed voor nodig om serieus begrip te vragen voor de dialoog.

Ook in onze tijd, die wordt geteisterd door ontelbare verwoestende oorlogen en conflicten op zeer veel plaatsen in de wereld, vraagt het om grote moed de dialoog als middel voor de oplossing van conflicten voor te stellen. Niet zelden wordt deze optie honend afgewezen. De boventoon voert wat men aanduidt als “hate speech”; zoals bekend, werd de haat door Etty Hillesum op 15 maart 1942 zeer treffend aangeduid als “… een ziekte van de eigen ziel.”

Nota.

Nadia Neri is de schrijfster van het boek Un’estrema compassione. Etty Hillesum testimone e vittima del Lager, Milaan: Bruno Mondadori, 1999.

Bij de dood van mijn kater Max (2000-2017)

Op een avond aan het begin van deze nieuwe eeuw, tijdens een gespek bij hem thuis, stelde mijn vader dat aan het gezond oud worden een erg vervelend nadeel kleefde. Hij doelde op het wegvallen van de mensen van zijn generatie. Dat ontnam hem de mogelijkheid om met hen het gezamenlijk verleden te delen. Het hield hem bijna dagelijks bezig, zei hij, en voegde er aan toe dat het praten over je eigen verleden met iemand die was opgegroeid in de dezelfde tijd en omgeving héél iets anders was dan aan je kleinkinderen vertellen hoe een bepaalde gebeurtenis “in opa’s jeugd” zich had afgespeeld.

Diverse jaren na zijn dood heb ik pas doorzien wat er in zijn redenering stak. Ik begreep bij voorbeeld, dat een kleinkind, hoe belangstellend het zich in het gunstigste geval ook toont, de discontinuïteit belichaamt. En verder dat elk overlijden van één van mijn vaders leeftijdsgenoten een onheelbare breuk was, het definitieve verlies van wéér een gesprekspartner, dat de voorraad in het magazijn der eenzaamheid aanvulde. Hij bezocht niettemin trouw de begrafenisplechtigheden van zijn één voor één overleden vrienden, kennissen en familieleden, die hem. zo zei hij, voor waren gegaan.

Max in 2015.

Zijn bespiegelingen speelden mij weer door het hoofd in de dagen na het overlijden van mijn tweede en laatste huisgenoot-viervoeter kater Max. Hij stierf op woensdagmorgen 14 juni 2017 bij het aanbreken van de dag. Daarmee kwam er een eind aan zeventien jaar gezelschap, waarvan toewijding en vertrouwen, plezier en communicatie de belangrijkste bestanddelen waren. Gewoonlijk passen deze elementen in een goede verhouding tussen het dier en de mens die hun lot aan elkaar hebben verbonden. Wellicht trad het element van de ‘communicatie’ bij kater Max meer dan gebruikelijk op de voorgrond. Een dierenarts zei ons – eind 2000 bij zijn sterilisatie – dat hij behoorde tot de ‘pratertjes’, die naar haar mening niet zo dik gezaaid waren. Zij ried ons aan deze aanleg te stimuleren. Wij volgden haar advies op en de beloning bleef niet uit: Max groeide op tot een kater die te pas en te onpas zijn bekje open deed. Tot wederzijds genoegen, dat spreekt.

Vanwege het vertrek van mijn drie huisgenoten: door het overlijden van twee geliefde dieren en het verhuizen van één geliefd mens naar elders mankeren de samenspraak en het genot van het gedeeld verleden.

De kunstenaar en schrijver Jac. van Looy geeft zijn personage bij het begin van zijn verhaal ‘De dood van mijn poes’ (1889) deze gedachten in:

Waar zat zo’n beest anders zo lang, en nu juist, nu ik haar bij me hebben wou, nu ’k me zo alleen voelde, zij zo vroolijk met haar gespeel; nu ik haar eigenwijs wel zou willen zien rondlopen over mijn zolder, of onhoorbaar van haar nest op de luie stoel naar me komen zien aanzetten, de geringde staart hoog dragend, als een pluim ijdelheid die ze genoegelijk boven zichzelf opstak. […] kijk: zo zou ik haar weer willen zien liggen nu, op de rosse vloer van oud plankenhout, in weelderig uitgerek, net doende zo, als een miniatuur van een koningstijger op een rode rots die zich heet stooft, geslagen liggend door ’t zat vreten, vuurkijkend nog uit de zwarte ringen van zijn geweldige kauwkop en die gaapt en rekt en knipoogt naar de zon.

Van Looys poes komt terug naar het atelier, maar het loopt toch slecht met haar af. U vindt hier het complete verhaal.

Oh ja, mijn vader meende oprecht, dat het geregeld ophalen van herinneringen aan wat je samen hebt beleefd, je uiterste best doen om zoveel mogelijk details boven water te krijgen, ondanks de verklaarde onbetrouwbaarheid van het menselijk geheugen, de dood bij hem uit het laantje hield. Ik meen dat hij er niet ver naast zat.

Mijn goede Max heb ik dezelfde woensdag even voor zonsondergang achter de grote loods begraven. Een plaatsje op loopafstand, minder dan honderd meter van mijn huis. Af en toe ga ik er langs en leg er een steentje bij.

Paul 1999 – 2016

20150718_082042
18 juli 2015

Op vrijdagavond 20 mei om kwart voor acht is Paul voorgoed ingeslapen.

Wanneer hij werd geboren, is niet bekend. Door de honger gedreven, had hij in het voorjaar van 1999, op enkele meters afstand van de deur van het kantoor van onze uitgeverij, timide miauwend de aandacht getrokken. Dit was Paul ten poten uit: een slim mengsel van verlegen- en bescheidenheid die hij vooral ten opzichte van de eerste bewoner van dit huis in stelling bracht. Max was direct gecharmeerd van deze soortgenoot, wiens vacht dezelfde kleuren had. Dat hielp om de acceptatie vlotjes te laten verlopen en een serene kattenvriendschap kwam tot stand.

29 oktober 2015, in Sant'Oreste.
29 oktober 2015

Ons samenzijn heeft een kattenleven lang geduurd.

Paul werd daags na opname in ons gezin vernoemd naar de Zwitserse kunstenaar Paul Klee. Tegen de verwachting was het evenwel niet de schilderkunst die  hem boeide, maar heeft hij de kunst van het autobiografisch schrijven als object van studie gekozen. Het motto van de Zwitser, dat kunst niet het zichtbare weergeeft, maar zichtbaar maakt, achtte de santorestese Paul ook als idee voor de studie van dagboeken van belang.

Het graf van Paul
Het graf van Paul

Op zondag 22 mei heeft Paul na 17 jaren zijn laatste rustplaats bereikt.

Hij was de waarheidsgetrouwe onschuld zelve. Onbaatzuchtig gaf hij zijn liefde aan allen die hem omringden, zonder voorkeur voor vier- of tweevoeters. Hij was het zonnetje in huis.

Dag Paul.

 

Fulvio Manara 1958 – 2016

Goede Vrijdag, Pasen 2016.

Het bericht dat Fulvio Manara op vrijdag 25 maart in de avonduren aan een hartaandoening was overleden, kwam echt onverwacht. Hij was thuis aan het werk in zijn studio. Werk wil zeggen lezen en schrijven.

Fulvio C.P. Manara (geb. 29 juni 1958) doceerde Sociale pedagogie aan de Universiteit van Bergamo. Fulvio’s primaire belangstelling en liefde gingen uit naar het onderzoek, naar de bestudering van de teksten die hij voor de samenleving van belang achtte. De denkers en schrijvers  die bovenaan zijn ‘werklijstje’ stonden, waren Mahatma Ghandi, Ramon Panikkar en Etty Hillesum. Bij de keuze van de auteurs die aan zijn leven en onderzoeksactiviteiten richting gaven, waren de thema’s van de geweldloosheid en de mensenrechten doorslaggevend. Daarin paste zijn visie op het dagboek van Etty Hillesum als ‘Libro di formazione’, naar zijn opvatting een tekst die vormende en educatieve kwaliteiten in zich bergt.

Onze eerste ontmoeting dateert uit 2004. Hij vroeg mij naar Bergamo te komen om iets rond Etty Hillesum op touw te zetten. Sindsdien hebben wij een grote hoeveelheid initiatieven op dit gebied gerealiseerd waar velen in binnen en buitenland bij werden betrokken, niet in de laatste plaats dankzij Fulvio’s uitgebreide (inter)nationale netwerk – waartoe ook verschillende aan het EHOC verbonden Hillesumonderzoekers – en ondanks de 600 kilometer die ons scheidden.

Deze afstand is sinds vorige week vrijdag onoverbrugbaar geworden. Zijn opgewekte getuigenis van sympathie en vriendelijkheid, uitgedrukt in zijn heldere ‘Ciaaoo Gerrit’ bij het opnemen van de telefoon, was heerlijk om te horen.

Op Tweede Paasdag is Fulvio begraven, in de namiddag in Albino, bijna 14 kilometer ten noord-oosten van Bergamo, waar hij met zijn vrouw Alida en drie kinderen Elia, Lucia en Jacopo woonde.

Velen van ons zullen met weemoed terugdenken aan zijn vriendelijke gezicht waarop zijn zachte glimlach je welkom heette.

Dag Fulvio.

Fulvio in chiesaOp deze foto loopt Fulvio in de aula magna van de Universiteit van Bergamo. Het Departement Menswetenschappen waar hij werkte is gevestigd in het het voormalige klooster Sant’Agostino waar de recent gerestaureerde ontwijde kerk onderdeel van is.

Door te klikken op de foto kunt u de details bekijken. De foto werd gemaakt door Maughn Gregory (Montclair State University), die op uitnodiging van Fulvio in oktober 2015 als visiting professor in Bergamo les gaf.