Ara, Mara, Amara. Een gedicht van Aldo Palazzeschi

Ara, Mara, Amara

Een klein grasveldje
ligt onderaan de helling
tussen hoge cipressen.
In hun schaduw dobbelen
drie oude vrouwtjes.
Elke dag op dezelfde plaats
en geen moment zien ze op.
Dobbelend in het gras,
geknield in de schaduw.

De titel van het gedicht is onvertaald gebleven: Ara, Mara, Amara. Kijk eens naar de grondstoffen, de letters. Het zijn er drie: de klinker ‘a’ komt zeven keer voor, van de twee medeklinkers de ‘r’ drie keer en de ‘m’ twee keer. Palazzeschi vormt de woorden door een ‘M’ toe te voegen aan de tweede, en ‘Am’ aan de derde naam. Hij gebruikt hoofdletters, want het zijn immers de eigennamen van de drie vrouwen. De klemtoon valt bij de eerste twee op de eerste lettergreep, bij ‘Amara’ op de tweede.

Bij het woord ‘Ara’ komt mij niet direct aan een vrouwennaam in gedachte, maar twee Romeinse monumenten: de Ara Pacis en de kerk Santa Maria in Aracoeli op

Ara Pacis, Rome

het Capitolijn. Palazzeschi werd in 1885 geboren in Florence en zou zich in 1941 definitief in Rome vestigen om er in 1974 te sterven. Hij heeft het Ara Pacis monument gekend zoals het tijdens Mussolini’s Italië was gerealiseerd .

In Palazzeschi’s Romeinse tijd waren de 14° eeuwse kerk en haar beroemde trappen onveranderd gebleven.

Het woord ‘Mara’ is in het hedendaagse Italië een gangbare vrouwelijke naam. Daarentegen is het woord ‘Amara’ (bitter) in gebruik als adjectief met een vrouwelijke uitgang, niet als eigennaam.

Het Latijnse ‘Ara’ betekent altaar of tempel, maar het is vermeldenswaard dat het woord in oudere dialecten ook voorkomt in de zin van een zonovergoten open ruimte waar het graan wordt gedorst. Op middeleeuwse handelsmarkten in de Franse regio Champagne en in Vlaanderen riepen de  kooplui het woord ‘ara’ om het einde van de onderhandelingen in te luiden en het begin van de betalingen.

Ik wil nog wijzen op de niet meer gangbare Latijnse uitdrukking ‘Amore, more, ore, re’, die men bijvoorbeeld kan vinden in het boek van Nicolaas Witsen, Noord en Oost Tartarye, Amsterdam 1705. Om vast te stellen of Palazzeschi mogelijk werd geïnspireerd door deze uitdrukking, zowel voor het hier vertaalde gedicht als voor het andere met vier mannennamen in de titel: Oro, Doro, Odoro, Dodoro, zou ik de kritische editie van de bundel uit 1905 waarin de gedichten verschenen, moeten raadplegen. De huidige omstandigheden laten dit echter niet toe.

Geen moment zien ze op

Ten slotte nog een opmerking over het dobbelen, dat nooit een goede reputatie heeft genoten. In het oudere Italiaans werden voor dit spel ook wel de klanknabootsende woorden cricca of trictrac gebruikt. Bij dit laatste spel, in het Nederlands bekend als triktrakken, werden ook dobbelstenen gebruikt. Ed. de Jongh citeert in zijn boek Tot lering en vermaak een embleemboek uit 1596 waarin men dit vers kan lezen: ‘Naar Gods wil valt de dobbelsteen van ons lot gelijk de dobbelstenen bij het spel geworpen worden’. Het embleem heeft als motto  ‘Ita est vita hominum’, zo is het leven van de mens.

Voor de Italiaanse tekst Ara Mara Amara

Aantekeningen

 

Uit de bundel: I cavalli bianchi [De schimmels], Florence, 1905. Een kritische editie werd uitgebracht door Adele Dei, A. Palazzeschi, Cavalli bianchi, Edizione critica a cura di Adele Dei, Parma, Edizioni Zara 1992.

Ed. de Jongh, Tot lering en vermaak. Betekenissen van Hollandse genrevoorstellingen uit de zeventiende eeuw, Rijksmuseum, Amsterdam 1976, p. 111. Zie dbnl.org

 

De slapende oude vrouw. Een gedicht van Aldo Palazzeschi

De slapende oude vrouw

De oude vrouw is honderd.
Niemand zag haar daags op straat.
Men vindt haar vaak slapend
dicht bij de fontijn.
Niemand maakt haar wakker.
Het zachte geluid van ‘t water
wiegt haar in slaap,
en ze blijft slapen bij ‘t trage geluid
der dagen der dagen der dagen.

 

Een fontijn in een dorp ergens in Italië.

Het woord dat wellicht enige toelichting behoeft is ‘fontijn’, de vertaling van ‘fonti’, letterlijk bronnen. Op het Italiaanse platteland waren aan het begin van de twintigste eeuw de ontelbare fontijnen niet alleen belangrijk voor het beschikbaar maken van het water dat uit een bron kwam, maar het was ook een plaats waar men elkaar dagelijks kon ontmoetten. Het drinkwater moest immers elke dag gehaald worden, want stromend water in de dorpswoningen was toen nagenoeg afwezig. U vindt hier een pdf met de Italiaanse versie La vecchia del sonno.

 

Noot
Uit: I cavalli bianchi (De schimmels), Florence: Cesare Blanc, 1905.
Dit was de eerste dichtbundel van Palazzeschi. Hij gaf hem uit in eigen beheer en koos als naam voor de ‘uitgeverij’ die van zijn kat Cesare Blanc.

Wie ben ik? Een gedicht van Aldo Palazzeschi

Wie ben ik?

Ben ik soms een dichter?
Nee, zeker niet.
De pen van mijn ziel
schrijft maar één woord:
‘gekte’.
Ben ik dan soms een schilder?
Ook niet.
Op het palet van mijn ziel
ligt maar één kleur:
‘melancholie’.
Een musicus dan?
Ook al niet.
Het toetsenbord van mijn ziel
heeft maar één noot:
‘nostalgie’.
Ben ik … ja wat?
Ik houd een vergrootglas
voor mijn hart
om het de mensen te laten zien.
Wie ik ben?
De kunstenmaker van mijn ziel.

 

Aldo Palazzeschi in 1913. Foto van Mario Nunes Vais.

Aldo Palazzeschi (Florence 1885 – Rome 1974) publiceerde dit ironische gedicht voor het eerst in 1909. Hij plaatste het als proloog in zijn verzamelbundel Poesie 1904-1919 (1930, 6e druk juli 1949). Na de Eerste Wereldoorlog heeft Palazzeschi zich toegelegd op het proza. Hij verwierf een groeiende kring lezers en brak in 1934 definitief door met de roman Sorelle Materassi – Zusters Materassi. Vanaf 1926 werkte hij als journalist voor het dagblad Corriere della Sera. Tot het fascisme behield hij een flinke afstand. Pas in de jaren zestig begon hij weer te dichten. Hij publiceerde ruim twintig romans en een tiental bundels poëzie.

U vindt hier een lezing van het gedicht in het Italiaans.

Frans van Dooren nam van Palazzeschi het gedicht De zieke fontijn (La fontana malata) op in zijn bloemlezing Gepolijst albast, pp. 326-328.

In de Digitale Bibliotheek van Nederland vindt u enkele van Palazzeschi’s gedichten vertaald door Karel van Eerd (1938-2008).