Etty Hillesum congres in Rome: december 1988

Wat wist men in Nederland van het Etty Hillesum Congres van 4 en 5 december 1988 in Rome?

Artikelen van Jan Louter teruggevonden

In het magazijn van onze uitgeverij, dat zich onder mijn huis bevindt, staat een pallet met een dozijn dozen gevuld met oud archiefmateriaal. Af en toe maak ik er een open, bekijk de inhoud en gooi wat weg kan in de papierbak. Tussen het pakje brieven dat ik vond, was er een van Jan Louter, die ik mij niet meer herinner. In de enveloppe een heel vriendelijk begeleidend ansichtkaartje van 14 januari 1989 met een winterse afbeelding van de Magere Brug in Amsterdam. Belangrijker zijn echter de fotokopieën van de twee artikelen die hij de maand daarvoor had gepubliceerd. Het kortste verscheen in Het Parool van dinsdag 6 december 1988. Het tweede, aanzienlijk langere artikel, was geplaatst in het NIW, Nieuw Israëlietisch Weekblad van vrijdag 9 december 1988.

In beide artikelen doet Jan Louter verslag van het Etty Hillesum Congres van 4 en 5 december 1988 in Rome, dat hij mogelijk als journalist had bijgewoond. Het bestaan van zijn artikelen was ik volledig vergeten.

Van links naar rechts: Nadia Neri, Giacoma Limentani, een adm mederw., Ted Meijer, Sergio Quinzio  en Romana Guarnieri. Op de eerste verdieping van het Nederlands Instituut te Rome. Foto © Maria Korporal.

Ted Meijer

Het tweedaagse Romeinse symposium over Etty Hillesum heeft het verloop van mijn leven in Italië in de jaren daarna bijzonder sterk beïnvloed. Tot op de dag van vandaag, zoals blijkt uit dit weblog.  Daarover zal ik het nu niet hebben. Naar aanleiding van de hervonden artikelen wil ik echter één persoon, bij wijze van dierbare herinnering en durende dankbaarheid, hier kort ter sprake brengen.  Ik bedoel Ted Meijer (1940-1997), de toenmalige directeur van het Koninklijk Nederlands Instituut te Rome. Hij overleed op 15 augustus 1997. Over minder dan drie weken is dat 23 jaar geleden.

Het is te danken aan Meijers enthousiaste steun aan het project dat deze eerste internationale bijeenkomst over Etty Hillesum kon worden gerealiseerd. Ik had het project in 1987 bedacht en aan hem voorgelegd toen hij nog maar net in dienst was getreden. Hij stond direct achter het plan en verschafte er het institutionele kader voor. Dat was erg belangrijk, want het stelde mij in staat het als een cultureel project van het Instituut te presenteren en te organiseren.

De publicatie van de Hillesum-lezingen

Later zorgde Ted Meijer ook voor de financiering van de uitgave van het boek met de resultaten van de twee symposiumdagen. Het verscheen in 1990: L’esperienza dell’Altro, De ervaring van de Ander, waarin ik de vijftien lezingen had opgenomen. Het was de eerste uitgave van onze uitgeverij Apeiron Editori, die Maria Korporaal en ik in datzelfde jaar hadden opgericht. Dat was nodig, omdat geen enkele Italiaanse uitgever de teksten wilde publiceren. In het najaar van 2020 hopen wij het elfde boek over Etty Hillesum te publiceren.  Maar daarover volgt later meer.

Jan Louters artikelen in pdf :
Het Parool In Rome congres over E. Hillesum
NIW: Italianen verslaafd verrukt over Diario Etty Hillesum

16 oktober 1943: de razzia in het voormalige getto van Rome

Vergeleken met de razzia’s, de deportaties en het aantal Joodse slachtoffers is er een groot kwantitatief verschil tussen Nederland en Italië. De nazi-dictatuur duurde in Nederland vijf jaar. De noordelijke helft van het Italiaanse schiereiland, inclusief Rome, werd door de voormalige bondgenoot bezet kort ná de gebeurtenissen van 8 september 1943. Het zou duren tot 25 april 1945 voor het land geheel was bevrijd. Voor Rome kwam dit gelukkige moment aanzienlijk eerder: op 5 juni 1944 waren de geallieerden in de stad. De anti-joodse politiek werd in het bezette gebied onverstoorbaar voortgezet en heeft in totaal iets meer dan 8000 slachtoffers geëist.

Op zaterdag 16 oktober 1943 werd door de nazi’s een grootschalige razzia in het Romeinse voormalige getto uitgevoerd. 1020 Joden werden naar Auschwitz-Birkenau gedeporteerd. Het bleef bij deze eenmalige omvangrijke actie. In de maanden daarna, tot hun aftocht naar het noorden, pakten de nazi’s nog wel Joden op, maar dat betrof gelukkig slechts geringe aantallen. Italiaanse jodenjagers waren daarbij overigens zeer behulpzaam.

Over de razzia publiceerde de schrijver en literatuurcriticus Giacomo Debenedetti (1901-1967) al in december 1944 een eerste verslag. Het was een korte tekst die werd afgedrukt in het Romeinse tijdschrift Mercurio. In boekvorm zou het werkje decennia lang het enige referentiepunt blijven. In 1985 bracht Meulenhoff een Nederlandse vertaling uit, gemaakt door Frida De Matteis Vogels: 16 oktober 1943 – een joodse kroniek.

Sinds de eeuwisseling is het aantal publicaties over deze rampdag sterk gegroeid. Opvallend in dit spectrum is het boek dat de Romeinse (maar geboren in Turijn, 1944) historica Anna Foa in 2013 publiceerde: Portico d’Ottavia: Una casa nel ghetto nel lungo

Voorplat van de 1e editie.

inverno del ’43 [letterlijk: De zuilengalerij van Octavia: Een huis in het getto in de lange winter van 1943]. Zij heeft zich de vraag gesteld wat er op die dag met de inwoners van het grote pand aan de via Portico d’Ottavia 13 is gebeurd. Het resultaat is een boeiende «micro history», gebaseerd op archief- en literatuuronderzoek, die zij evenwel zorgvuldig heeft ingebed in de historische context. Anna Foa vertelt het verhaal van het lot van ruim honderd Romeinse vrouwen en mannen en hun kinderen, die het slachtoffer werden van het misdadig handelen van de nationaalsocialisten.

Anna Foa heeft twaalf jaar gewoond in een van de appartementen die het uit de middeleeuwen daterende pand rijk is. Misschien was dit een van de motieven om het verhaal te vertellen. Maar haar Joodse afkomst en het feit dat zij moderne en contemporaine geschiedenis beoefent, als docente en onderzoeker aan de Romeinse universiteit Sapienza, hebben mogelijk ook meegeteld.

In haar boek stelt Foa behalve de feitelijke gang van zaken een aantal fundamentele kwesties inzake de Jodenvervolging aan de orde. Ik noem hier: de gedegen voorbereiding, zorgvuldige geheimhouding, efficiënte uitvoering (ondanks een tekort aan manschappen), gebruikmaking van de gegevens van de Romeinse burgelijke stand, van de hand- en spandiensten van de fascistische politie, ook al werd die sterk gewantrouwd, en tenslotte de valse informatie verstrekt aan de slachtoffers omtrent hun bestemming. Het zijn elementen die wij ook uit de Nederlandse situatie kennen. Een verschil is bijvoorbeeld de ‘segregatie’, die in Italië reeds in 1938 (!) zijn beslag kreeg in de zogenaamde rassenwetgeving.

De meeste van de Joodse bewoners van het Huis­ – Foa gebruikt de term Huis en schrijft die met een hoofdletter: Casa – bleken vóór en na de razzia niet alleen slecht geïnformeerd over de ware bedoelingen van de nazi’s, maar zelfs te goed van vertrouwen. Op een enkeling na die onderdook, bij voorbeeld rabbi Zolli, die niet naliet anderen aan te sporen hetzelfde te doen. Door de leiding van de Joodse gemeenschap werd hem lafheid verweten.

Het blok genaamd Sant’Ambrogio della Massima , waarvan het pand op nummer 13 deel uitmaakt.

Natuurlijk maakten ook anderen – vrouwen en mannen – zich in de vroege ochtenduren van 16 oktober snel uit de voeten, voor zover zij konden. De meesten van de ongeveer 110 bewoners, verdeeld over een 20-tal gezinnen, bleven echter in hun woning. Het gedrag van erg veel vrouwen werd helaas bepaald door de overtuiging dat de Duitsers alleen de mannen zouden oppakken voor de zogenaamde Arbeitseinsatz. Maar ook de bekende feiten die elders eveneens de onderduik verhinderden – gebrek aan financiële middelen, familie, vertrouwde omgeving – telden mee. Foa maakt melding van wat ook uit andere onderzoeken is gebleken: dat diverse Romeinse kloosters gastvrijheid gaven aan Joodse vrouwen en kinderen. (Zie mijn recente post over Giacoma Limentani.)

De rol bij de jodenvervolging van de fascisten die zich na 8 september 1943  achter de Republiek van Salò schaarden, wordt door Foa nauwkeurig uiteengezet. Hun antisemitisme vond zijn ‘wettelijke’ basis in de fascistische rassenwetten (leggi razziali fasciste), die tot stand waren gekomen in de zomer en het najaar van 1938. Foa laat  echter duidelijk zien, dat roof van Joods bezit het hoofdmotief van hun handelen was. En dat je doet gelijk denken aan het boek Roof: De ontvreemding van joods bezit tijdens de Tweede Wereldoorlog, van Gerard Aalders. Foa geeft ook een voorbeeld van het verschijnsel dader uit eigen kring, hier in de persoon van Celeste Di Porto, bijgenaamd Zwarte Panter. Deze jonge Joodse inwoonster van de wijk collaboreerde zonder scrupules met de nazi’s en de Salò-fascisten, en verraadde vrienden, kennissen en familieleden.

Het derde thema dat ik wil noemen is de naoorlogse rechtspraak (hoofdstuk 8). Ook hier zijn opmerkelijke parallellen te bespeuren. De stemming in het naoorlogse Italië leek sterk op het gevoelen dat men ook elders in Europa aantrof: men wilde zo snel mogelijk een punt achter deze pijnlijke geschiedenis zetten en de wederopbouw ter hand nemen.

Voor wat de hier besproken geschiedenis betreft, geeft Foa aan dat talloze daders niet, nauwelijks of licht werden gestraft, en niet zelden na korte tijd vrij kwamen. Daaraan waren ook debet de amnestiemaatregelen – waaronder ook collaboratie viel – die in 1946 werden afgekondigd door de toenmalige minister van justitie Palmiro Togliatti. Niet te onderschatten was bovendien het antisemitisme dat in de jaren na de bevrijding opnieuw zijn Medusahoofd opstak. Foa citeert hiervan de evidente sporen in de verslagen van de rechtzittingen die zij voor haar boek heeft onderzocht. Voor Nederland leze men er Abel J. Herzbergs Kroniek op na.

In nauw verband hiermee staat het thema van de naoorlogse verzoening, die door het ontbreken van een adequate rechtspraak nauwelijks tot stand is gekomen. Terecht stelt de historica dat een door de slachtoffers als juist ervaren rechtspraak een voorwaarde is voor verzoening.

Foa legt in haar boek niet expliciet het verband met het groeiende antisemitisme vandaag de dag in Italië, maar uit de toon en de taal van het boek blijkt dat zij zich daarover geen enkele illusie maakt.

Noot.
Naar de jodenvervolging in Italië is degelijk historisch onderzoek verricht. Een centrale rol speelde en speelt daarbij het in Milaan gevestigde CDEC (Foundation Jewish Contemporary Documentation Center) dat zich toelegt op archiefvorming, coördinatie en bevordering van onderzoek. De Stichting CDEC neemt natuurlijk deel aan het internationale netwerk EHRI: European Holocaust Research Infrastructure.

Een ‘leeg’ Colosseum

Vanmorgen om kwart voor acht, drie kwartier vóór de kassa’s open gaan, stond er al een flinke rij mensen te wachten bij de dranghekken van Italië’s beroemdste amphitheater. Niet lang na 8.30 uur neemt het publiek gulzig bezit van het Romeinse monument. Ik haastte me naar binnen, want ik had bedacht dat ik vóór de invasie in de gelegenheid zou zijn een paar foto’s te maken van een Colosseum zonder bezoekers. Een buitenkansje. Er worden jaarlijks miljoenen foto’s gemaakt van Flavius’ Amfitheater, maar om een afbeelding van dit monument zonder publiek te bemachtigen moet je de president van Amerika zijn, in het Colosseum werken of als professionele fotograaf met een bepaalde opdracht toegang hebben verkregen. Ik behoor tot geen van deze drie categorieën, niettemin ben ik er vanmorgen in geslaagd enkele plaatjes zonder publiek te schieten. De kwaliteit is niet overtuigend, want ik ben geen fotograaf en bovendien staat de meizon op dit uur van de dag nog laag en veroorzaakt schaduwen als je met je rug naar het westen staat.

Zuidring van het Colosseum, zaterdag 24 mei 2014, 8.00 uur. (Klik op de foto om te vergroten.)

Hieronder een detail van de uitgestorven gallerij aan de noordzijde van het monument. Heel goed te zien is het ingepakte verblijf waar de (over)vermoeide suppoosten uitrusten en hun sigaretje roken. Wie vandaag het Colosseum heeft bezocht, zal zich gewaar geworden zijn van de stijgers die aan de noord-westelijke buitenzijde zijn opgetrokken. Dat is aan de kant van het Metrostation. Telkens als er een deel van de restauratiewerkzaamheden – vooral een schoonmaakbeurt – gereed is gekomen schuiven de stijgers een stukje op. Maar de foto hieronder laat zien dat er ook aan de binnenzijde wordt gewerkt.

Gang op de eerste verdieping, noordzijde, zaterdag 24 mei 2014, 8.00 uur. (Klik op de afbeelding om te vergroten.)

De restauratie wordt gefinancieerd door de schoenenfabrikant Tod’s. Zie hier een informatief artikel in de Washington Post van 5 december 2013. De bezoekers zullen nog ruim twee jaar (tot 2017) tegen de stijgers aan moeten kijken, maar gelukkig beslaan zij slechts een klein gedeelte van Italië’s meest geliefde monument. Van de 25 miljoen euro die Tod’s  voor de restauratie beschikbaar heeft gesteld, wordt 10 % besteed aan een service centrum. Waar dat gaat komen is mij nog niet duidelijk geworden.

In 2008 heb ik voor een Romeinse uitgever een toeristisch boekje over Rome in het Nederlands vertaald. Daarin is ook een hoofdstukje over het Colosseum opgenomen.

Etty Hillesum op de Palatijn

Donderdagavond 27 februari 2014: om kwart voor negen neem ik plaats op de voorste bank rechts van het middenpad in de kerk van san Bonaventura op de Palatijn om een merkwaardige boekpresentatie bij te wonen. Maar op het moment dat ik mijn overjas uittrok en onder de houten kerkbank frommelde, wist ik dat nog niet.

Magnifiek de plaats van handeling, ook al was mijn Romeinse gezelschap niet bijzonder onder de indruk, het zij hun vergeven, zij groeiden op met het Colosseum, de triomfbogen van Constantijn en Titus. Want in die contreien ligt het kerkje waarin ruim honderd mensen een zitplaats zochten om de presentatie van het nieuwe boek over Etty Hillesum bij te wonen: pakweg op 100 meter loopafstand van de drie wereldberoemde monumenten. Het kerkje maakt deel uit van het klooster van de heilige Bonaventura, dat wordt bewoond door Franciscaner monniken en zeer geliefd is om er huwelijken in te laten zegenen. Ik kwam er voor het eerst!

De Palatijn gezien vanaf het plein van het Colosseum. Afbeelding van Giuseppe Vasi. De San Bonaventura bevindt onder de laagste tak van de boom.

De bijeenkomst was aangekondigd met de titel (vertaald): “De honderdjarige geboortedag van Etty Hillesum. 1914-2014. Van Franciscus van Assisi tot Etty Hillesum. Een zoektocht naar het zelf en naar God.” Er waren drie sprekers: Broeder MichaelDavide Semeraro, de auteur van het boek Etty Hillesum. Umanità radicata in Dio, pater Pietro Messa en Mario Bertin, moderator.

Een jonge medewerker van de Uitgeverij Paoline, die het boek van Semeraro in het najaar van 2013 uitbracht, opende de bijeenkomst. Etty Hillesum was “een prioriteit van zijn werkgever geworden”, zei hij, en voegde er als persoonlijke noot aan toe, dat zij een plaatsje in zijn hart veroverd had. Maar hij liet graag het woord aan de specialisten achter de tafel. Hij vergat natuurlijk niet te vermelden dat men na afloop het boek vóór het verlaten van de kerk kon aanschaffen bij het tafeltje in het atrium. De auteur signeert! Inderdaad heeft deze uitgeverij met deze auteur de vijfde monografie over Hillesum op de markt gebracht. Eerder verschenen: Paul Lebeau (2000), Ingmar Granstedt (2003), Beatrice Iacopini (2009), Yves Beriault (2013).

Moderator Bertin ontpopte zich als inleider en begon met de opmerking dat Semerano “tot de meest gekwalificeerde kenners van Etty Hillesum in Italië moet worden gerekend”. Daarna deed hij een poging tot contextualiseren door een hele reeks vrouwen uit de vorige eeuw op te noemen onder wie ook een aantal die door de nazi’s waren omgebracht, inclusief  Etty Hillesum. Hij trachtte het publiek ervan te overtuigen dat deze vrouwen niet abstract dachten, waardoor zij naar zijn gevoel in het leven waren “geworteld”. Of dit lukte, betwijfel ik. Uit de verontwaardigde reactie van mijn twee buurvrouwen op de kerkbank kreeg ik een andere indruk. Met deze term hernam hij het sleutelbegrip uit het boek van Semeraro, jammer alleen dat die het woord reserveert voor Etty Hillesums godsbegrip.

Uit de algemene bewoordingen van de zeventigjarige Bertin (hij zei het zelf!) over de Sjoa bleek al snel dat het verschijnsel niet hoog op de prioriteitenlijstje van zijn geliefde studiethema’s stond. Bovendien was hij niet verder gekomen dan de Italiaanse vertaling van Het verstoorde leven, Italiaans: Diario 1941-1943, en de incomplete brievenbundel die in Nederland als Het denkende hart van de barak werd gepubliceerd. Toch waren de vertalingen van het volledige dagboek en de brieven respectievelijk reeds in 2012 en 2013 in het Italiaans beschikbaar gekomen. Bertins gereduceerde editie lag vóór hem op de tafel, naast de microfoon en naast de complete editie die de auteur van het te presenteren boek had meegebracht.

De heer Bertin besloot zijn inleiding met de lectuur van een passage uit een lezing van Leonie Penney Snatager (1918- 2013) aan Nadia Neri (1997 of 1998) door Semeraro geciteerd in zijn boek (pp. 133-134). De geciteerde passage grijpt terug op de jaren 1937 en 1938 waarin de twee studentes Snatager en Hillesum met elkaar omgingen (vgl. de noot in Het Werk [p. 722] die refereert aan pagina 21 van Hillesums dagboek).

De tweede spreker was de theoloog Pietro Messa, docent verbonden aan de Universiteit Pontificianum Antonianum, specialist in de Heilige Franciscus. Messa is franciscaan. Dat hij van Etty Hillesum (die hij in zijn bijdrage van 25 minuten drie keer noemde, waarbij hij alleen de eerste keer haar naam goed uitsprak) weinig kaas had gegeten en slechts bij naam kende, was al bij zijn eerste woorden duidelijk, want hij bekende ruiterlijk dat hij het te presenteren boek niet had gelezen. De tijd die hem ter beschikking stond, en wat meer, heeft hij gevuld met allerlei slimme en vermakelijke opmerkingen over de heilige Franciscus en over de huidige paus Bergoglio, die zoals bekend dezelfde naam heeft gekozen. Het recent verschenen boek van een Paduaanse franciscaner monnik, Fabio Scarsato, die over Franciscus en Etty Hillesum in 2013 een interessante studie heeft gepubliceerd, noemde onze spreker niet. Docent Messa had natuurlijk geen tijd om dit boek ter hand te nemen, zoals hij geen tijd had gevonden om het boek van Semeraro te lezen.

Het is dan ook niet vreemd dat er door geen van de twee sprekers verband werd gelegd tussen de heilige uit Padua en de ‘jeugdige Jodin’ (giovane ebrea) Etty Hillesum, zoals zij vaak door Italiaanse rooms-katholieke auteurs wordt genoemd. In Italië ben je nu eenmaal jong tot je vijfendertigste, vooral als je nog thuis woont, hetgeen alles behalve zeldzaam is. Aangemoedigd door broeder Messa begon nu ook moderator Bertin (accent op de tweede lettergreep!) over Franciscus, want had hij niet recent (2013) zijn boek over de ‘poverello’ uit Assisi gepubliceerd? Doch ook in deze tweede woordenstroom kwam het verband tussen beide personages niet tot uiting.

Al die tijd week de glimlach niet van het sympathieke gezicht van dominicaan Semerano. Nu zou hij, eindelijk, na bijna een uur franciscaanse wijsheden, aan de beurt komen. Wij hadden een uitstekend zicht op de sprekers. Het leek me dat Semerano sinds onze eerste ontmoeting in 2006 (met iemand anders heb ik toen in een Romeinse boekhandel zijn eersteling over Hillesum gepresenteerd) hier en daar een kilootje meer meetorste, ondanks het hoge energieverbruik dat de talloze boekpresentaties in den lande van hem moet vergen. Semeraro is namelijk een bijzonder productieve religieuze auteur, die enkele tientallen boeken op zijn naam heeft staan, waaronder dus twee boeken over Etty Hillesum.

Wat had Semeraro ons te zeggen over Hillesum? Ik zal mij beperken tot enkele van zijn opmerkingen. Voorop staat zijn grote bewondering voor de persoon Hillesum en het belang van haar geschriften voor onze tijd. Hij steekt niet onder stoelen of (kerk)banken dat hij het dagboek leest vanuit een religieuze optiek, maar hij stelt zich nadrukkelijk op tegen de pogingen Etty Hillesum binnen willekeurig welke confessionele sfeer te trekken: Hillesum is géén christen noch een mystica en zij heeft zich niet tot het christendom bekeerd. Semeraro noemde instemmend Hillesums betoonde afkeer van de ‘Oxford groep’ en hij vatte haar woorden samen als “in het openbaar vrijen met God”, een naar  idee voor een dominicaan. Vervolgens formuleerde hij de stelling van Etty Hillesums “compatibiliteit met de christologie”. Toen hij dit gezegd had, dwaalden mijn gedachten af naar de ontnuchterende zin van Hillesum waarin ze schrijft “dat er in iedere bewust verdedigde levensbeschouwing bedrog sluipt”. (Het Werk, 168) Zou de ‘gekwalificeerde kenner’ – Bertin dixit – die opmerking over het hoofd hebben gezien?

Semeraro (in stemmig zwarte burgerkleding) stelde vervolgens vast dat men over het einde van Etty Hillesum niet zinvol kan spreken, want wij weten niets over haar verblijf in Auschwitz, noch kennen wij de datum van de dag waarop zij overleed – hij zei niet: vermoord. Haar laatste bericht is de briefkaart aan Chistine van Nooten. Semeraro verlegt het accent naar het ‘begin’: de belangrijke rol van Spier aan wie zij hulp vraagt, het thema van de chaos, de verhouding met haar ouders: de auteur gebruikte de term “desastreus”. Semeraro  oordeelde niet negatief over de abortus, ook al meende hij dat niet duidelijk was van wie de ‘vader’ was. Naar mijn idee is Hillesum er duidelijk over in haar aantekening van 8 december 1941 (Het Werk, 173-178, 180, met name 177).

Het laatste punt dat ik wil vermelden is het compliment dat Semeraro aan het adres van het Nederlandse volk van toen richtte: “een fantastisch volk”. De context waarin dit door hem werd gezegd was de vraag waarom de Joden niet zeer op Hillesum zijn gesteld. Hij verklaarde dit als volgt. Hillesum zou door haar betrokkenheid bij de Joodse Raad hebben gecollaboreerd. Nederlanders weten dat hier wordt gerefereerd aan een delicate kwestie waarop ik hier niet kan ingaan. Voor Semerano telt echter dat het thema ‘collaboratie’ een smet zou werpen op de snelgroeiende Italiaanse rooms-katholieke liefde voor Etty Hillesum. Daarom dient dit argument te worden ontzenuwd. Semeraro citeerde daartoe de opvatting van een gezaghebbende Milanese rabbijn, in een interview afgedrukt in het dagblad Corriere della Sera van 3 januari 2014: “Ik geloof echt niet, zegt rabbijn Giuseppe Laras, dat men Etty Hillesum enige vorm van collaboratie ten laste kan leggen.” Beter kon het niet: een auctoritas argument van Joodse oorsprong, behendig ingevlochten in een dominicaans discours over Etty Hillesum!

Het liep tegen half elf. De boekentafel van uitgeverij de stond te trappelen van ongeduld. Ik had nog net even tijd om Semerano de foto van Etty Hillesum als bruidsmeisje bij een Joodse huwelijksinzegening (Winschoten 1920) te laten zien. Zijn glimlach maakte, eindelijk, plaats voor verbazing: de Joodse kleuter Etty Hillesum…

De dominicaanse monnik MichaelDavide Semeraro (geb. 1964) woont in een klooster in de Noord-Italiaanse regio Aosta.

Aswoensdag 2013: Paus Benedictus XVI over Etty Hillesum

Het is 13 februari 2013, aswoensdag. Vijftien dagen vóór zijn terugtreden schenkt  Benedictus XVI tijdens de woensdagse audiëntie aandacht aan Etty Hillesum en leest een citaat uit haar dagboek. De hoogste autoriteit van de rooms-katholieke kerk brengt Etty Hillesum voor het aangezicht van de wereld.

Ziehier mijn vertaling van de alinea uit de tekst die Benedictus XVI heeft voorgelezen. Hij heeft eerst iets gezegd over Pavel Florenski, die tot het geloof was teruggekeerd, en vervolgt:

‘Ik denk ook aan Etty Hillesum, een jonge Nederlandse vrouw van Joodse afkomst, omgekomen in Auschwitz. In het begin stond zij ver van God, maar ze ontdekt hem als zij diep in haar innerlijk doordringt. Zij schrijft: “Binnen in me zit een heel diepe put. En daarin zit God. Soms kan ik erbij. Maar vaker liggen er stenen en gruis voor die put, dan is God begraven. Dan moet hij weer opgegraven worden.” In haar diffuse en fragmentarische leven hervindt zij God, in het midden van het grote drama van de 20ste eeuw, de Sjoa. Deze  jonge vrouw, eerst fragiel en ontevreden met zichzelf, dan verheerlijkt door het geloof, groeit uit tot een vrouw vol van liefde en innerlijke rust; op dat punt aangekomen kan zij zeggen: “Ik leef in een ononderbroken intimiteit met God.”’

Het eerste citaat is uit de dagboeknotitie van 26 augustus 1941 (Het Werk, 97.) en het is opmerkelijk dat in de Italiaanse tekst wordt verwezen naar: “Diario, 97”. Ik dacht aanvankelijk dat de verwijzing terugging op de Italiaanse editie waarover ik hier eerder berichtte, maar dat is niet zo want de paginanummers daarin zijn 60 en 153, respectievelijk de in antologie (1985) en de integrale Italiaanse editie (2012). Maar ook de pauselijke vertaling wijkt af, zij blijft dichter bij de Nederlandse tekst. De vraag kwam op, heeft Benedictus XVI het Nederlandse origineel op zijn schrijftafel gehad? De aardige gedachte is mij even bij gebleven: de paus die het werk van Etty Hillesum in háár moedertaal leest. Maar het blijkt niet zo te zijn. De vertaling is uit het kleine Hillesumboek van de karmelites Cristina Dobner, waarin zij een ruime selectie door haar vertaalde teksten heeft opgenomen (Etty Hillesum. Pagine mistiche, 2007, 112).

De zin waarmee de paus zijn alinea afsluit: ‘Vivo costantemente in intimità con Dio.’, lijkt een parafrase op de zin uit Hillesums brief van 18 augustus 1943 uit Westerbork aan Henny Tideman: ‘Mijn leven is geworden tot één ononderbroken samenspraak met jou mijn God […].’ (Het Werk, 682.). De auteur geeft hierbij geen paginaverwijzing, maar dat zij hem vergeven, gezien de turbulente tijden waarin zijn kerkelijke leiderschap verkeert.

Hier past nog een opmerking over de context waarin de aan Hillesum gewijde alinea is opgenomen. Het was op 13 februari aswoensdag, de aanvang van de vastentijd. De paus stelt het begrip ‘zich bekeren’ (convertirsi) aan zijn toehoorders voor als leidraad voor de 40 dagen die hen van Pasen scheiden, en biedt een drievoudige invulling van de term: “[…] het volgen van Jezus op een manier dat het Evangelie de praktische gids voor ons dagelijks leven wordt; toelaten dat God ons transformeert, zodat we ophouden te denken dat wij degenen zijn die ons bestaan bepalen; en ten derde, dat we erkennen van God en van zijn liefde afhankelijke schepsels zijn, en beseffen, dat wij slechts in Hem ons leven ‘verliezende’, wij het weer kunnen terugkrijgen.” Het begrip ‘transformatie’ is hier het Leitmotiv, en derhalve het thema, dat in zijn alinea over Hillesum centraal staat. En niemand zal ervan opkijken dat hetzelfde begrip een vooraanstaande plaats bekleedt in de Italiaanse katholieke Hillesumreceptie.