Vrouwenmoord. Een verhaal van Federigo Tozzi

In de nalatenschap van de Italiaanse schrijver Federigo Tozzi (1883-1920) vond men de opzet van een kort verhaal over het thema vrouwenmoord. Tozzi’s zoon Glauco nam het op in de verzamelde novellen. De door hem bezorgde uitgave verscheen in 1963 en hij gaf er ook de titel aan.

Een bericht in de krant

De trein snelde voort en de lust om te huilen werd groter. Bij het coupéraam de twee geliefden. Zij zat en hij stond, zodat ze konden praten zonder dat iemand het hoorde. Zij fluisterde in zijn oor en haar woorden hadden op hem hetzelfde effect als haar haar, dat hem licht beroerde.
Met een verterende hartstocht nam hij haar op. Hij ging tegenover haar zitten, haalde de dienstregeling uit zijn zak en schreef met potlood in de marge van de kaft: ‘Als je niet meer van me houdt, breng ik mezelf om!’ – Hij liet het haar lezen.
Terwijl zij het las, keek hij naar haar en voelde de drang om vóór haar neer te knielen en haar handen te kussen.
Ze keek niet meteen naar hem op. Toen zag zij hem recht in de ogen, met tederheid en liefde.
– Waarom heb je dat geschreven?
– Omdat ik van je houd.
Ze voelden hun lichamen trillen.
Na een korte stop bij een station was de coupé voller geworden. Ze voelden zich  opgesloten tussen al die mensen en waren geïrriteerd en gek van verlangen om met zijn tweetjes te zijn.
– Ik wil bij jou zijn, ik ga niet meer van je weg.
De wind drapeerde de lange rode sjaal van Louise’s hoed over beider schouders. Hij kwam erdoor in een roes en voelde een onuitsprekelijk verlangen om ook de sjaal te kussen. Haar ogen werden groot en haar oogleden rond.
Plotseling trok hij zijn revolver, en terwijl Louise haar hoofd nog gebogen hield, haalde hij, als vervuld van woede en haat, de trekker over. Hij schoot drie keer, één schot midden in haar voorhoofd, want zij had haar hoofd naar hem opgeheven.
Ze zakte in elkaar. Hij kuste haar wonden, warm van het eruitgutsende bloed. Toen dacht hij aan zichzelf.
Hij is niet dood.

 

De aforismen van Federigo Tozzi (1)

In een vorige post schreef ik over Federigo Tozzi’s postuum gepubliceerde verzameling aforismen. Het is mijn bedoeling ze in de loop van het jaar alle 86 te vertalen en hier te publiceren. De aforismen werden door zijn zoon Glauco Tozzi opgediept uit de nalatenschap van zijn vader en in 1981 gepubliceerd onder de titel Gekapseisde boten (Barche capovolte) in het boek Cose e persone. Inediti e altre prose, 65-113. De aforismen zijn ondergebracht in drie afdelingen: I. De vlam, omvat 11 nummers; II. Impulsen, 9 nummers; III. Voortzetting van ‘Gekapseisde boeten’, 65 nummers.  Hier vindt u een pdf met de teksten van de eerste afdeling in het Italiaans. Het concept van de eerste 3 bied ik hier aan:

I.1. De vlam

Hoewel aan het zicht onttrokken door een dicht zeilwerk, houdt mijn nieuwe leven mij gezelschap. Ik voel dat de ziel er de invloed van ondergaat en tracht er de berichten van op te vangen.
Het doet denken aan een lantaarn, heftig door elkaar geschud door de wind; maar de vlam is niet uitgedoofd.
Hoelang heb ik gewacht? Wat ik zocht, bevond zich misschien reeds in mij; maar het was tot op dit moment niet mogelijk dat ik ervan kon genieten.
Ja, een onverwachte openbaring is nodig.

I.2. De hoogtepunten

Oh, de innerlijke hoogtepunten, die schitteren als gouden kronen! Mijn ziel is vol van deze onuitsprekelijke tekens; alsof zij vol is van vruchtbare eilanden.
Het zijn de liederen die gevangen blijven in de beelden, en die te snel verdwijnen.
De liederen die ik bewaar voor mijn stilte; de liederen die de ziel voor zichzelf zingt, die zullen zich nooit onthullen.
Maar ook als men mij de ogen heeft gesloten en mij heeft gezegd te zwijgen, toch zie ik schitterende en krachtvolle dingen in mij, want ik word door mijn liederen beloond.
Als al mijn adelaars zullen worden gedood, dan zal ik ook hun cadavers die voor mij zweven liefhebben.
Maar kan ik zingen zonder de adelaars?

I.3. Het goede

Er zijn goede mensen huns ondanks. Zij gevoelen de bitterheid en het ongemak van die onuitputtelijke goedheid waarvan zij zijn vervuld.
Zij voelen dat zij door de anderen niet worden getolereerd noch vergeven. Zij bevinden zich in een exces waarvan ze spijt hebben; zij zouden daarvan willen terugkeren, met al hun krachten.
En in hen groeit verwondering over deze onbewuste kwaliteit, over dit zich willen geven.
Hun goedheid levert niets op, noch leidt het tot vertroosting van de kant van de anderen, zij voelen zich geschokt. Zij weten niet wat zij er mee aanmoeten en houden niet op goed te zijn. Hun goedheid groeit en groeit, zoals uit bloemen bloemen geboren worden.
En toch zou ook het goede een kracht kunnen zijn om de strijd mee te winnen; ook de diademen zouden door zijn vingers moeten worden gevormd. Maar helaas, het goede is een onverkoopbare waar!
En in dergelijke mensen hebben de dromen plaats genomen in de groei van de gevoelens. Hun wetten zijn te hoog gegrepen en hun licht verblindt.
Maar niemand begrijpt dat het goede een groot deel van de schoonheid uitmaakt.

Nota. Tozzi zag zijn aformenverzameling als een boek over psychologie. In die termen sprak hij erover met de redacteuren van het Milanese tijdschrift L’eroica en met zijn vrienden. Zoals in de loop van dit bescheiden vertaalproject nog zal blijken, werd de auteur bij het schrijven geïnspireerd door de Amerikaanse psycholoog William James, wiens werken in het begin van de vorige eeuw in het Italiaans waren vertaald en door Tozzi met groot enthousiasme waren bestudeerd.

De ziel in een aforisme en in een video

Gekapseisde boten (Barche capovolte) is de titel die de Siënese schrijver Federigo Tozzi (1883-1920) had gegeven aan een verzameling aforismen die hij in de jaren 1907 tot 1911 had geschreven. De eerste elf werden in 1911 afgedrukt in het Milanese tijdschrift L’eroica onder de titel “De vlam” (La fiamma). Zijn zoon Claudio Tozzi zette ze alle 86 bij elkaar in het boek dat hij uitgaf in 1981. Van deze teksten werd voor zover ik heb kunnen nagaan geen Nederlandse vertaling gepubliceerd.

Het dominerende thema in Tozzi’s aforismen is de ziel. Uit de eerste afdeling van 11 nummers volgt hier een Nederlandse versie van het achtste.

De blijdschap

Belangrijk is de mond te vinden die liefdevol tot ons spreekt. Voor mij bestaat er in het leven een onzichtbare fluit die alleen mìjn ziel hoort. En wanneer het me lukt dichter bij dit instrument te komen, lijkt het alsof mijn aderen beginnen te zingen en te dansen.

De fluit heeft een dwingende klank, die overtuigt. Meer dan eens ben ik in slaap gevallen, net als Argos. En mijn ziel, die met de koe Io veel gemeen had, wat heeft zij gedaan?

 

Tozzi verbindt hier het thema van de ziel met één van de metaforen waarvan zijn werk doortrokken is: de ogen. En met twee personages uit de Griekse mythologie, Argos en Io, vlecht hij dit motief, èn het autobiografische, in de klassieke literaire traditie.

Het autobiografische speelt ook een belangrijke rol in de video Give us back our shadows die Maria Korporal enige dagen geleden heeft gepubliceerd en waarin het thema van de ziel wordt verbeeld. Uit de toelichting blijkt dat zij door een legende van Noord-Amerikaanse indianen werd geïnspireerd. Zij werkt in haar vertelling één van de wezenlijke aspecten van de menselijk existentie uit: de manier waarop wij ons verhouden tot de natuur. Niemand kijkt op van de bewering dat de mens met handen en voeten aan de hem omringende natuur is gebonden. Wat wel grote verwondering wekt is ons gedrag: wij fingeren het tegendeel en dat maakt onze relatie met de natuur en dus ook met onszelf bijzonder gecompliceerd.

Net als in Tozzi’s aforisme wordt in Korporals video het verband tussen de ziel en haar leefomgeving geproblematiseerd. De ziel wordt ‘gestraft’ voor gedrag dat met die omgeving niet in evenwicht is. Maar in beide gevallen wordt ook de bevrijding uit de ketenen geboden: zowel de ziel der indianen als die van de nymf Io zouden uiteindelijk weer hun ‘natuurlijke’ omgeving kunnen vinden. Met een beetje goede wil…

Tozzi’s bijzondere foto van het Colosseum

Deze opmerkelijke foto van het Colosseum vond ik in een mooi geïllustreerd boek uit 2010 over de Italiaanse schrijver Federigo Tozzi (Geboren in Siena op 1 januari 1883, overleden in Rome op 21 maart 1920.) dat werd samengesteld door de Tozzi-kenner Marco Marchi naar aanleiding van de negentigjarige sterfdag van de Siënese romancier: Stagioni di Tozzi, Le Lettere, Firenze 2010. De afbeelding vindt u op pagina 210.

Het Colosseum

De foto maakte deel uit van het fonds van de Romeinse uitgeverij “Edizioni d’Arte Pandimiglio” die was gevestigd in Via di Capo le Case 34-38 (in de buurt van Piazza di Spagna) en zich toelegde op het uitgeven van afbeeldingen van kunstwerken en monumenten. De uitgeverij bestaat niet meer. Het Colosseum is hier gefotografeerd vanuit het zuid-westen. Op de foto zijn geen mensen of dieren te zien, noch voertuigen.

De foto bevindt zich in de nalatenschap van de auteur die in 1914 met zijn gezin van Siena naar Rome was verhuisd. Hij overleed daar in maart 1920 aan een longontsteking. Daarmee werd een veelbelovende schrijverscarrière vroegtijdig onderbroken. Zijn beroemdste roman Con gli occhi chiusi, die in maart 1919 door Treves in Milaan werd uitgegeven, kwam in 2005 in het Nederlands uit: Met gesloten ogen. Een collectie aforismen onder de titel Bestie was in 1917 door dezelfde uitgever gepubliceerd in 1000 exemplaren. Een Nederlandse vertaling – ‘Beesten’ – werd gemaakt door Ronald de Rooy voor het tijdschrift Raster (1977). Ik heb een vertaling gemaakt van ‘Campagna romana’, in het Nederlands: ‘De Romeinse Campagna’. Tozzi vertelt in dit korte geschrift over zijn bezoeken aan Maccarese en aan de Monte Soratte. De tekst, waarvoor de term verslag het meest geschikt lijkt, werd kort voor Tozzi’s dood gepubliceerd in een Romeins dagblad: L’Idea nazionale van 5 maart 1920. Op 21 maart stierf Tozzi. Naar mijn weten zijn dit de enige drie teksten beschikbaar in het Nederlands, waarbij ik moet vermelden dat mijn vertaling nog onuitgegeven is.

Maar laten we terugkeren naar het Colosseum. Tozzi woonde vanaf het najaar van 1916 in Via di Gesù, die op een ongeveer kwartier loopafstand ligt van het Colosseum. (Formeel althans woonde hij daar, want in die tijd liepen de spanningen in het huwelijk met Emma zo hoog op dat hij besloot ergens anders te gaan wonen. Uit de herinneringen van hun (enige) zoon Glauco blijkt overigens dat het contact tussen de echtelieden zeer hecht bleef. De schrijver stierf dan ook thuis, in Via di Gesù op de eerste lentedag van dat jaar.) Tozzi schrijft in een van zijn aantekeningenboekjes over het Colosseum. Deze ‘taccuini’ werden in 1981 met zorg uitgegeven door zijn toegewijde zoon. We vinden de volgende aantekeningen in ‘taccuino XVI’ (1918):

“Het Colosseum op zondag: soldaten, kostschoolmeiden, kwajongens die een spel met platte stenen spelen, verliefde stellen. In de gaten in het stuk marmer waarop ik zit, is wat regenwater achtergebleven. Weinig kraaien. […] Dicht langs het Colosseum rijden karren beladen met wijn; ze komen uit de richting van San Giovanni.”[1]

Wellicht heeft Tozzi op een van zijn wandelingen door de stad de foto van het beroemde monument gekocht. De aantekening is te dateren in het vroege voorjaar, aangezien de kans op achtergebleven regenwater in de zomer aanzienlijk kleiner is. Dat hij soldaten noemt is niet vreemd, het was immers het laatste oorlogsjaar. De karren die Tozzi voorbij zag komen waren in die periode in gebruik voor het vervoer van goederen. Ze werden getrokken door een paard of een ezel. In het Italiaans werden ze ‘carretto romano’ of ‘barroccio’genoemd. De met wijn beladen karren, carretti a vino, kwamen uit de Castelli Romani en waren doorgaans beladen met 8 vaten van elk 60 liter. Om naar Rome te komen namen ze de via Appia en kwamen binnen via de Poort van San Giovanni.

Door deze ‘carretto’ wordt geen wijn vervoerd, maar het model is hetzelfde.

Giovanni Fattori (1825-1908) heeft in 1872 een schilderij gemaakt dat “Barrocci romani” heet en waarop twee karren te zien zijn.

Het is kenmerkend voor Tozzi dat hij in weinige zinnen een concreet beeld van een historische plaats weet op te roepen.


[1] Federigo Tozzi, Cose e persone. Inediti e altre prose, a cura di Glauco Tozzi, Valecchi, Firenze 1981, pp. 405-406.