“Etty Hillesum” in Sezze, Italië

Het aanplakbiljet

Op zondag 30 januari 2011 werd in Sezze door de toneelgroep Le colonne het toneelstuk “Etty Hillesum” opgevoerd. Het provinciestadje Sezze ligt niet ver van Latina, halverwege tussen Rome en Napels, op een heuvel op 316 meter boven de zeespiegel. Sezze is beroemd om zijn artisjokken die je er op allerlei manieren kunt eten. De artisjok wordt ook in de traditionele Joodse Romeinse keuken bereid. Een bijzonder gerecht, maar dit terzijde.

De voorstelling werd gegeven in het kader van de herdenking van de bevrijding van Auschwitz. In het hele land vinden in de laatste week van januari elk jaar ontelbare bijeenkomsten plaats op scholen, in parochies, maar er zijn ook talloze toneel- en filmvoorstellingen. Teveel om op te noemen. Ook de Italiaanse radio en televisie besteden zeer veel aandacht aan deze gedenkwaardige dag.

De toneelvoorstellingen die ik tot nu toe heb gezien waren monologen. Ik herinner mij de eerste uit de jaren tachtig die was geschreven en werd gespeeld door de Nederlandse regisseuse en actrice Annet Henneman uit Volterra. Zij presenteerde haar toneelstuk in 1989 op het toenmalige Nederlands Instituut te Rome. Zie voor haar huidige werk:  www.teatrodinascosto.it
In de jaren daarna heb ik minstens vijf of zes steeds nieuwe uitvoeringen van Italiaanse actrices bijgewoond. En ik heb er verschillende gemist omdat ze in steden als Turijn of Milaan werden opgevoerd en ik niet altijd in de gelegenheid was om op reis te gaan.

Nu dan Sezze. Gelukkig niet zo ver van huis. Een stadje op een heuvel. Net als de plaats waar ik woon, ook al is Sezze acht keer zo groot als Sant’Oreste met zijn drieduizend inwoners.

Mij was gevraagd vooraf even langs te komen in de kleedkamer. Ik vond er de regisseur Giancarlo Loffarelli en de drie acteurs in een opgewekte stemming bijeen. Eerst iets over de regisseur die van het stuk tevens de auteur is. Geboren in 1961 begint de dramaturg en schrijver vanaf 1990 aan de weg te timmeren. Hij schrijft en regisseert een achttal stukken, wint enkele onderscheidingen en twee van zijn recente werken zijn vertaald in het Frans, Turks en Russisch. Zijn stuk over Aldo Moro (2008) werd zeer goed ontvangen.

In zijn jongste creatie “Etty Hillesum” speelt Loffarelli de rol van Julius Spier. Spier wordt in een positieve rol op de planken gebracht. Dat had ik nog niet eerder gezien. De rol van Etty Hillesum wordt met verve gespeeld door Marina Eianti. De andere twee acteurs, Luigina Ricci en Federico Ciarlo, nemen diverse personages voor hun rekening. Gevieren presenteren ze op effiënte en boeiende wijze het verhaal van Etty Hillesum. Loffarelli en Eianti bijna altijd in de rol van Spier en Hillesum. De historische context wordt door de vier acteurs gezamenlijk gepresenteerd. Zij trekken zich terug uit hun rol en ‘vertellen’ het gezin Hillesum, de jeugd van Etty, haar studie en haar liefdes in Amsterdam, de Duitse inval, de bezetting, de anti-Joodse maatregelen, de vervolgingen, de razzia’s, kamp Westerbork, de transporten, de revue, de deportatie… En binnen dit kader worden dan de relaties Hillesum-Spier, Hillesum-Wegerif, Hillesum-anderen aan de orde gesteld en uitgewerkt. Opmerkelijk vond ik de scène waarin een confrontatie tussen Werner Sterzenbach en Etty Hillesum over het onderwerp vluchten en onderduiken tot stand komt. Bijzonder indrukwekkend was de scène waarin de passage in de brief van 24 augustus 1943 wordt uitgebeeld waarin Etty Hillesum de stervende man beschrijft die sjeimes zegt over zichzelf (Etty. De nagelaten geschriften, 693). De vier acteurs reciteerden in koor het gebed, in het hebreeuws en in het Italiaans.

Julius Spier - Etty Hillesum - Han Wegerif

Er was geen decor, de acteurs stond alleen de plankenvloer van het toneel ter beschikking. Hun attributen waren beperkt tot elk een koffer die bij wijlen werd gebruikt om op te zitten. Op een bepaald moment – iets over de helft van de speeltijd – hebben de acteurs zich op het toneel omgekleed en in gestreepte gevangeniskleding gestoken. Met een gele ster. Een gewaagde stap. We weten immers dat de geïnterneerden in kamp Westerbork hun burgerkleding droegen.

Kort nadat de acteurs de gevangeniskleren hebben aangetrokken.

Gaandeweg bleek dat de tekst niet alleen debet was aan de Italiaanse vertalingen van Het verstoorde leven en de brieven uit de Balans editie van 1986 (Brieven 1942-1943), maar dat de auteur ook een aantal noties uit andere teksten heeft verwerkt. Voor de muziek heeft hij zich niet beperkt tot Telemann, maar bij de scènes over het theater in Westerbork stukjes Duitse cabaretmuziek laten horen.

Het stuk “Etty Hillesum” heeft zonder twijfel de educatieve waarde die nodig is om de weg naar een serie optredens voor middelbare scholieren te vinden. Onder de ongeveer 200 toeschouwers die de voorstelling zondagavond bijwoonden, zal het aantal mensen dat Hillesums dagboek had gelezen niet groot zijn geweest. Ik ben er echter zeker van dat het stuk zoals het door de toneelgroep Le colonne op de planken is gezet, het verhaal van Etty Hillesum en het lot van haar volk in hun geheugen heeft gegrift.

De slotscène.

Kortom, een mooie en rijke voorstelling, met liefde, zorg en toewijding gespeeld, met een sterk ritme en een coherent verhaal, getooid door slechts enkele visuele elementen en bijna volledig toegesneden op het woord. Mij dunkt dat Loffarelli Etty Hillesums totale liefde voor het geschreven en het gesproken woord in zijn theatrale versie volledig tot haar recht heeft laten komen. En daarvoor dank.

De toneelgroep heeft een website (in het Italiaans): http://www.lecolonne.net

De vrijheid. Een fabel van Italo Svevo

[De vrijheid]

Het deurtje van de kooi was opengebleven. Met een klein sprongetje ging het vogeltje op de drempel van zijn kooi zitten en keek de wijde wereld in, eerst met zijn ene oog en toen met het andere. Zijn lichaampje trilde van verlangen naar die immense ruimte waarvoor hij immers vleugels had gekregen. Maar toen bedacht hij: “Als ik wegvlieg en ze sluiten de kooi dan zit ik buiten gevangen.” Het beestje wipte weer naar binnen en even later zag hij tot zijn voldoening dat het deurtje werd gesloten en zijn vrijheid verzekerd.

***

Italo Svevo had al in het begin van de jaren negentig van de 19e eeuw enkele fabels geschreven. De eerste die bekend is heet: “De ezel en de papagaai” en heeft een datum: 16 juli 1891. Hij heeft het genre gedurende heel zijn leven beoefend. De fabel “De vrijheid” bevond zich oorspronkelijk in het poëziealbum van zijn dochter Letizia en is ondertekend met “Papà”. Svevo had de tekst bijgesloten in een brief aan zijn vrouw Lidia, gedateerd 20 december 1911. Hij was net vijftig geworden en bevond zich in Murano (Venetië). Hij schreef haar dat hij de 21ste of de dag erna naar Triëst zou reizen. Over de fabel zegt hij nog: “Ik stuur je hierbij de fabel voor Letizia. Als je denkt dat ze ongeschikt voor haar is, dan moet je ze haar niet geven.” (Epistolario, 611)

De fabel is de schrijver bijgebleven, want hij heeft haar in zijn roman La coscienza di Zeno opnieuw gebruikt. In hoodfstuk 7 laat hij het personage Guido in een scène op kantoor twee fabels uittikken. De eerste over het vogeltje en de tweede over de olifant die zich beklaagt over zijn zwakke poten. (Aangezien ik niet beschik over de Nederlandse vertaling van de roman, verwijs ik naar de pagina’s 343-344 van de Italiaanse uitgave: Dall’Oglio, Milano 1981.)

N.B. De titel van de fabel is niet van Svevo zelf, maar van de latere bezorgers van zijn werk. Vandaar de vierkante haken.

 

De Stam – opmerkingen over een vroeg verhaal van Italo Svevo

1. Italo Svevo (1861-1928) publiceerde het verhaal “De stam” in 1897. Hij had toen al diverse  publicaties op zijn naam: behalve een serie literaire kritieken waren dat de roman Una vita [Een leven] (1892), en twee verhalen, Una lotta [Een strijd] (1888) en L’assassinio di via Belpoggio, [De moord in Via Belpoggio] (1890). Terwijl de eerste twee verhalen werden afgedrukt in de liberale Triëstse krant L’Indipendente, waarvan Svevo jarenlang een trouwe medewerker was, verscheen het korte verhaal “De stam” in een tweewekelijks tijdschrift. En niet zomaar een tijdschrift: het linkse Critica sociale. Eerst een opmerking over dit blad. Het socialistische Critica sociale verscheen vanaf januari 1891 en stond onder leiding van de bekende Italiaanse marxist Filippo Turati. In de eerste twee jaar van zijn bestaan had het nog de woorden ‘sociaal, politiek en literair’ in de ondertitel, maar vanaf 1893 kwam daarvoor in de plaats: “Veertiendaags tijdschrift voor het wetenschappelijk socialisme”. De politiek koers was die van de Italiaanse Socialistische partij.

In dit maatschappijkritische tijdschrift werd Svevo’s korte verhaal afgedrukt. Dat is op zijn minst opmerkelijk, want de auteur stond bekend als een nationaal-liberaal en irredentist (aanhanger van de beweging die streed voor de hereniging van Triëste met Italië en die tot stand kwam na de Eerste Wereldoorlog). Volgens Bruno Maier (1920-2001), die wordt beschouwd als één van de belangrijkste kenners van Svevo’s werk, rust het verhaal op een marxistische basis en geeft de schrijver van die ideologie een humanitair-utopistische interpretatie. Aardig dat een auteur van liberaal-nationale snit (in het Italië van eind 19e eeuw) zo’n snuitig links verhaal schreef. Vooral ook als je bedenkt dat Ettore Schmitz tegen het einde van de 19e eeuw gaat werken in de verfindustrie, eerst in Triëste, daarna in Murano (Venetië) en in latere jaren verblijft hij regelmatig enkele maanden per jaar in Londen. Vandaar zijn behoefte om Engels te leren en op die manier James Joyce ontmoet.

De zakenman Schmitz leert de ‘fabriek’ kennen die de schrijver Svevo in het verhaal De stam een centrale plaats had gegeven. Zijn personage Achmed voorspelt het lot van de fabrieksarbeiders: die zouden zijn “… veroordeeld om de helft van de dag door te brengen in een ongezonde omgeving, waar ze zò hard moeten werken dat hun gezondheid, denken en hun ziel erbij zullen inschieten. Ze worden lelijk, veracht en verworpen.”

Laten we eens kijken waar “De stam” over gaat; hier volgt een korte samenvatting.

Een groep nomaden vestigt zich min of meer bij toeval op een vruchtbaar stuk land in de woestijn en bouwt er een nederzetting die uitgroeit tot een kleine stad. De stam verbouwt de grond waarop men woont en werd verdeeld onder de voormalige stamleden die daardoor bezitters zijn geworden. Een conflict tussen twee landbouwers (de voormalige nomaden) doet de behoefte aan wetgeving voelen. Maar wetten inzake eigendom ontbreken en daarom wordt het jonge stamlid Achmed naar Europa gestuurd om daar de wetgeving te bestuderen van maatschappijen die veel verder zijn. Terwijl Achmed lange jaren besteedt aan de studie, groeit de stad in de woestijn uit tot een economie die is gebaseerd op privé-eigendom en waarin ongelijkheid en uitbuiting voorop staan. Velen leven in de misère, weinigen in de rijkdom. Dit is wat Achmed aantreft als hij uit Europa terugkeert. Hij ontdekt dat anderen zijn bezittingen hebben ingenomen en eist schadevergoeding. Bovendien bemerkt hij dat de stam zich alle wetgeving heeft gegeven die de economische ontwikkeling vereiste en dat dit nu juist tot grote ongelijkheid onder de bevolking heeft geleid. In zijn toespraak aan de stamoudsten legt Achmed uit dat dit nu precies de toekomst is van dit economische maatschappijmodel. De stamoudste Hoessein vraagt Achmed of hij een voorbeeld kan geven van een maatschappij die op deze economische principes is gebaseerd en waarin mensen niet in armoede hoeven te leven en gelukkig zijn. Achmed blijft het antwoord schuldig. Hij ontvangt echter zijn schadevergoeding waarmee hij zijn droom wil realiseren: fabriekseigenaar worden en een grote fabriek neerzetten zoals hij in Europa heeft gezien. Maar zover komt het niet: hij wordt mèt zijn schadevergoeding de stam uitgegooid. Ook de epiloog is niet te versmaden. Een Europeaan, ontevreden over de manier waarrop zijn land is georganiseerd, klopt aan bij Hoessein en vraagt toegelaten te worden tot de gelukkige stam. Hij wordt geweigend. Waarom? Dat vindt u in de laatste paragraaf van het verhaal.

2. De al eerder genoemde Bruno Maier, hoogleraar in Triëst en literatuurcriticus, heeft in 1966 een mooie editie van de werken van Svevo bezorgd. In het eerste deel Epistolario vinden we in een brief aan zijn vrouw Livia Veneziani wat meer informatie over Svevo’s politieke overtuiging in de jaren negentig van de 19e eeuw. Uit een brief van 30 juli 1897 blijkt dat hij in die periode belangstelling had voor de theorieën van het wetenschappelijk socialisme waarvan hij had kennisgenomen via teksten van Marx en andere auteurs. (zie Epistolario, p. 68 en noot 6 op p. 69).

Welnu, enige sporen van Svevo’s jeugdige belangstelling voor progressieve maatschappelijke ideeën kunnen worden aangetroffen in zijn tweede roman, Senilità (in het Nederlands vertaald als Een man wordt ouder). Het romanpersonage Emilio Brentani (dag) droomt dat hij en zijn geliefde Angiolina ongelukkig zijn vanwege de armoede waarin zij moeten leven. Om haar deelgenoot van zijn droom te maken – want Emilio droomt graag –  vertelt hij, dat hij haar in een andere maatschappij geheel tot de zijne zou hebben kunnen maken zonder dat zij haar lichaam had moeten verkopen. Aangezien zij hem niet niet goed kon volgen, vertelde hij over de nietsontziende strijd die was ontbrand tussen arm en rijk, tussen arbeid en kapitaal, maar dat de uitkomst van die strijd vaststond en dat het kapitaal het onderspit zou delven. Dan zou er een tijd aanbreken van vrijheid,  vrouwen en mannen zouden gelijk en de liefde een wederzijds geschenk zijn. Men zou slechts kort hoeven te werken en de opbrengst van de arbeid zou gelijkelijk verdeeld worden. Maar haar nuchtere kijk op het leven verstoort bruusk Brentani’s droom: “Als alles verdeeld wordt blijft er voor niemand iets over. De arbeiders zijn afgunstig en leeglopers, en ze krijgen toch niets voor elkaar.” (pagina 170, Senilità, Dall’Oglio Editore, Milano 1938))
Een wonderlijke pagina waarvan de samenhang met de rest van het boek niet duidelijk is. Maar de dagdroom van Brentani kan wel verbonden worden met “De stam”, want daarin is de strijd tussen kapitaal en arbeid één van de hoofdthema’s. We schrijven dezelfde jaren: de roman Senilità werd gepubliceerd in 1898, het verhaal De stam in 1897. Naar mijn weten komt het thema later niet meer terug. Dat is niet zo vreemd, want inmiddels is Svevo getrouwd met zijn nichtje Livia Veneziani e begint hij in 1899 te werken in de fabriek van zijn schoonvader. Bij gebrek aan erkenning komt zijn literaire werk komt tot stilstand, zoals de stam in de woestijn.

3. Ik heb van het verhaal een Nederlandse vertaling gemaakt die u kunt downloaden van www.gerritvanoord.com/downloads/Svevo_De_stam_(1897).pdf

Voghera, een vergeten moralist

Waarom zou je het werk bestuderen van een schrijver die niemand meer kent, wiens boeken door geen mens meer worden gelezen, buiten een vereenzaamde specialist of een vage student op zoek naar een saai scriptieonderwerp. Giorgio Voghera (1908-1999) is zo’n schrijver. Hij had zijn lot voorzien. Hij wist dat slechts een goedgelovige het gezegde ‘wie schrijft, blijft’ tot levensmotto kan maken. In een schets voor een zelfportret vermeldt hij zich nooit te hebben gezien als een schrijver. Niettemin probeerden Giorgio’s vrienden, bezorgd om zijn geringe eigenwaarde, hem ervan te overtuigen dat hij met alle recht aanspraak kon maken op die eervolle kwalificatie. Een “kwalificatie”, schreef hij, “die kan worden toegekend aan bijna vijftig procent van alle Italianen die geen analfabeet zijn”. Dit is mooie, zwarte ironie, want de uitspraak dateert uit de tweede helft van de jaren vijftig, de tijd waarin de Italiaanse televisie nog maar net was begonnen aan de heiligste van al haar heilige missies: de Italianen Italiaans te leren.

Nee, Voghera zag zichzelf niet als schrijver van romans, maar meer als essayist, of nog liever als “een moraliserende prediker waar niemand naar luistert”. Ziehier, besloten in het adjectief, de belangrijkste reden waarom in het hedendaagse Italië, in mijn Italië, dat van de laatste twee decennia, Giorgio Voghera niet meer wordt gelezen.

 

Zie voor beide citaten: Carcere a Giaffa, Edizioni Studio Tesi, Pordenone 1985, p. 157)

Etty Hillesum en de jonge Stalin

Over het thema Etty Hillesum en de jonge Stalin heeft nog niemand een opstel geschreven. Wat volgt is een eerste verkenning.

Een telefoontje

In oktober 2010 ontving ik een email van een Italiaanse historicus van de fotografie. Hij vroeg of ik wist wie de drie heren waren wier portretten Etty Hillesum op de muur van haar kamer in de Gabriël Metsustraat had bevestigd.

Etty Hillesum in haar kamer, 1937 (?)

Dit is een van de twee ons bekende foto’s van Etty Hillesum in  haar kamer. Waarschijnlijk te dateren in 1937. Op deze foto staan in totaal vijf portretten van mannen afgebeeld: drie aan de wand en twee ingelijst op de tafel naast de rechterarm van Etty Hillesum. Het staat nu vast dat de heer met de baard en de geblokte (?) sjaal de jonge Stalin is. Wie de andere vier heren zijn is mij onbekend. Heel lang heb ik gedacht dat het derde portret van boven de dichter Rainer Maria Rilke voorstelde, maar na vergelijking met andere foto’s van Rilke lijkt het mij erg onwaarschijnlijk. De jacht op de identiteiten van de mannen aan de muur is geopend.

Foto’s van de jonge Stalin

Hieronder de andere foto waarop hij recht in de lens kijkt. Beide

Links de jonge Stalin op Etty Hillesums kamer
Signalementfoto’s van Stalin

signalementfoto’s werden gemaakt bij zijn arrestatie in 1902. Beide foto’s werden mij opgestuurd door Pino Blasone, die ik voor deze interessante vaststelling hartelijk dank. Hij gaf mij ook de bron: het boek uit 2007 van Simon Sebag Montefiore over de jonge Stalin, vertaald in het Italiaans in 2010. Ik kende het boek van Montefiore niet. Vorige week kreeg ik eindelijk de vertaling in handen en kon vaststellen dat Blasone gelijk had. Eind oktober had ik de foto’s overigens ook al op het internet gevonden. Bovendien staat een van de foto’s op het omslag van het boek van Montefiore. De precieze datering van de foto’s is niet zo eenvoudig. Het zou ook 1906 kunnen zijn.

Etty Hillesum over de jonge Stalin

Etty Hillesum schrijft in haar dagboek over Stalin op 10 juli 1942, hem op één lijn stellend met Hitler: “De ene keer is het een Hitler en de andere keer voor mijn part Iwan de Verschrikkelijke”. Kunnen we uit deze zin opmaken dat zij zich over de ware aard van Stalin geen illusies maakte? De Stalin van de foto in haar studeerkamer is 24 jaar oud. Hij bracht zijn tijd door met het organiseren van overvallen – waaraan hij zelf trouwns niet of zelden deelnam – om geld bijeen te brengen voor Lenin. Montefiore noemt Stalin in zijn boek een gangster. Het verhaal van de jonge Stalin moge dan niet zo bekend zijn, iedereen weet bij benadering wat hij op latere leeftijd heeft uitgespookt.

Waarom deze foto?

Waarom had Etty Hillesum een jeugdfoto van de ‘gangster’ schuin boven een portret van haar lievelingsdichter Rilke had opgeprikt? Wie naar een antwoord zoekt, dient allereerst met het historische tijdsbestek rekening te houden. In de jaren dertig waren velen in West Europa enthousiast over de ontwikkelingen in het nieuwe Rusland. Talloze journalisten en schrijvers reisden naar het land en publiceerden hun bevindingen. Ook de Nederlandse journalist Philip Mechanicus maakte in het begin in het begin van de jaren dertig een viertal reizen naar de Sovjet Unie (1929, 1931, 1932 en 1934) en rapporteerde over zijn ervaringen en waarnemingen in het Algemeen Handelsblad. Hij werd echter allengs kritischer en een visum voor zijn voorgenomen vijfde reis werd hem geweigerd.

Etty Hillesum zou met Mechanicus in de zomer van 1943 in kamp Westerbork bevriend raken. Rusland zal ongetijfeld onderwerp van gesprek zijn geweest, ook al omdat beiden de taal beheersten. In het Westerbork-dagboek van Mechanicus komt het thema Rusland regelmatig ter sprake.

Wat nu te zeggen over deze foto in verband met Hillesum? Weinig naar mijn gevoel. Het heeft niet zoveel zin te gissen naar wat Hillesum over Stalin dacht; in haar dagboeken en brieven treffen we niets aan waarop we onze oordelen zouden kunnen baseren. De enige voorzichtige conclusie kan zijn, dat Hillesum voor de gang van zaken in Rusland een grote belangstelling had en niet vooringenomen was. Met vragen over het Rusland van voor 1917 kon zij bij haar moeder terecht, die had immers aan den lijve ondervonden hoe de Tsaren over de joden dachten.

Aantekeningen

  • Simon Sebag Montefiore, The Young Stalin . Een Nederlandse vertaling verscheen in 2007: Stalins jeugdjaren. Van rebel tot rode tsaar.
  • Philip Mechanicus, Dagboek uit Westerbork, Amsterdam: Van Gennep, 1964.

Bijgewerkt op 2 november 2020

Giorgio Voghera verhaal over Palestina

Giorgio Voghera: de aanleiding

Giorgio Voghera Quaderno d'Israele
2e editie 1980

Kortgeleden heb ik een boek ter hand genomen dat ik in 1990 voor het eerst had gelezen. Er was toen een goede  reden om mij in Quaderno d’Israele van Giorgio Voghero te verdiepen, namelijk in verband met het Etty Hillesum Seminar dat ik in 1989 in Rome had georganiseerd. Eén van de Italiaanse deelnemers, de hoogleraar vergelijkende literatuur Fabio Russo, vergeleek enkele thema’s in het werk van deze auteur met thema’s in Hillesums werk. Het was een mooie lezing, maar Voghera’s boek vond ik toen niet bijster interessant.

Ik heb het boek – je zou de titel kunnen vertalen met: Israëlcahier – de afgelopen maand herlezen, dus twintig jaar later. En dat was niet toevallig, aangezien ik naspeuringen doe over de Palestina-reis van Philip Mechanicus, die begin mei 1933 in Triëst op de boot naar het Beloofde Land stapte. In de literatuur dook de naam Voghera op. Zo vond ik opnieuw de weg naar zijn roman uit 1967.

De roman van Voghera

Maar nu over Voghera’s roman. Een roman? Ja en nee. Voghera beschrijft de periode 1938-1947 die hij heeft doorgebracht in Palestina. Hij belandde er dus vijf jaar na Mechanicus, die er overigens slechts drie weken was gebleven. Hij vluchtte kort voor de afkondiging van de antisemitische wetgeving (1938) onder de fascistische dictatuur van Mussolini. Voghero had de bui zien hangen en besloot tijdig zich in te schepen.

Zionisme

Dit bijzondere boek – een soort journaal in de vorm van een roman – zag het licht in 1967. Voghera had zijn tekst in het Hebreeuws geschreven en zelf in het Italiaans vertaald. Daarbij geholpen door zijn vader Guido. De keuze voor de vorm en zijn lange twijfelen voor hij tot publicatie overging, verantwoordt Voghera als volgt. Hij wilde de al wat ouder geworden zionisten niet voor het hoofd stoten, en bovendien wilde hij niet dat iemand zich in zekere romanpersonages zou kunnen of willen herkennen of zou worden herkend. Vandaar dat verwijzingen naar zaken en personen ontbreken.

Naar mijn gevoel valt het met die kritiek op de zionistische beweging erg mee. De auteur getuigt wèl van inzicht als hij duidelijk maakt dat deze faktor niet moet worden onderschat. Nederlanders  weten immers, dat Jacob Israël de Haan, die net als Philip Mechanicus in het Algemeen Handelsblad over Palestina schreef (1919-1924), zijn kritiek op het zionisme met de dood heeft moeten bekopen. Hij werd in 1924 vermoord.

De schrijver Voghera

Voghera beschrijft in eenentwintig hoofdstukken zijn ervaringen in de kibboets. De verteller in deze autobiografische roman is de auteur zelf, en van zijn wereldbeeld maakt hij geen geheim: Jood, socialist, cosmopoliet (immers opgegroeid in Triëst) en niet religieus. Bovendien heeft hij een pessimistische visie op mens en wereld. Zijn reflexies over en zijn beschrijvingen van het leven in de kolonie moeten tegen deze achtergrond worden gelezen. Nog een overweging voor ik het verhaal vertel over de twee personen wier namen in de titel van dit stukje staan. De episode van Esther en Jozua rust op een kernmotief van de Joodse spiritualiteit: de ontembare hang naar de waarheid. Hieraan moet worden toegevoegd het motief ‘interioriteit’ en het voelbaar aanwezige ethische engagement. Gedrieën vormen zij het fundament van het Israëlcahier. (Maar daarop kom ik in de nabije toekomst nog terug.)

Het verhaal

Voghera vertelt over de Turkse verloofden Esther en Jozua in hoofdstuk 18. De twee jonggeliefden  kwamen in de kolonie in afwachting van het gereedkomen van hun huis in Tel-Aviv waar ze na hun huwelijksvoltrekking zouden intrekken. Jozua was vaak afwezig: hij had zaken te regelen in de stad. De wat verlegen en stille Esther bleef in de kolonie waar ze in de keuken was ingedeeld. Een moederlijk type en erg religieus, ze droeg bijvoorbeeld jurken en niet de korte broeken waarin de andere meisjes rondliepen. De stellen die geen eigen tent of kamer hadden gingen ’s avonds op zoek naar een plekje in de tuin; Esther en Jozua bleven praten in een hoek van de eetzaal.

Aan dit prille geluk kwam een einde door de dood van Jozua. De ware toedracht van het ongeluk werd nooit opgehelderd, maar het praatje ging dat hij was omgekomen door de ontploffing van de bom die hij zelf aan het prepareren was. Voghera schrijft dat hij dit gerucht niet geloofwaardig achtte, omdat rechtse elementen uit de socialistische kibboetsen werden geweerd. Hij voegt echter direct een sterk element van twijfel toe als hij schrijft dat de leiding van de kibboets wellicht niet van Jozua’s achtergrond op de hoogte was.

Esther verliet na de tragedie direct de kibboets, maar keerde enkele maanden later terug om zich stabiel in de kolonie te vestigen. Ze leek veranderd, was ondernemend en doortastend geworden. Nieuwe taken nam zij op zich, waaronder de eerste beginselen van de militaire instructie van de meisjes op school. Verder nam zij het het met de Joodse voedselwetten minder nauw; en de attenties van een jongeman in de kolonie wees ze niet af.

Esther over haar Jozua

Toch was ze haar Jozua niet vergeten. Dat bleek uit een gesprek met haar vriendin dat door de verteller ‘ongewild’ werd afgeluisterd. De vriendin beklemtoonde dat ze Jozua moest vergeten en aan haar toekomst denken. Dan vertelt Esther dat zij en Jozua in de drie maanden voor zij in de kolonie kwamen minnaars waren geweest. Zij wilde dat niet, maar werd door haar geliefde op zachte maar besliste wijze overtuigd. Zij voelde dat zij voor hem een offer bracht. Vanuit haar religieuze optiek kwam het haar voor als een Goddelijk straf die haar trof, niet hem.

En ze vertelt verder: in zijn nabijheid verkeren, luisteren naar zijn woorden, ervaren hoe goed hij haar begreep, van zijn attenties genieten, dat alles was van een paradijsachtige heerlijkheid. En hoe scherp wist hij anderen niet te doorgronden, en met welk een oneindige goedheid deed hij dat. Het waren tenslotte deze goedheid en opofferingsgezindheid, die hem noodlottig zijn geworden. Op dit punt aangekomen onderbreekt de verteller zijn verslag. Hij wil de lezer voorbereiden op de laatste zin die Esther haar vriendin ter overweging geeft. Die zin bezorgt hem de koude rillingen. Esther zegt over haar geliefde Jozua:

Het is misschien beter zo, ik bedoel, dat hij dood is. Hij was voor deze wereld veel te goed en zou verschrikkelijk hebben moeten lijden.

Voghera sluit met deze woorden het hoofdstuk af. Aan de lezer het oordeel.

Zie ook de post over Voghera: Een vergeten moralist

Aantekeningen

  • Giorgio Voghera, Quaderno d’Israele, Edizioni Studio Tesi, Pordenone 1986 (11967, 21980).
  • Fabio Russo’s bijdrage heb ik later opgenomen in de bundel L’esperienza dell’Altro. Studi su Etty Hillesum, a cura di Gerrit Van Oord, Apeiron Editori, Sant’Oreste, 1990.
  • De reportages werden gebundeld in Een volk bouwt zijn huis. Palestijnse reisschetsen, uitgegeven door het Algemeen Handelsblad in oktober 1933.
  • Deze feuilletons kunnen worden geraadpleegd op www.dbnl.nl
  • Quaderno, pp. 203-206.

Philip Mechanicus: van Triëst naar Palestina (1)

Philip Mechanicus zette op 8 mei 1933 voet aan wal in Jaffa. Hij was ongeveer een week eerder vertrokken uit Triëst en had op zijn zeereis naar Palestina onder andere Brindisi (Zuid-Italië) en  Larnaka (Cyprus) aangedaan. Hij zou drie weken in Palestina blijven en van zijn bevindingen verslag doen in zijn geliefde Algemeen Handelsblad. En hij kon rekenen op een grote schare lezers die zijn reportages hoog aanschreven.

Mechanicus wijdt de eerste twee van wat meer dan 20 reisverslagen zullen worden aan het schip en haar passagiers. Hij opent zijn eerste artikel met de woorden: “Ik ben op weg naar Palestina zit op het verkeerde schip.” Als ervaren journalist kent hij de trucjes om de nieuwsgierigheid van zijn lezers in het vaderland op te wekken. In deze eerste alinea verhaalt hij over de aankomst in de Noord-Italiaanse havenstad: hij verwachtte zich in te schepen op de “Adria”. Maar het werd een ander schip: de “Italia”. Haar naam was voluit te lezen op de voorsteven R.N. Italia: Regia Nave Italia. Het betrof een stoomschip van iets over de vijfduizend ton (5.018) en kon meer passagiers opnemen dan de Adria. De reden waarom er een groter schip nodig was op deze lijn naar het Nabije Oosten, had volgens Mechanicus te maken met de “golf van antisemitisme, die sedert de revolutie van Hitler door Duitschland slaat en welke ook in andere landen van Europa haar invloed doet gelden”.

In geen van de teksten van of over Mechanicus was ik ooit op andere dan de bovengenoemde gegevens over deze reis gekomen. En in de bundel Palestijnse reisschetsen Een volk bouwt zijn huis staan wel enkele foto’s, maar niet van de Italia. Welnu, de afgelopen weken heb ik wat rondgeneusd in een studie over de lotgevallen van de Italiaanse Palestina pioniers die na de opkomst van het zionisme in Italië besloten naar het Beloofde land te vertrekken. Het boek behandelt de periode 1920-1940. Een deel van hen vertrok vanuit Triëst. Net als Philip Mechanicus. Ik besloot op zoek te gaan naar meer gegevens in Italiaanse bronnen en op het internet. Het eerste resultaat is een aantal gegevens over het stoomschip waarmee hij reisde.

De “Italia”

Zijn ‘verkeerde’ schip bevond zich nog niet zolang onder de bijna 50 schepen van de Rederij Lloyd Triestino. De rederij bezat niet alleen een flinke vloot, maar ook een netwerk van ruim honderd agentschappen in de wereld, waaronder ook een in Amsterdam, want daar had Mechanicus geboekt, zoals hij in zijn eerste artikel vermeldt. Hij reisde op een schip dat in 1905 in opdracht van de rederij “La Veloce” was gebouwd door de Scheepswerf Nicolò Odero, beiden gevestigd in Genua. Lloyd Triestino was de zesde en tevens laatste eigenaar, want op 6 juli 1944 werd het door de bommen van een geallieerd vliegtuig in de haven van Triëst tot zinken gebracht. Het schip kwam de klap niet teboven. In 1950 werd zij gesloopt. In haar bijna veertigjarige carrière had de Italia alle wereldzeeën bevaren.

De snelheid van de Italia was 13 knopen, wat meer van 24 km per uur. Maar dat is voorlopig alles aan technische details over de Italia. Lengte. Hoogte. Breedte. Aantal bemanningsleden. Capaciteit passagiers. Geen informatie. Overigens, wat betreft de capaciteit: in elk geval meer dan 300, dat blijkt uit de opmerkingen van Mechanicus. Wat ik wel heb gevonden zijn drie foto’s van de Italia. De beste neem ik hierbij op. De afbeeldingen zijn eigendom van de verzamelaar Bozzo, die – hoe kan het anders – niet ver van Genua woont.

Over de terugreis van Mechanicus weet ik alleen dat hij via Rome per trein naar Amsterdam is gegaan. Nadere gegevens onbekend. In neem aan dat hij in Brindisi aan wal is gegaan en de trein naar Rome heeft genomen. Een andere mogelijkheid was wellicht Napels. Voorlopig blijft het gissen. Het doet mij plezier dat Mechanicus de belangrijkste stad van het land waar ik nu al zolang woon met een bezoek heeft vereerd. Uit de mooie Mechanicus biografie van Koert Broersma weet ik dat hij helaas niet veel tijd heeft gehad om er rond te kijken.

Zie: Koert Broersma, ‘Buigen onder de storm’. Levensschets van Philip Mechanicus 1889-1944, Van Gennep, Amsterdam 1993.

Wat is een nationalistische liberaal? Een voorbeeld uit 1873

Toen in 1870 de Kerkelijke Staat ten val was gebracht, werd Italië een parlementaire monarchie met regeringen van liberale snit. In 1870 werd ook het getto afgeschaft. De Italiaanse Joden verworven gelijke burgerrechten. Daarom hebben zij altijd een bijzonder grote liefde voor de Italiaanse Staat ten toon gespreid, zo toegewijd dat zij soms uitliep op devotie. Niettemin werd er door sommigen aan hun loyaliteit versus de staat ernstig getwijfeld. Een berucht geval dateert uit 1873: ‘de zaak Pasqualigo’. Deze parlementarier uit Vicenza schreef koning Vittorio Emanuele II een brief waarin hij Zijne Hoogheid vroeg de leiding van het Ministerie van Financiën niet toe te vertrouwen aan de Venetiaanse jood Isaak Pesaro Maurogonato (1817-1892). Een spraakmakend geval. Nota bene slechts drie jaar na de eenwording van Italië en de toekenning van de volledige burgerrechten aan al haar inwoners.

Isaak Pesaro Maurogonato

Wat bracht Pasqualigo tot zijn actie tegen Maurogonato? Hij vond dat een jood, ook al was die in het bezit van de Italiaanse nationaliteit, maar die zijn jood-zijn niet had genegeerd, nooit volledig kon toebehoren aan het jonge verenigde vaderland. Hij richtte zich tot de Italiaanse joden met deze worden: “Jullie zijn nog niet op natuurlijke wijze opgegaan in de Italiaanse natie; het is juist, dat jullie volgens de wet staatsburgers zijn, maar feitelijk zijn jullie geen Italianen; wanneer jullie het geworden zijn, wanneer jullie je het jodendom vaarwel hebt gezegd, zal ik mijn mening bijstellen.” Met andere woorden: volgens Pasqualigo was Maurogonato was een Israeliet en dus een vreemdeling. En een vreemdeling kun je natuurlijk geen minister maken.

De kwestie was in de publiciteit overigens geen lang leven beschoren; wellicht omdat de kandidaat Minister voor het aanbod van de koning bedankte. Maurogonato werd in 1890, twee jaar voor zijn dood, nog Senator. Al met al  een opmerkelijk geschiedenis. De parlementarier Francesco Pasqualigo was namelijk een liberaal en een overtuigde anti-clerikaal. Hij had bovendien eervol meegevochten in de strijd tegen de Pauselijke Staat voor de eenwording van Italië. Pasqualigo was geen religieuze antisemiet. Mijn these is dat hij een vroege vertegenwoordiger was van een antisemitisme, in sterke opkomst in de laatste decennia van de 19e eeuw, dat de jood aanwees als een op geld belust personage, te identificeren met kapitalisten en bankiers, vrijmetselaars, en de ontwerpers van een internationaal complot om de wereld te beheersen.

Ik moest aan het verhaal van Pasqualigo denken toen ik vernam dat de parlementarier Geert Wilders de dubbele nationaliteit aanvocht van een Nederlandse staatssecretaris in de regering Rutte. Al eerder had Wilders scherp geageerd tegen de Marokkaanse en Turkse paspoorten in bezit van twee andere Nederlandse staatsburgers en politici.

Pasqualigo en Wilders hebben gemeen dat beide politici zich laten voorstaan op een liberale overtuiging. Nu waren liberale denkbeelden in 1873 zeker anders van inhoud dan die uitgedragen worden door de PVV aan het begin van de 21ste eeuw. Toch is er dunkt mij ook een overeenkomst: beide politici handelen uit nationalistische motieven. Hun nationalisme bewerkt maatschappelijke uitsluiting van bepaalde groepen. Het gebruikte mechanisme lijkt me het volgende. De politieke argumentatie wordt primair op het individu gericht, maar beoogt in werkelijkheid de groep waarvan dit individu deel uitmaakt te treffen en om daarmee maatschappelijke segregatie te bewerkstellingen.

Is een politicus, die zich uitgeeft voor vrijheidsgezind (liberaal), maar anderen, die net als hij volwaardige staatsburgers zijn, in een nationalistisch keurslijf wil dwingen, betrouwbaar? Kan een liberale politiek verdeling en uitsluiting, in plaats van dialoog en maatschappelijke cohesie betekenen?

Etty Hillesum in Italië. Vijfentwintig jaar dagboek in het Italiaans

Dagboek 1985

In oktober 1985 zag de Italiaanse vertaling van Het verstoorde leven het licht. De Milanese uitgeverij Adelphi publiceerde het boek. Dat was een heuglijk feit. En de uitgave werd in de loop der jaren regelmatig herdrukt. Het verwierf de status van longseller. Een maand of wat geleden heb ik een exemplaar van de dertiende (juni 2008) druk gekocht. Dertien herdrukken in een kwart eeuw betekent dat men kan spreken van een succes. De receptie van de Hillesum teksten bevestigt dit: het aantal artikelen, monografieën en doctoraalscripties, verder toneeluitvoeringen en documentaires gewijd aan Hillesum, ligt – naar ik kan inschatten – tussen de drie- en vierhonderd.

Niettemin valt er op de vreugde wel wat af te dingen. Er zitten aan deze geschiedenis nogal wat vervelende kanten. Laten we eens kijken wat er aan de hand is.

De vertaling van het dagboek

De 3e druk van de 1e editie.

De dertien drukken van de Italiaanse vertaling, getiteld Etty Hillesum. Diario 1941-1943, zijn de ongewijzigde herdrukken van de editie van Het verstoorde leven. Het dagboek van Etty Hillesum, uit 1981. En hier ligt de kern van het probleem. Dat er met die uitgave iets mis was, werd in 1986 al snel duidelijk, toen de zeer verzorgde wetenschappelijke editie Etty. De nagelaten geschriften van Etty Hillesum verscheen. De uitgever Jan Geurt Gaarlandt heeft vrij vlot daarna een herziene editie gemaakt van zijn bijzonder succesvolle selectie dagboekaantekeningen, want dat is het Het verstoorde leven immers: een op grond van persoonlijke voorkeuren – die van J.G. Gaarlandt – samengestelde antologie.

Geen herziene druk in Italië

In Italië kwam het nooit tot een herziene druk. Men was in Milaan wel op de hoogte van het verschijnen van de Nagelaten Geschriften, want voor de Italiaanse uitgave van een editie van 47 brieven van Etty Hillesum heeft vertaalster Chiara Passanti – volgens het colofon – gebruik gemaakt van de wetenschappelijke editie van 1986.

Maar er zit nog een opmerkelijke kant aan deze kwestie. In de eerste helft van de jaren negentig viel het mij ineens op dat het boek Het verstoorde leven aanzienlijk omvangrijker was dan de Italiaanse editie. Er zijn grote verschillen in zetwerk en lettergrote. Bij nader toezien bleek dat er ruim vierhonderd regels druks waren geschrapt, minstens 15 pagina’s. Het betreft tekstdelen uit het eerste cahier die allen betrekking hebben op Julius Spier.

In die tijd sprak ik hierover met de vertaalster Chiara Passanti, die mij liet weten dat zij de volledige tekst van Het verstoorde leven had vertaald en ingeleverd. Zij vertelde ook dat de toenmalige redacteur de informatie over Spier niet relevant vond voor de Italiaanse lezers. Dat Julius Spier zo’n slechte reputatie heeft onder Italiaanse Hillesum lezers wordt tenminste voor een deel door dit opmerkelijke redactionele ingrijpen verklaard. Een interessant thema voor receptie-onderzoek?

Een ‘corrupte’ bron

Omslag 13e druk.

De Italiaanse lezers moeten het nu al een kwart eeuw stellen met een wat men in jargon noemt een ‘corrupte’ uitgave.  Aan de vertaling lag de Nederlandse oertekst uit 1981 ten grondslag. Die deugde helaas niet vanwege onnauwkeurige transcriptie en sterk eenzijdige selectie.

Wat zijn nu de redenen waarom de huidige situatie als zeer ongelukkig moet worden beschouwd? In de eerste plaats blijkt in de praktijk dat de partiële en onbetrouwbare tekst aanleiding geeft tot het trekken van ongefundeerde conclusies. Bijvoorbeeld de opvatting dat Etty Hillesum ‘zingend’ richting Auschwitz zou zijn vertrokken. Anders gezegd: in blijde stemming voor de dood zou hebben gekozen. Dit ‘martelaarsschap’ wordt in zekere gelovige kringen zeer hoog aangeslagen. En het grote succes van Hillesums dagboek bij rooms-katholieke lezers wordt daarmee deels verklaard. De in het dagboek gelezen (bijna) bekering tot het christelijke – en in Italië is dat het rooms-katholieke – geloof is een tweede element van deze verklaring.

Academische receptie

Een tweede reden betreft de academische receptie. Er zijn in de loop der jaren tientallen doctoraalscripties over Hillesum geschreven en een groot aantal daarvan heb ik kunnen lezen. De constatering is, dat het overgrote deel van deze scripties op de vertaalde dagboekteksten (dus die van 1985) is gebaseerd. Natuurlijk ligt de primaire verantwoordelijkheid voor deze omstandigheid bij de academische wereld zelf. Het is waar dat het Nederlands weinig courant is in Italië, maar ook van de edities in andere talen (Engels en Frans) vindt men nauwelijks sporen. Om maar niet te spreken van de secundaire literatuur. Voor een vruchtbare Etty Hillesum receptie en interpretatie, die juist in de context van een andere cultuur zo interessant zou kunnen zijn, is dit niet bevorderlijk.

Theater

Er is nog een aspect waarop ik zou willen wijzen, namelijk de receptie die zijn uitdrukkingsvormen vindt in toneel of documentaire. Begin juni zag ik een fascinerende toneelvoorstelling in Cagliari op Sardinië. De hoge kwaliteit van het spel, het decor en de regie overtrof alles wat ik tot dan toe had gezien, zes of zeven stukken. De tekst was zeer efficiënt geschreven en er werd knap gespeeld. Vijfenvijftig minuten adembenemend toneel. Toch verliet ik met een vervelend gevoel het Teatro Civico van Cagliari. Het was weer hetzelfde thema dat domineerde: Etty Hillesum ging opgewekt en beslist Auschwitz tegemoet. Door mij zo onbevangen mogelijk aan de voorstelling over te geven – mijn eigen Hillesum beeld met opzet op de achtergrond dringende – heb ik van de schoonheid van deze voorstelling kunnen genieten.

De vertaling van de brieven

Hierover kunnen we kort zijn. De Italiaanse titel van deze verzameling brieven luidt: Etty Hillesum. Lettere 1942-1943. De uitgave die eraan ten grondslag heeft gelegen was: Brieven 1942-1943. Maar een belangrijk verschil met de vertaling van de selectie dagboekaantekeningen is dat Chiara Passanti de wetenschappelijke editie bij haar werk heeft betrokken. Zij heeft zelfs een aantal van de annotaties overgenomen.

Vervallen rechten

Tot slot nog het volgende. Op 1 december 2013 komen de rechten op de door Etty Hillesum nagelaten geschriften vrij. Wij weten maar al te goed dat hoe lastig het is Hillesums dagboeken zonder uitgebreide annotaties goed te begrijpen. De vraag is wat er na die datum in Italië gaat gebeuren. Het risiko bestaat dat ‘wilde’ vertalingen op de markt komen, die de toets der kritiek niet kunnen doorstaan. Daarom is onze hoop gevestigd op de inspanningen van Adelphi om vòòr de datum een Italiaanse editie van de nagelaten geschriften op de markt te brengen, zulks in navolging van de Engelse en de Franse edities. Dat zal in elk geval de wildgroei aanzienlijk beperken en de Etty Hillesum studies in Italië een nieuwe impuls geven, naar ik hoop met meer genuanceerde resultaten.

Aantekeningen

Tekst licht bijgesteld in oktober 2020

De Umbrische boer van Hella Haasse (of: Berusting 2)

Hella Haasse in Umbrië

Hella Haasse heeft in haar lange leven diverse boeken over Italië geschreven. Velen hebben gehoord van haar De tuinen van Bomarzo, maar minder bekend zijn de reisverhalen die zij in 1953 bundelde en de titel Klein reismozaïek meegaf. Zij trok in het jaar daarvoor – 1952 – door Italië. Het is mij niet duidelijk op welke manier zij reisde, waarschijnlijk per trein en per locaal vervoer. Het is echter niet uitgesloten dat zij in gezelschap per auto door het land reisde. In de bundel komt namelijk een stukje voor waarin zij verslag doet van wat zij in het landelijke Umbrië heeft waargenomen, namelijk een boer die zijn hooi langs een vrij steile weide naar boven sleept naar het erf van zijn boerderij die boven op de heuvel ligt. Zij kan dat echter onmogelijk vanuit het raam van een treincoupé hebben gezien, of vanuit een autobus.

Wat Haasse zegt over het beeld dat haar zal bijblijven, zou ook kunnen gelden voor de lezers van dit prachtige fragment. Ik vat het fragment zo samen:

Terwijl de blik van de schrijfster over het glooiende Umbrische landschap dwaalt, wordt haar aandacht getrokken door een “wandelende hooischelf” die naar boven beweegt. Onder de schelf ontwaart zij een boer die met het hooi op zijn schouders naar boven probeert te komen. Na diverse  pogingen, met veel vallen en opstaan, lukt het hem tenslotte met een uiterste krachtsinpanning de vracht op het erf van zijn boerderij te krijgen. Dan daalt hij opnieuw af om een andere schelf naar boven te sjouwen.

Haasse concludeert: “Wil de boer zijn hooi boven hebben, dan moet hij het zelf halen, stap voor stap, een martelgang van vallen en opstaan. Hij doet het, geduldig en volhardend, met de kalmte van een mens die deze inspanning als iets van zelfsprekends heeft aanvaard.” (Geciteerd in Het Italie-gevoel, 112)

Het is de laatste zin die mij interesseert. Haasse onthult hierin een aspect van de Italiaanse identiteit, namelijk de berustende volharding waarmee de taken worden volbracht die de continuïteit van het bestaan waarborgen. In weerwil van alle moeilijkheden die deze samenleving voor ons in petto heeft! In dit concrete geval, betreft een boer en diens zorg voor het hooi, het voedsel voor zijn beesten in de wintermaanden: het kan in de hogergelegen gebieden van Umbria gemeen koud zijn.

Het zijn belangrijke woorden in het Italiaans: geduld [pazienza], volharding [perseveranza], aanvaarding [accettazione]. Het zijn de woorden die stuk voor stuk tot de woordfamilie van ‘berusting’ behoren.

Het devies van Haasse – schrijven is waarnemen en denken – komt hier op een mooie manier tot uitdrukking. Schrijven is het resultaat van waarnemen en denken. Deze handelingen behoeven niet noodzakelijk in een zeer korte tijdspanne worden voltrokken. Integendeel. De werkwijze van Haasse was anders: op de reis waarnemen, aantekeningen maken en tenslotte thuis, aan de grote tafel in haar huiskamer, kwam het tot schrijven. Dat verklaart ook het literaire karakter van deze reisverhalen. En het verklaart tevens de aanwezigheid van de diepere gedachte die vervat ligt in de door mij geciteerde zin, die duidt op een kennis van zaken die werd gevoed door meer waarnemingen dan alleen deze lijdende Umbrische boer.

Aantekeningen

Pagina over Hella Haasse