Marco Minniti brengt Johan Huizinga in de Grote Moskee van Rome ter sprake

Op het gymnasium in Groningen kreeg Johan Huizinga les in algemene geschiedenis van Harm Hermans (1841-1911). De gymnasiast bewonderde diens geleerdheid maar verweet de erudiete docent echter ook dat hij zijn leerlingen geen ‘degelijk overzicht van de geschiedenis’ bijbracht. Voor één initiatief zou hij hem echter altijd dankbaar blijven. Hermans gaf namelijk buiten het lesrooster om ook Hebreeuws aan theologanten en de jonge taalliefhebber Huizinga schoof zonder dralen bij hen aan. Na enige weken zei Hermans: ‘Och jongens, Arabisch is eigenlijk veel aardiger, zal ik jullie Arabisch geven?’ Huizinga meldt dan: ‘Drie brave theologanten en ik hapten toe, en er werd nog een extra lesuur op gezet.’ In de daarop volgende jaren zou hij zich verder in de taal bekwamen. Zijn hartewens in Leiden oosterse letteren te gaan studeren ging echter niet in vervulling.

Deze herinnering vermeldt Huizinga in zijn autobiografische Mijn weg tot de historie, postuum gepubliceerd in 1947. De passage ging door mijn hoofd toen ik kortgeleden las dat de Italiaanse minister van binnenlandse zaken Marco Minniti op 16 februari 2018 Johan Huizinga ter sprake had gebracht en geciteerd tijdens een toespraak in de Grote Moskee in Rome. De Romeinse moskee wordt de ‘Grande Moskea’ genoemd omdat zij tot op heden de grootste van Europa is. Het is een bijzondere architectonische schepping van de wereldberoemde Italiaanse bouwmeester Renzo Piano.

De inmiddels ex-minister hield zijn lezing in het kader van een seminar over immigratie en integratie, terrorisme en tolerantie. Minniti heeft zich altijd beijverd voor integratie, hoewel dat hem er niet van weerhouden heeft om in samenwerking met de Noord-Afrikaanse landen, met name Libië, de stroom mensen die de zeer gevaarlijke oversteek naar Lampedusa waagden, te reguleren, lees: beperken. Hij slaagde in zijn opzet, want tijdens zijn bewind verminderde de toevloed met 75 %. Van wie echter al in Italië was aangekomen, moest de integratie krachtig worden bevorderd. Het gebrek aan integratie kan leiden tot sociale onrust en terroristische acties. Ter ondersteuning van deze these kon Minniti – en de centrumlinkse regering waarvan hij deel uitmaakte – wijzen op de meest recente tragische gebeurtenissen in West-Europa, met name op de aanslagen in Frankrijk.

De minister gaf uitdrukking aan zijn zorgen over de toekomst door zijn toespraak te beginnen met de legendarische woorden waarmee Huizinga zijn beroemde boek uit 1935 In de schaduwen van morgen opent: ‘Wij leven in een bezeten wereld. En wij weten het.’ Minniti maakte zijn gehoor duidelijk in welke historische context deze woorden tot stand kwamen: ‘… het was over het fascisme dat Huizinga schreef’.

De minister – afgestudeerd in de filosofie op Cicero – verliest zich niet in gewaagde  historische parallellen en anachronismen, maar benut Huizinga’s woorden als een gezaghebbende waarschuwing voor het zich sterk verbreidende populisme in Europa, en met name in Italië waar zijn opvolger aan het ministerie ook de leider is van de Lega, de grootste populische partij in dit land. Ook Minniti’s opmerking over Huizinga ‘die schreef over het fascisme’ heeft een precieze functie. Als nooit te voren, ondanks het wettelijk verbod op de vorming van fascistische partijen en het maken van propaganda, groeien en bloeien neofascistische organisaties, die de periode van de dictatuur als hun traditie en Mussolini als hun inspiratiebron en idool beschouwen. Zeker, naoorlogse fascisten zijn nooit weggeweest, maar het Italiaanse populisme maakt voor hen de weg vrij om met steeds minder schroom in de openbaarheid te treden. Een kernpunt in hun politieke visie is een openlijk beleden fel anti-migranten standpunt dat met zekere regelmaat in agressief en racistisch optreden uitmondt. Bij deze maatschappelijke groepen moet men van integratie natuurlijk niets hebben en men vindt voor dit standpunt bevestiging en ondersteuning bij de uitlatingen en de politiek van de huidige minister van binnenlandse zaken en zijn partij de Lega.

Toch lijkt ‘integratie’ voor ieder weldenkend mens een wezenlijk element in een politiek beleid ter bevordering van nationale veiligheid. De waarden die van Minniti’s migratiebeleid de kern vormden (en nog steeds vormen, getuige een interview van 2 juli 2019) zijn ‘menselijkheid, vrijheid en veiligheid’. Het waren ook waarden die Johan Huizinga hoog in zijn vaandel had geschreven; zijn concrete optreden en geschriften uit de jaren dertig laten daarover geen twijfel bestaan.

Minister Minniti besloot zijn lezing in de Grote Moskee in Rome met woorden die getuigen van een goede verstaander van Huizinga’s boodschap: ‘Het is van groot belang dat Italië en haar Instituties zich scharen aan de zijde van de mensen die worden geplaagd door angst, om hen te helpen zich van die obsessies te bevrijden. Zo kan worden voorkomen dat men van de obsessies vervalt in de schaduwen van morgen.’

Johan Huizinga’s In de schaduwen van morgen. Een diagnose van het geestelijk lijden van onzen tijd (Haarlem, 1935) werd in het Italiaans vertaald als La crisi della civiltà [De crisis van de beschaving] en uitgegeven door Einaudi in Turijn in november 1937. Een 2e druk verscheen al in mei 1938, maar in het najaar werd het boek door het bewind van Mussolini verboden. In zijn 27 pagina’s lange inleiding op de editie van 1962 ging de bekende Italiaanse historicus Delio Cantimori in op het besluit van de uitgeverij de ‘veel mooiere’ Nederlandse titel niet getrouw te vertalen, maar te kiezen voor wat hij licht verwijtend een op Nietzsche en Spengler geïnspireerde titel noemde. Veelbetekend zette Cantimori boven zìjn inleiding: ‘In de schaduwen van morgen’.

De Huizinga-expert Anton van der Lem heeft in 2016 de herinneringen opnieuw uitgeven (nu geannoteerd en geïllustreerd) onder de titel Mijn weg tot de historie en Gebeden bij Vantilt in Nijmegen. In 2017 heb ik een Italiaanse vertaling verzorgd en gepubliceerd als Scritti autobiografici. La mia via alla storia & Preghiere, bij Apeiron Editori Sant’Oreste (Rome).

Met dank aan Dennis Smit voor de link.

Genua 2018 en Huizinga’s ‘Hoge bruggen van begrip’

1. In en rondom mijn huis is het in augustus gewoonlijk heerlijk rustig. Tijd om te lezen en te schrijven. Tijd ook om mij voor te bereiden op de afspraken in het najaar en na te denken over nieuwe boeken uit te geven in 2019 en 2020. Eén van de plannen behelst een Italiaanse editie van Johan Huizinga’s Amerika-dagboek en diverse brieven uit die periode: april – juni 1926. Huizinga schreef na zijn terugkomst Amerika levend en denkend waaraan hij de ondertitel ‘Losse opmerkingen’ meegaf, maar, schrijft hij, ook ‘tegenstrijdige beschouwingen’ zou passend zijn geweest.

Aan deze vredige augustussfeer kwam op 14 augustus abrupt een einde door de dramatische gebeurtenissen in Genua, waar de brug over de rivier Polcevera instortte en waarvan vrijwel direct de invloed èn de consequenties op lange termijn duidelijk werden. Het gaat enerzijds om het verdriet en het lijden van hen die hun geliefden en familieleden verloren, en anderzijds om de verstrekkende sociaal-economische gevolgen voor de stad en zijn bewoners. De omvang van dit laatste aspect krijgt langzaam maar zeker meer ruimte in de media en zal na gisteren (18 augustus, dag van nationale rouw) meer op de voorgrond treden. Het is belangrijk om het perspectief van de kwestie in het oog te houden. Het gaat immers niet om een natuurramp of een fataliteit, maar is een gevolg van menselijk handelen en zeer waarschijnlijk te wijten aan nalatigheid. In de woorden van het staatshoofd Sergio Mattarella: ‘een onaanvaardbare tragedie’.

Wat rest van de brug.

Reeds enkele uren na de ramp kwam het land in de ijskoude greep van een destructieve polemiek waarin de verantwoordelijkheid voor de instorting – de schuldvraag – door de huidige regeringsleiders direct werd geplaatst bij de beheerders van de brug, Autostrade S.p.A., en bij de voorgaande regeringen.

Onvermijdelijk is de verdere accentuering van de al geruime tijd sterk gegroeide politieke tegenstellingen in het land en het openbare leven, ondanks de ook vandaag weer herhaalde oproep van het staatshoofd tot nationale eenheid en voor meer moderatie in het politieke discours. In een willekeurige nieuwsuitzending wordt het verdriet en de wanhoop van de vele honderden betrokkenen bij het drama verteld, maar in dezelfde uitzending kan men zien en horen hoe de nationale politieke leiders zonder enige terughoudendheid ernstige beschuldigingen en verwijten uitspreken, en maatregelen aankondigen die wellicht later prematuur of zonder fundament zullen blijken. Zo een klimaat getuigt niet alleen van weinig respect tegenover de nabestaanden, het lijkt al evenmin ideaal voor het vaststellen door de rechterlijke instanties van de verantwoordelijkheden voor het gebeurde.

Het is tekenend, dat de nabestaanden van méér dan de helft van de slachtoffers hebben afgezien van de staatsbegrafenis en besloten hun geliefden in de privé-sfeer te begraven.

2. De inwoners vergeleken hun brug niet zelden en niet zonder trots met die in Brooklyn. De Morandi brug was het symbool van Genua en staat centraal in de biografie van deze dynamische havenstad, vergelijkbaar met Rotterdam. Dit symbool van economische en culturele welvaart dreigt nu om te slaan in een symbool van stilstand en teruggang. Deze dreiging – daarover lijkt men het eens – kan het best worden afgewend door vormen van gemeenschappelijk handelen, dat spoedig na de verwerking van de rouw op gang moet komen.

Huizinga was in het voorjaar van 1926 in Amerika om tijdens een rondreis langs een aantal universiteiten om zich over de stand van de Amerikaanse sociale wetenschappen te laten informeren. Hij nam onder de academici en intellectuelen een stemming waar die haaks staat op het hier boven beschrevene. In het genoemde Amerika levend en denkend citeert Huizinga twee verzen uit de vierde afdeling van Walt Whitmans befaamde gedicht ‘Crossing Brooklyn Ferry’ (complete text). Huizinga werd tijdens zijn rondreis getroffen door wat men zou kunnen omschrijven als de wil tot saamhorigheid, het streven om gezamenlijk de problemen aan te pakken en tot een oplossing te brengen. Hij leest deze ‘nabijheid’ ook in deze twee verzen van Whitman:

The men and women I saw were all near to me
Others the same – others who look back on me because I look’d forward to them…

Huizinga schrijft naar aanleiding hiervan:

Waardoor herinneren mij de hedendaagse [Amerikaanse] sociologen en psychologen onweerstaanbaar aan de dichter der vorige eeuw? – Omdat wat hen bezielt hetzelfde is, omdat nu de wetenschap exacte vorm poogt te geven aan hetgeen de dichter in gigantische vormloosheid uit de chaos der gedachte kneedde. Hoge bruggen van begrip te slaan tussen onze voorstellingen van de mens en van de samenleving.

Voor een snelle en efficiënte reconstructie van de havenstad Genua lijkt het slaan van hoge bruggen van begrip een voorwaarde. Laten we hopen dat deze richting wordt ingeslagen. Het triumviraat dat de politieke leiding van dit land in handen heeft, lijkt op dit moment echter meer behoefte te hebben om het vuur van de polemiek aan te blazen, dan de weg te willen vrijmaken voor een beleid dat wordt geïnspireerd door respect en weloverwogen, rationele beslissingen.

 

Noot.
Johan Huizinga, Amerika levend en denkend, in: Verzamelde Werken, V, Cultuurgeschiedenis III, Tjeenk Willink, Haarlem, 1950, 456. [19271]