Voghera, een vergeten moralist

Waarom zou je het werk bestuderen van een schrijver die niemand meer kent, wiens boeken door geen mens meer worden gelezen, buiten een vereenzaamde specialist of een vage student op zoek naar een saai scriptieonderwerp. Giorgio Voghera (1908-1999) is zo’n schrijver. Hij had zijn lot voorzien. Hij wist dat slechts een goedgelovige het gezegde ‘wie schrijft, blijft’ tot levensmotto kan maken. In een schets voor een zelfportret vermeldt hij zich nooit te hebben gezien als een schrijver. Niettemin probeerden Giorgio’s vrienden, bezorgd om zijn geringe eigenwaarde, hem ervan te overtuigen dat hij met alle recht aanspraak kon maken op die eervolle kwalificatie. Een “kwalificatie”, schreef hij, “die kan worden toegekend aan bijna vijftig procent van alle Italianen die geen analfabeet zijn”. Dit is mooie, zwarte ironie, want de uitspraak dateert uit de tweede helft van de jaren vijftig, de tijd waarin de Italiaanse televisie nog maar net was begonnen aan de heiligste van al haar heilige missies: de Italianen Italiaans te leren.

Nee, Voghera zag zichzelf niet als schrijver van romans, maar meer als essayist, of nog liever als “een moraliserende prediker waar niemand naar luistert”. Ziehier, besloten in het adjectief, de belangrijkste reden waarom in het hedendaagse Italië, in mijn Italië, dat van de laatste twee decennia, Giorgio Voghera niet meer wordt gelezen.

 

Zie voor beide citaten: Carcere a Giaffa, Edizioni Studio Tesi, Pordenone 1985, p. 157)

Etty Hillesum en de jonge Stalin

In oktober 2010 ontving ik een email van een Italiaanse historicus van de fotografie. Hij vroeg of ik wist wie de drie heren waren wier portretten Etty Hillesum op de muur van haar kamer in de Gabriël Metsustraat had bevestigd.

Etty Hillesum in haar kamer, 1937 (?)

Dit is een van de twee ons bekende foto’s van Etty Hillesum in  haar kamer. Waarschijnlijk te dateren in 1937. Op deze foto staan in totaal vijf portretten van mannen afgebeeld: drie aan de wand en twee ingelijst op de tafel naast de rechterarm van Etty Hillesum. Het staat nu vast dat de heer met de baard en de geblokte (?) sjaal de jonge Stalin is. Wie de andere vier heren zijn is mij onbekend. Heel lang heb ik gedacht dat het derde portret van boven de dichter Rainer Maria Rilke voorstelde, maar na vergelijking met andere foto’s van Rilke lijkt het mij erg onwaarschijnlijk. De jacht op de identiteiten van deze mannen aan de muur is geopend.

Het tweede portret van boven is de jonge Stalin in 1902. Hieronder de andere foto waarop hij recht in de lens kijkt. Beide signalementsfoto’s werden gemaakt bij zijn arrestatie in 1902.

Beide foto’s werden mij opgestuurd door Pino Blasone, die voor deze interessante vaststelling hartelijke dank verdient. Hij gaf mij ook de bron: het boek van Simon Sebag Montefiore, The Young Stalin uit 2007, vertaald in het Italiaans in 2010. Ik kende het boek van Montefiore niet. Vorige week kreeg ik eindelijk de vertaling in handen en kon vaststellen dat Blasone gelijk had. Eind oktober had ik de foto’s overigens ook al op het internet gevonden. Bovendien staat een van de foto’s op het omslag van het boek van Montefiore. De precieze datering van de foto’s is niet zo eenvoudig. Het zou ook 1906 kunnen zijn.

Signalementfoto's van Stalin, 1902

Etty Hillesum schrijft in haar dagboek over Stalin op 10 juli 1942, hem op een lijn stellend met Hitler: “De ene keer is het een Hitler en de andere keer voor mijn part Iwan de Verschrikkelijke”. Kunnen we uit deze zin opmaken dat zij zich over de ware aard van Stalin geen illusies maakte? De Stalin van de foto in haar studeerkamer is 24 jaar oud. Hij brengt zijn tijd door met het organiseren van overvallen – waaraan hij zelf niet of zelden deelneemt – om geld bijeen te brengen voor Lenin. Montefiore noemt Stalin in zijn boek een gangster. Het verhaal van de jonge Stalin moge dan niet zo bekend zijn, iedereen weet wat hij op latere leeftijd heeft uitgespookt.

Wie zich afvraagt waarom Etty Hillesum een jeugdfoto van de ‘gangster’ schuin boven een portret van haar lievelingsdichter Rilke had opgeprikt dient met de historische tijd rekening te houden. In de jaren dertig waren velen in het Westen enthousiast over de ontwikkelingen in het nieuwe Rusland. De Nederlandse journalist Philip Mechanicus maakte in het begin in het begin van de jaren dertig een viertal reizen naar de Sovjet Unie (1929, 1931, 1932 en 1934) en schreef over zijn ervaringen en waarnemingen in het Algemeen Handelsblad. Hij werd allengs kritischer en een visum voor zijn voorgenomen vijfde reis werd hem geweigerd. Etty Hillesum zou met Mechanicus in de zomer van 1943 in kamp Westerbork bevriend raken. Rusland zal ongetijfeld onderwerp van gesprek zijn geweest, ook al omdat beiden de taal beheersten. In het Westerbork-dagboek van Mechanicus, In Dépot, komt het thema Rusland regelmatig ter sprake.

Wat nu te zeggen over deze foto in verband met Hillesum? Weinig naar mijn gevoel. Het heeft niet zoveel zin te gissen naar wat Hillesum over Stalin dacht; in haar dagboeken en brieven treffen we niets aan waarop we onze oordelen zouden kunnen baseren. De enige voorzichtige conclusie kan zijn, dat Hillesum voor de gang van zaken in Rusland een grote belangstelling had en niet vooringenomen was. Met vragen over het Rusland van voor 1917 kon zij bij haar moeder terecht, die had immers aan den lijve ondervonden hoe de Tsaren over de joden dachten.

Esther en Jozua in Palestina. Aantekeningen over Giorgio Voghera

Kortgeleden heb ik een boek ter hand genomen dat ik in 1990 voor het eerst had gelezen. Er was toen een duidelijk motief om mij in Quaderno d’Israele van Giorgio Voghero[i] te verdiepen, namelijk in verband met het Etty Hillesum Seminar dat ik in 1989 in Rome had georganiseerd. Eén van de Italiaanse deelnemers, de hoogleraar vergelijkende literatuur Fabio Russo, vergeleek enkele thema’s in het werk van deze auteur met thema’s in Hillesums werk. Het was een mooie lezing, maar Voghera’s boek vond ik achteraf gezien niet bijster interessant.[ii] Ik heb het boek – je zou de titel kunnen vertalen met: Israëlcahier – de afgelopen maand herlezen, dus twintig jaar later. En dat was niet toevallig, aangezien ik naspeuringen doe over de Palestina-reis van Philip Mechanicus, die begin mei 1933 in Triëst op de boot naar het Beloofde Land stapte.[iii] In de literatuur dook de naam Voghera op. Zo vond ik opnieuw de weg naar zijn roman uit 1967.

Maar nu over Voghera’s roman. Een roman? Ja en nee. Voghera beschrijft de periode 1938-1947 die hij heeft doorgebracht in Palestina. Hij belandde er dus vijf jaar na Mechanicus, die er overigens slechts drie weken was gebleven. Hij vluchtte kort voor de afkondiging van de antisemitische wetgeving (1938) onder de fascistische dictatuur van Mussolini. Voghero had de bui zien hangen en besloot tijdig zich in te schepen.

Dit bijzondere boek – een soort journaal in de vorm van een roman – zag het licht in 1967. Voghera had zijn tekst in het Hebreeuws geschreven en zelf in het Italiaans vertaald. Daarbij geholpen door zijn vader Guido. De keuze voor de vorm en zijn lange twijfelen voor hij tot publicatie overging, verantwoordt Voghera als volgt. Hij wilde de al wat ouder geworden zionisten niet voor het hoofd stoten, en bovendien wilde hij niet dat iemand zich in zekere romanpersonages zou kunnen of willen herkennen of zou worden herkend. Vandaar dat verwijzingen naar zaken en personen ontbreken.

Naar mijn gevoel valt het met die kritiek op de zionistische beweging erg mee. De auteur getuigt wèl van inzicht als hij duidelijk maakt dat deze faktor niet moet worden onderschat. Nederlanders  weten immers, dat Jacob Israël de Haan, die net als Philip Mechanicus in het Algemeen Handelsblad over Palestina schreef (1919-1924), zijn kritiek op het zionisme met de dood heeft moeten bekopen.[iv] Hij werd in 1924 vermoord.

Voghera beschrijft in eenentwintig hoofdstukken zijn ervaringen in de kibboets. De verteller in deze autobiografische roman is de auteur zelf, en van zijn wereldbeeld maakt hij geen geheim: Jood, socialist, cosmopoliet (immers opgegroeid in Triëst) en niet religieus. Bovendien heeft hij een pessimistische visie op mens en wereld. Zijn reflexies over en zijn beschrijvingen van het leven in de kolonie moeten tegen deze achtergrond worden gelezen. Nog een overweging voor ik het verhaal vertel over de twee personen wier namen in de titel van dit stukje staan. De episode van Esther en Jozua rust op een kernmotief van de Joodse spiritualiteit: de ontembare hang naar de waarheid. Hieraan moet worden toegevoegd het motief ‘interioriteit’ en het voelbaar aanwezige ethische engagement. Gedrieën vormen zij het fundament van het Israëlcahier. (Maar daarop kom ik in de nabije toekomst nog terug.)

Voghera vertelt over de Turkse verloofden Esther en Jozua in hoofdstuk 18. De twee jonggeliefden  kwamen in de kolonie in afwachting van het gereedkomen van hun huis in Tel-Aviv waar ze na hun huwelijksvoltrekking zouden intrekken. Jozua was vaak afwezig: hij had zaken te regelen in de stad. De wat verlegen en stille Esther bleef in de kolonie waar ze in de keuken was ingedeeld. Een moederlijk type en erg religieus, ze droeg bijvoorbeeld jurken en niet de korte broeken waarin de andere meisjes rondliepen. De stellen die geen eigen tent of kamer hadden gingen ’s avonds op zoek naar een plekje in de tuin; Esther en Jozua bleven praten in een hoek van de eetzaal.

Aan dit prille geluk kwam een einde door de dood van Jozua. De ware toedracht van het ongeluk werd nooit opgehelderd, maar het praatje ging dat hij was omgekomen door de ontploffing van de bom die hij zelf aan het prepareren was. Voghera schrijft dat hij dit gerucht niet geloofwaardig achtte, omdat rechtse elementen uit de socialistische kibboetsen werden geweerd. Hij voegt echter direct een sterk element van twijfel toe als hij schrijft dat de leiding van de kibboets wellicht niet van Jozua’s achtergrond op de hoogte was.

Esther verliet na de tragedie direct de kibboets, maar keerde enkele maanden later terug om zich stabiel in de kolonie te vestigen. Ze leek veranderd. Ze was ondernemend en doortastend geworden. Ze nam nieuwe taken op zich, waaronder de eerste beginselen van de militaire instructie van de meisjes op school. Verder nam zij het het met de Joodse voedselwetten minder nauw; en de attenties van een jongeman in de kolonie wees ze niet af.

Toch was ze haar Jozua niet vergeten. Dat bleek uit een gesprek met haar vriendin dat door de verteller ‘ongewild’ werd afgeluisterd. De vriendin beklemtoonde dat ze Jozua moest vergeten en aan haar toekomst denken. Dan vertelt Esther dat zij en Jozua in de drie maanden voor zij in de kolonie kwamen minnaars waren geweest. Zij wilde dat niet, maar werd door haar geliefde op zachte maar besliste wijze overtuigd. Zij voelde dat zij voor hem een offer bracht. Vanuit haar religieuze optiek kwam het haar voor als een Goddelijk straf die haar trof, niet hem. En ze vertelt verder: in zijn nabijheid verkeren, luisteren naar zijn woorden, ervaren hoe goed hij haar begreep, van zijn attenties genieten, dat alles was van een paradijsachtige heerlijkheid. En hoe scherp wist hij anderen niet te doorgronden, en met welk een oneindige goedheid deed hij dat. Het waren tenslotte deze goedheid en opofferingsgezindheid, die hem noodlottig zijn geworden. Op dit punt aangekomen onderbreekt de verteller zijn verslag. Hij wil de lezer voorbereiden op de laatste zin die Esther haar vriendin ter overweging geeft. Die zin bezorgt hem de koude rillingen. Esther zegt over haar geliefde Jozua: “Het is misschien beter zo, ik bedoel, dat hij dood is. Hij was voor deze wereld veel te goed en zou verschrikkelijk hebben moeten lijden.”[v]

Voghera sluit met deze woorden het hoofdstuk af. Aan de lezer het oordeel.


[i] Giorgio Voghera, Quaderno d’Israele, Edizioni Studio Tesi, Pordenone 1986 (11967, 21980).

[ii] Russo’s bijdrage heb ik later opgenomen in de bundel L’esperienza dell’Altro. Studi su Etty Hillesum, a cura di Gerrit Van Oord, Apeiron Editori, Sant’Oreste 1990.

[iii] De reportages werden gebundeld in Een volk bouwt zijn huis. Palestijnse reisschetsen, uitgegeven door het Algemeen Handelsblad in oktober 1933.

[iv] Deze feuilletons kunnen worden geraadpleegd op www.dbnl.nl

[v] Quaderno, p. 203-206.

Philip Mechanicus: van Triëst naar Palestina (1)

Philip Mechanicus zette op 8 mei 1933 voet aan wal in Jaffa. Hij was ongeveer een week eerder vertrokken uit Triëst en had op zijn zeereis naar Palestina onder andere Brindisi (Zuid-Italië) en  Larnaka (Cyprus) aangedaan. Hij zou drie weken in Palestina blijven en van zijn bevindingen verslag doen in zijn geliefde Algemeen Handelsblad. En hij kon rekenen op een grote schare lezers die zijn reportages hoog aanschreven.

Mechanicus wijdt de eerste twee van wat meer dan 20 reisverslagen zullen worden aan het schip en haar passagiers. Hij opent zijn eerste artikel met de woorden: “Ik ben op weg naar Palestina zit op het verkeerde schip.” Als ervaren journalist kent hij de trucjes om de nieuwsgierigheid van zijn lezers in het vaderland op te wekken. In deze eerste alinea verhaalt hij over de aankomst in de Noord-Italiaanse havenstad: hij verwachtte zich in te schepen op de “Adria”. Maar het werd een ander schip: de “Italia”. Haar naam was voluit te lezen op de voorsteven R.N. Italia: Regia Nave Italia. Het betrof een stoomschip van iets over de vijfduizend ton (5.018) en kon meer passagiers opnemen dan de Adria. De reden waarom er een groter schip nodig was op deze lijn naar het Nabije Oosten, had volgens Mechanicus te maken met de “golf van antisemitisme, die sedert de revolutie van Hitler door Duitschland slaat en welke ook in andere landen van Europa haar invloed doet gelden”.

In geen van de teksten van of over Mechanicus was ik ooit op andere dan de bovengenoemde gegevens over deze reis gekomen. En in de bundel Palestijnse reisschetsen Een volk bouwt zijn huis staan wel enkele foto’s, maar niet van de Italia. Welnu, de afgelopen weken heb ik wat rondgeneusd in een studie over de lotgevallen van de Italiaanse Palestina pioniers die na de opkomst van het zionisme in Italië besloten naar het Beloofde land te vertrekken. Het boek behandelt de periode 1920-1940. Een deel van hen vertrok vanuit Triëst. Net als Philip Mechanicus. Ik besloot op zoek te gaan naar meer gegevens in Italiaanse bronnen en op het internet. Het eerste resultaat is een aantal gegevens over het stoomschip waarmee hij reisde.

De “Italia”

Zijn ‘verkeerde’ schip bevond zich nog niet zolang onder de bijna 50 schepen van de Rederij Lloyd Triestino. De rederij bezat niet alleen een flinke vloot, maar ook een netwerk van ruim honderd agentschappen in de wereld, waaronder ook een in Amsterdam, want daar had Mechanicus geboekt, zoals hij in zijn eerste artikel vermeldt. Hij reisde op een schip dat in 1905 in opdracht van de rederij “La Veloce” was gebouwd door de Scheepswerf Nicolò Odero, beiden gevestigd in Genua. Lloyd Triestino was de zesde en tevens laatste eigenaar, want op 6 juli 1944 werd het door de bommen van een geallieerd vliegtuig in de haven van Triëst tot zinken gebracht. Het schip kwam de klap niet teboven. In 1950 werd zij gesloopt. In haar bijna veertigjarige carrière had de Italia alle wereldzeeën bevaren.

De snelheid van de Italia was 13 knopen, wat meer van 24 km per uur. Maar dat is voorlopig alles aan technische details over de Italia. Lengte. Hoogte. Breedte. Aantal bemanningsleden. Capaciteit passagiers. Geen informatie. Overigens, wat betreft de capaciteit: in elk geval meer dan 300, dat blijkt uit de opmerkingen van Mechanicus. Wat ik wel heb gevonden zijn drie foto’s van de Italia. De beste neem ik hierbij op. De afbeeldingen zijn eigendom van de verzamelaar Bozzo, die – hoe kan het anders – niet ver van Genua woont.

Over de terugreis van Mechanicus weet ik alleen dat hij via Rome per trein naar Amsterdam is gegaan. Nadere gegevens onbekend. In neem aan dat hij in Brindisi aan wal is gegaan en de trein naar Rome heeft genomen. Een andere mogelijkheid was wellicht Napels. Voorlopig blijft het gissen. Het doet mij plezier dat Mechanicus de belangrijkste stad van het land waar ik nu al zolang woon met een bezoek heeft vereerd. Uit de mooie Mechanicus biografie van Koert Broersma weet ik dat hij helaas niet veel tijd heeft gehad om er rond te kijken.

Zie: Koert Broersma, ‘Buigen onder de storm’. Levensschets van Philip Mechanicus 1889-1944, Van Gennep, Amsterdam 1993.

Wat is een nationalistische liberaal? Een voorbeeld uit 1873

Toen in 1870 de Kerkelijke Staat ten val was gebracht, werd Italië een parlementaire monarchie met regeringen van liberale snit. In 1870 werd ook het getto afgeschaft. De Italiaanse Joden verworven gelijke burgerrechten. Daarom hebben zij altijd een bijzonder grote liefde voor de Italiaanse Staat ten toon gespreid, zo toegewijd dat zij soms uitliep op devotie. Niettemin werd er door sommigen aan hun loyaliteit versus de staat ernstig getwijfeld. Een berucht geval dateert uit 1873: ‘de zaak Pasqualigo’. Deze parlementarier uit Vicenza schreef koning Vittorio Emanuele II een brief waarin hij Zijne Hoogheid vroeg de leiding van het Ministerie van Financiën niet toe te vertrouwen aan de Venetiaanse jood Isaak Pesaro Maurogonato (1817-1892). Een spraakmakend geval. Nota bene slechts drie jaar na de eenwording van Italië en de toekenning van de volledige burgerrechten aan al haar inwoners.

Isaak Pesaro Maurogonato

Wat bracht Pasqualigo tot zijn actie tegen Maurogonato? Hij vond dat een jood, ook al was die in het bezit van de Italiaanse nationaliteit, maar die zijn jood-zijn niet had genegeerd, nooit volledig kon toebehoren aan het jonge verenigde vaderland. Hij richtte zich tot de Italiaanse joden met deze worden: “Jullie zijn nog niet op natuurlijke wijze opgegaan in de Italiaanse natie; het is juist, dat jullie volgens de wet staatsburgers zijn, maar feitelijk zijn jullie geen Italianen; wanneer jullie het geworden zijn, wanneer jullie je het jodendom vaarwel hebt gezegd, zal ik mijn mening bijstellen.” Met andere woorden: volgens Pasqualigo was Maurogonato was een Israeliet en dus een vreemdeling. En een vreemdeling kun je natuurlijk geen minister maken.

De kwestie was in de publiciteit overigens geen lang leven beschoren; wellicht omdat de kandidaat Minister voor het aanbod van de koning bedankte. Maurogonato werd in 1890, twee jaar voor zijn dood, nog Senator. Al met al  een opmerkelijk geschiedenis. De parlementarier Francesco Pasqualigo was namelijk een liberaal en een overtuigde anti-clerikaal. Hij had bovendien eervol meegevochten in de strijd tegen de Pauselijke Staat voor de eenwording van Italië. Pasqualigo was geen religieuze antisemiet. Mijn these is dat hij een vroege vertegenwoordiger was van een antisemitisme, in sterke opkomst in de laatste decennia van de 19e eeuw, dat de jood aanwees als een op geld belust personage, te identificeren met kapitalisten en bankiers, vrijmetselaars, en de ontwerpers van een internationaal complot om de wereld te beheersen.

Ik moest aan het verhaal van Pasqualigo denken toen ik vernam dat de parlementarier Geert Wilders de dubbele nationaliteit aanvocht van een Nederlandse staatssecretaris in de regering Rutte. Al eerder had Wilders scherp geageerd tegen de Marokkaanse en Turkse paspoorten in bezit van twee andere Nederlandse staatsburgers en politici.

Pasqualigo en Wilders hebben gemeen dat beide politici zich laten voorstaan op een liberale overtuiging. Nu waren liberale denkbeelden in 1873 zeker anders van inhoud dan die uitgedragen worden door de PVV aan het begin van de 21ste eeuw. Toch is er dunkt mij ook een overeenkomst: beide politici handelen uit nationalistische motieven. Hun nationalisme bewerkt maatschappelijke uitsluiting van bepaalde groepen. Het gebruikte mechanisme lijkt me het volgende. De politieke argumentatie wordt primair op het individu gericht, maar beoogt in werkelijkheid de groep waarvan dit individu deel uitmaakt te treffen en om daarmee maatschappelijke segregatie te bewerkstellingen.

Is een politicus, die zich uitgeeft voor vrijheidsgezind (liberaal), maar anderen, die net als hij volwaardige staatsburgers zijn, in een nationalistisch keurslijf wil dwingen, betrouwbaar? Kan een liberale politiek verdeling en uitsluiting, in plaats van dialoog en maatschappelijke cohesie betekenen?

Etty Hillesum in Italië. Vijfentwintig jaar Het verstoorde leven in het Italiaans

In oktober 1985 werd de Italiaanse vertaling van Het verstoorde leven gepubliceerd door de uitgeverij Adelphi in Milaan. Dat was een heuglijk feit. Het boek is in de loop der jaren regelmatig herdrukt. Het heeft de status van longseller verworven. Een maand of wat geleden heb ik een exemplaar van de dertiende (juni 2008) druk gekocht. Dertien herdrukken in een kwart eeuw betekent dat men kan spreken van een succes. De receptie van de Hillesum teksten bevestigt dit: het aantal artikelen, monografieën en doctoraalscripties, verder toneeluitvoeringen en documentaires gewijd aan Hillesum, ligt – naar ik kan inschatten – tussen de drie- en vierhonderd.

Niettemin valt er op de vreugde wel wat af te dingen. Er zitten aan deze geschiedenis nogal wat vervelende kanten. Laten we eens kijken wat er aan de hand is.

De derde druk van de eerste editie.

1. De vertaling van het dagboek

De dertien drukken van de Italiaanse vertaling, getiteld Etty Hillesum. Diario 1941-1943, zijn de ongewijzigde herdrukken van de editie van Het verstoorde leven. Het dagboek van Etty Hillesum, uit 1981. En hier ligt de kern van het probleem. Dat er met die uitgave iets mis was, werd in 1986 al snel duidelijk, toen de zeer verzorgde wetenschappelijke editie Etty. De nagelaten geschriften van Etty Hillesum verscheen. De uitgever Jan Geurt Gaarlandt heeft vrij vlot daarna een herziene editie gemaakt van zijn bijzonder succesvolle selectie dagboekaantekeningen, want dat is het Het verstoorde leven immers: een op grond van persoonlijke voorkeuren – die van Gaarlandt – samengestelde antologie.

In Italië is het nooit tot een herziene druk gekomen. Men was in Milaan wel op de hoogte van het verschijnen van de Nagelaten Geschriften, want voor de Italiaanse uitgave van een editie van 47 brieven van Etty Hillesum heeft vertaalster Chiara Passanti – volgens het colofon – gebruik gemaakt van de wetenschappelijke editie van 1986.

Maar er zit nog een opmerkelijke kant aan deze kwestie. In de eerste helft van de jaren negentig viel het mij ineens op dat het boek Het verstoorde leven aanzienlijk omvangrijker was dan de Italiaanse editie. Er zijn grote verschillen in zetwerk en lettergrote. Bij nader toezien bleek dat er ruim vierhonderd regels druks waren geschrapt, minstens 15 pagina’s. Het betreft tekstdelen uit het eerste cahier die allen betrekking hebben op Julius Spier. In die tijd sprak ik hierover met de vertaalster Chiara Passanti, die mij liet weten dat zij de volledige tekst van Het verstoorde leven had vertaald en ingeleverd. Zij vertelde ook dat de toenmalige redacteur de informatie over Spier niet relevant vond voor de Italiaanse lezers. Dat Julius Spier zo’n slechte reputatie heeft onder Italiaanse Hillesum lezers wordt tenminste voor een deel door dit opmerkelijke redactionele ingrijpen verklaard. Een interessant thema voor receptie-onderzoek?

Omslag van de 13e druk.

De Italiaanse lezers moeten het nu al een kwart eeuw stellen met een wat men in jargon noemt een ‘corrupte’ en derhalve weinig betrouwbare uitgave. Want niet alleen werd er in geschrapt, de basistekst voor de vertaling deugde niet vanwege onnauwkeurige transcriptie en sterk eenzijdige selectie.

Wat zijn nu de redenen waarom de huidige situatie als zeer ongelukkig moet worden beschouwd? In de eerste plaats blijkt in de praktijk dat de partiële en onbetrouwbare tekst aanleiding geeft tot het trekken van ongefundeerde conclusies. Bijvoorbeeld de opvatting dat Etty Hillesum ‘zingend’ richting Auschwitz zou zijn vertrokken, anders gezegd: in blijde stemming voor de dood zou hebben gekozen. Dit ‘martelaarsschap’ wordt in zekere gelovige kringen zeer hoog aangeslagen. En het grote succes van Hillesums dagboek bij rooms-katholieke lezers wordt daarmee deels verklaard. De in het dagboek gelezen (bijna) bekering tot het christelijke – en in Italië is dat het rooms-katholieke – geloof is een tweede element van deze verklaring.

Een tweede reden betreft de academische receptie. Er zijn in de loop der jaren tientallen doctoraalscripties over Hillesum geschreven en een groot aantal daarvan heb ik kunnen lezen. De constatering is, dat het overgrote deel van deze scripties op de vertaalde dagboekteksten (dus die van 1985) is gebaseerd. Natuurlijk ligt de primaire verantwoordelijkheid voor deze omstandigheid bij de academische wereld zelf. Het is waar dat het Nederlands weinig courant is in Italië, maar ook van de edities in andere talen (Engels en Frans) vindt men nauwelijks sporen. Om maar niet te spreken van de secundaire literatuur. Voor een vruchtbare Etty Hillesum receptie en interpretatie, die juist in de context van een andere cultuur zo interessant zou kunnen zijn, is dit niet bevorderlijk.

Er is nog een aspect waarop ik zou willen wijzen, namelijk de receptie die zijn uitdrukkingsvormen vindt in toneel of documentaire. Begin juni zag ik een fascinerende toneelvoorstelling in Cagliari op Sardinië. De hoge kwaliteit van het spel, het decor en de regie overtrof alles wat ik tot dan toe had gezien, zes of zeven stukken. De tekst was zeer efficiënt geschreven en er werd knap gespeeld. Vijfenvijftig minuten adembenemend toneel. Toch verliet ik met een vervelend gevoel het Teatro Civico van Cagliari. Het was weer hetzelfde thema dat domineerde: Etty Hillesum ging opgewekt en beslist Auschwitz tegemoet. Door mij zo onbevangen mogelijk aan de voorstelling over te geven – mijn eigen Hillesum beeld met opzet op de achtergrond dringende – heb ik van de schoonheid van deze voorstelling kunnen genieten.

2. De vertaling van de brieven

Hierover kunnen we kort zijn. De Italiaanse titel van deze verzameling brieven luidt: Etty Hillesum. Lettere 1942-1943. De uitgave die eraan ten grondslag heeft gelegen was: Brieven 1942-1943. Maar een belangrijk verschil met de vertaling van de selectie dagboekaantekeningen is dat Chiara Passanti de wetenschappelijke editie bij haar werk heeft betrokken. Zij heeft zelfs een aantal van de annotaties overgenomen.

Tot slot nog het volgende. Op 1 december 2013 komen de rechten op de door Etty Hillesum nagelaten geschriften vrij. Wij weten maar al te goed dat hoe lastig het is Hillesums dagboeken zonder uitgebreide annotaties goed te begrijpen. De vraag is wat er na die datum in Italië gaat gebeuren. Het risiko bestaat dat ‘wilde’ vertalingen op de markt komen, die de toets der kritiek niet kunnen doorstaan. Daarom is onze hoop gevestigd op de inspanningen van Adelphi om vòòr de datum een Italiaanse editie van de nagelaten geschriften op de markt te brengen, zulks in navolging van de Engelse en de Franse edities. Dat zal in elk geval de wildgroei aanzienlijk beperken en de Etty Hillesum studies in Italië een nieuwe impuls geven, naar ik hoop met meer genuanceerde resultaten.

De Umbrische boer van Hella Haasse (of: Berusting 2)

Hella Haasse heeft in haar lange leven diverse boeken over Italië geschreven. Velen hebben gehoord van haar De tuinen van Bomarzo, maar minder bekend zijn de reisverhalen die zij in 1953 bundelde en de titel Klein reismozaïek meegaf. Zij trok in het jaar daarvoor – 1952 – door Italië. Het is mij niet duidelijk op welke manier zij reisde, waarschijnlijk per trein en per locaal vervoer. Het is echter niet uitgesloten dat zij in gezelschap per auto door het land reisde. In de bundel komt namelijk een stukje voor waarin zij verslag doet van wat zij in het landelijke Umbrië heeft waargenomen, namelijk een boer die zijn hooi langs een vrij steile weide naar boven sleept naar het erf van zijn boerderij die boven op de heuvel ligt. Zij kan dat echter onmogelijk vanuit het raam van een treincoupé hebben gezien, of vanuit een autobus.

Wat Haasse zegt over het beeld dat haar zal bijblijven, zou ook kunnen gelden voor de lezers van dit prachtige fragment. Ik vat het fragment zo samen:

Terwijl de blik van de schrijfster over het glooiende Umbrische landschap dwaalt, wordt haar aandacht getrokken door een “wandelende hooischelf” die naar boven beweegt. Onder de schelf ontwaart zij een boer die met het hooi op zijn schouders naar boven probeert te komen. Na diverse  pogingen, met veel vallen en opstaan, lukt het hem tenslotte met een uiterste krachtsinpanning de vracht op het erf van zijn boerderij te krijgen. Dan daalt hij opnieuw af om een andere schelf naar boven te sjouwen.

Haasse concludeert: “Wil de boer zijn hooi boven hebben, dan moet hij het zelf halen, stap voor stap, een martelgang van vallen en opstaan. Hij doet het, geduldig en volhardend, met de kalmte van een mens die deze inspanning als iets van zelfsprekends heeft aanvaard.” (Geciteerd in Het Italie-gevoel, 112)

Het is de laatste zin die mij interesseert. Haasse onthult hierin een aspect van de Italiaanse identiteit, namelijk de berustende volharding waarmee de taken worden volbracht die de continuïteit van het bestaan waarborgen. In weerwil van alle moeilijkheden die deze samenleving voor ons in petto heeft! In dit concrete geval, betreft een boer en diens zorg voor het hooi, het voedsel voor zijn beesten in de wintermaanden: het kan in de hogergelegen gebieden van Umbria gemeen koud zijn.

Het zijn belangrijke woorden in het Italiaans: geduld [pazienza], volharding [perseveranza], aanvaarding [accettazione]. Het zijn de woorden die stuk voor stuk tot de woordfamilie van ‘berusting’ behoren.

Het devies van Haasse – schrijven is waarnemen en denken – komt hier op een mooie manier tot uitdrukking. Schrijven is het resultaat van waarnemen en denken. Deze handelingen behoeven niet noodzakelijk in een zeer korte tijdspanne worden voltrokken. Integendeel. De werkwijze van Haasse was anders: op de reis waarnemen, aantekeningen maken en tenslotte thuis, aan de grote tafel in haar huiskamer, kwam het tot schrijven. Dat verklaart ook het literaire karakter van deze reisverhalen. En het verklaart tevens de aanwezigheid van de diepere gedachte die vervat ligt in de door mij geciteerde zin, die duidt op een kennis van zaken die werd gevoed door meer waarnemingen dan alleen deze lijdende Umbrische boer.

Berusting 1

Ik keek er nogal van op toen ik las dat een wezenlijk element van de identiteit van het Italiaanse volk ‘berusting’ is. Verbaasd was ik ook al omdat het niet een journalistieke losse flodder was, maar de bewering van een gerenommeerd historicus: Giuliano Procacci. De these treft u aan in de inleiding op zijn “Geschiedenis van de Italianen”, dat begin jaren zestig voor het eerst verscheen in het Frans bij uitgeverij Fayard. De eerste Italiaanse editie is van 1968, dus zeker niet het resultaat van recent historisch onderzoek. Als u wilt kunt u ook de Engelse vertaling lezen: History of the Italian People, eerste editie 1973. Vele herdrukken.

Het boek werd geschreven voor een niet-Italiaans publiek zoals de auteur in het voorwoord aangeeft. Het is excuus voor de uitleg van zaken die voor een Italiaanse lezer vanzelfsprekend zouden zijn. Bij voorbeeld zijn opmerkingen over Manzoni. Maar wellicht gaat hierachter ook de reden schuil waarom de auteur in de Inleiding het punt van de identiteit te berde brengt.

Ik wil op dit aspect van Procacci’s nuttige boek – nuttig voor wie meer over dit land wil weten – nader ingaan. Procacci koppelt aan het begrip ‘berusting’ namelijk een andere term, namelijk continuïteit. En dat is een sleutelbegrip in de geschiedenis. Welnu, volgens de auteur is berusting een karakteristiek van toepassing op het Italiaanse volk in de tijdspanne van bijna duizend jaar geschiedenis die hij beschrijft: van het jaar 1000 tot en met de Tweede Wereldoorlog. In de latere edities van het boek heeft hij een nawoord toegevoegd waarin hij de naoorlogse jaren behandelt, maar dit terzijde.

Natuurlijk kwalificeert Procacci de term. Hij geeft eerst enkele negatieve afbakeningen: het gaat niet om wanhoop noch om passiviteit. Bij berusting in zijn Italiaanse vorm moeten we denken aan “het bewustzijn dat het leven in ieder geval wordt geaccepteerd en doorgezet en dat er momenten en gelegenheden zijn waarop het nodig is een beroep te doen op de eigen reserves opdat de voortgang van het bestaan niet in gevaar komt” (p. xv).

Een tweede opmerking van Procacci waarmee hij zijn bewering voor zijn lezers probeert helder te maken is de bekende uitspraak van Tancredi, de zoon van de zuster van Prins Salina uit de beroemde roman Il Gattopardo van Tomasi di Lampedusa: “Als we willen dat alles bij het oude blijft, is het nodig dat alles verandert” [“Se vogliamo che tutto rimanga come è, bisogna che tutto cambi.”, Feltrinelli, Milano 2002, p. 50.]

U begrijpt al waar ik heen wil met dit stukje. Ik zou het niet in mijn hoofd halen ‘berusting’ als onderscheidend kenmerk van Italianen voor te stellen. Tenminste niet vòòr ik Procacci’s boek had gelezen. Ik kijk daar nu iets anders tegen aan. Italië is immers een katholiek land. Vooral in Rome, en daar woon ik, is de religie altijd aanwezig. Aangezien ik niet religieus ben, ervaar ik deze alomtegenwoordigheid anders dan een groot deel van de mensen met wie ik dagelijks omga. Ik weet ook dat berusting – rassegnazione – een sleutelbegrip is in het katholieke geloof.

Ik bedoel maar, ik dacht er iets van begrepen te hebben.

Daisy Miller in het Colosseum

De gedachte aan de smartelijke dood van Daisy Miller heeft mij nooit met rust gelaten. Zij werd geveld door hevige koortsen en stierf binnen twee weken. Zij had malaria opgelopen tijdens een bezoek aan het Colosseum op een door het maanlicht overgoten avond. Ze had zich erg op dit bezoek verheugd. “I was bound to see the Colosseum by moonlight; I shouldn’t have wanted to go home without that.”

Het Colosseum na 1807

De jongedame Daisy Miller is de hoofdpersoon uit de gelijknamige en beroemde novelle (1878) van Henry James. Het verhaal kan zo worden samengevat. De Amerikaanse Daisy Miller maakt met haar verlegen moeder en intelligente maar onuitstaanbare broertje Randolph een reis door Europa. De familie is rijk, maar van onbetekenende burgerlijke afkomst. Zij verblijft eerst in Vevay (Zwitserland), waar Daisy kennis maakt en vriendschap sluit met een landgenoot, de jonge notabele  Winterbourne, en reist dan verder naar Rome om er de wintermaanden door te brengen. Daisy verheugt zich erop deel te nemen aan het ‘society’-leven in de eeuwige stad. Het weinig conventionele gedrag van de jonge en knappe Amerikaanse veroorzaakt echter een schandaal en haar laconieke weigering zich in het gareel te voegen, leidt tot haar isolatie: ze ontvangt geen uitnodigingen meer voor soirees en diners… Het lijkt haar niet te deren. Haar vriendschappelijke relatie met de Italiaan Mr Giovanelli lijdt er niet onder. Integendeel. Gaandeweg bekoelt ook de verhouding met de jonge Winterbourne, die zij volgens afspraak in Rome opnieuw heeft ontmoet. Het bezoek aan het Colosseum, dat de kroon op haar verblijf in Rome moest worden, wordt fataal. Ze loopt er malaria op, sterft nauwelijks twee weken later en wordt begraven op de beroemde Romeinse begraafplaats voor niet-katholieken bij de Piramide.

De novelle heeft bij mij altijd vragen opgeroepen. Hier zij er enkele. Waarom moest Daisy zo meedogenloos gestraft worden voor haar – in die tijd – onconventionele, maar onschuldige gedrag? En waarom heeft James het Colosseum in de novelle als locatie gebruikt? En hoe zat het nu precies met de ziekte die Daisy daar opliep?

In dit stukje ga ik alleen in op deze laatste kwestie. Een paar dagen geleden kreeg ik de literaire antologie van Patrick Lateur weer onder ogen (P. Lateur, Alle schrijvers leiden naar Rome, 22000, p. 69-72 – zie afbeelding). Hij citeert de beroemde Colosseum-scène. Lateur schrijft ter toelichting: “Haar tragische einde, ten gevolge van de Romeinse koorts die zij opliep tijdens een afspraak met Giovanelli in het vochtige Colosseum, vormt ook het slot van een beklemmende novelle.” (Idem, p. 69) Het gaat mij in deze zin om twee punten: “Romeinse koorts” en “het vochtige Colosseum”. Wij kunnen geen van beide elementen nog aantreffen in het hedendaagse Rome. Het Colosseum is nu alleen nog maar vochtig als het regent. Anders is er in de wijde omtrek geen druppel water aan te treffen, behalve de peperdure plastic flesjes met een half litertje mineraalwater. En onder Romeinse koorts kan men allerlei verstaan, maar zeker niet de ziekte malaria.

Laten we eens zien wat er aan de hand is. In het Italiaans sprak men van “paludismo” of “febbre romana”. De eerste term duidde op het geloof dat de sinds mensenheugenis bekende ziekte werd veroorzaakt door de moerassige (moeras = palude) omgeving. De tweede term impliceert dat de ziekte al in het Romeinse Rijk werd aangetroffen. Ze werd overigens met succes werd bestreden met een politiek van droogleggingen. Met het verval van het Romeinse Rijk viel ook dit beleid weg, en dat gaf in de eeuwen daarna ruim baan aan de ziekte. Aan het begin van de negentiende eeuw bij voorbeeld, eiste zij om en nabij 15.000 slachtoffers per jaar. Pas in 1898 werd door Giovan Battista Grassi het verband gelegd tussen de vele slachtoffers van de malaria en de muggen die frequent voorkwamen in de moerrassige gebieden van de campagna romana, de uitgestrekte landelijke gebieden rond Rome.

De besmetting ging zo in zijn werk: een mug (femmina) wordt besmet door bloed in te nemen van een mens die malaria heeft. De mug wordt op haar beurt een draagster van malaria en besmet vervolgens een ander mens door hem of haar te steken.

Nu we over deze kennis beschikken, kunnen we beter begrijpen wat er tijdens Daisy’s bezoek aan het Colosseum moet zijn gebeurd. Zij werd gestoken door een mug die drager (besmet) was van de ziekte. In de novelle wordt over muggen (en dat spreekt vanzelf) niet gerept. Wèl over de Romeinse koorts. Daisy zegt immers op een wat eigenaardige toon tegen Winterbourne: “I don’t care whether I have Roman fever or not.” Men wist in de tijd van James nog niets van muggen als dragers van malaria. De slechte lucht – letterlijk: “mal aria” in het Italiaans – werd als oorzaak van de ziekte beschouwd. Het causale verband tussen mug–malaria werd, zoals we hierboven zagen, pas in 1898 door Grassi gelegd. Dit is een belangrijk element, omdat de hedendaagse lezer er een mysterieus tintje mee krijgt aangereikt. Voor ons is het causale verband zo vanzelfsprekend dat we er niet bij stil staan.

Ook de vochtige lucht kan betrekkelijk eenvoudig worden verklaard. Het Colosseum werd immers gebouwd in het dal tussen de heuvels Velia, Palatijn, Caelius en Oppius op de plaats waar eens het meer lag waaromheen Nero in de tweede helft van de eerste eeuw zijn Gouden Huis had laten bouwen. In dit notoir laag gelegen gebied kon het ook in de 19e eeuw nog bijzonder vochtig zijn, met name in het najaar en in de winters waarin de temperaturen zelden onder het vriespunt daalden. Men kon het Colosseum in de 19e eeuw vrij in en uit lopen.

In 1807 was de restauratie van Raffaele Stern klaar en kon men het gebouw opnieuw veilig betreden. Met het aanbrengen van de steunberen was tenminste het verval van het antieke gebouw tot staan gebracht. Het had immers zeer geleden onder de aardbeving van 1806, om van de eeuwenlange plundering van het marmer en bouwsteen maar te zwijgen.  Men kon opnieuw genieten van het ook toen al zeer beroemde ‘fragment der oudheid’, zoals het Colosseum ook wel werd genoemd. Maar met de vochtige lucht in het najaar was het voorlopig nog oppassen. Dat heeft Henry James goed gezien; voor de mooie en onschuldige Daisy was het echter te laat. Ze zou nooit meer naar huis gaan.

Engelse editie van de novelle in: Henry James, The Turn of the Screw & Daisy Miller, New York: Laurel, 221970, pp.127-191. Er is ook een lemma in de Wikipedia.

De Joodse moestuin op de Aventijn

De weinige keren dat ik de Gemeentelijke rozentuin op de Aventijn heb bezocht, was mij niets bijzonders opgevallen; behalve de plaats. Elk jaar wordt in mei in deze schitterend gelegen tuin de best bevonden nieuwe roos bekroond. De internationale wedstrijd “Premio Roma”, is dit jaar (2010) aan de 68e editie gekomen. Van de 89 ingezonden nieuwe rozen werd de gele roos van de Japanse kweker Keisei gelauwerd. Wie van plan is Rome in het voorjaar het voorjaar te bezoeken, in de maanden april-mei, moet deze rozentuin (roseto) beslist niet overslaan.

Gemeentelijke Rozentuin

Maar aangezien de woorden ‘Joodse moestuin’ in de titel van dit stukje voorkomen, zal ik u niet langer afleiden, want ik wilde het hebben over één van de twee voormalige Joodse begraafplaatsen in Rome. De eerste bevond zich buiten de Porta Portese. Het was de oudste begraafplaats. Maar het gaat mij hier om de tweede, die daarna kwam omdat uitbreiding noodzakelijk werd. Dit Joodse kerkhof werd in het jaar 1645 op de Aventijn aangelegd. Het terrein werd met pauselijke dispensatie aangekocht door de Joodse “Compagnia della Carità e della Morte”; volgens de koopakte van 14 september 1645 bedroeg de koopsom 4100 scudi.

Een opmerkelijk detail wil ik niet achterwege laten: in de christelijke volksmond werd de begraafplaats ook wel “ortaccio” genoemd. “Orto” is het Italiaanse woord voor een afgebakend stukje grond waarop groente wordt verbouwd, een moestuin; de pejorative vorm ‘ortaccio’ staat voor iets als ‘rotte moestuin’. Met hetzelfde doel werd de term “serraglio” gebruikt, in de betekenis van een omheinde ruimte waarin beesten bijeen gedreven waren, die door het publiek bekeken konden worden.

De begraafplaats op de Aventijn werd in de loop van de 18e eeuw (in 1728 en 1775) uitgebreid met aanliggende terreinen. Maar in 1934 werden de stoffelijke resten en de grafzerken overgebracht naar de begraafplaats Verano, een flink deel van de graven werd geruimd. Hoewel de begraafplaats sinds 1645 heeft heeft gefunktioneerd, waren er na deze bijna 300 jaar maar weinig zerken te verhuizen. De reden daarvoor is eenvoudig te achterhalen: het pauselijk verbod uit 1625 om Joodse graven van uiterlijke kenmerken te voorzien werd pas in 1846 afgeschaft.

En zo komen we dan in de twintigste eeuw. De begraafplaats op de Aventijn diende plaats te maken voor de weg die – nu nog – langs het Circus Maximus loopt. Het terrein moest daarom in 1934 aan de Gemeente Rome worden verkocht. In die tijd was Mussolini aan het bewind. De hoogtijdagen van fascistische regiem. De rassenwetten zouden pas enkele jaren later (1938) afgekondigd worden. In de bronnen die ik ken, wordt geen direct verband gelegd tussen de verplaatsing van de graven en het fascisme. De operatie had kennelijk geen andere dan urbanistische motieven.

Gedurende de oorlog werd het terrein werkelijk gebruikt als moestuin; na de oorlog lag het enkele jaren braak; in 1950 kwam de Gemeente Rome met het plan er een rozentuin aan te leggen. De in 1931 op de Oppius gestichtte rozentuin was namelijk in de oorlog verwoest. Nu kwam men met het voorstel het terrein nabij het Circus Maximus voor dat doel te bestemmen. De Romeinse Joodse Gemeenschap ging accoord.

Volgens Attilio Milano, aan wiens boek Il Ghetto di Roma (21988, pp. 259-267.) ik enkele van de bovenstaande notities ontleen, werd degene die tot 1934 in de gelegenheid was deze Joodse laatste rustplaats te bezoeken, “deelgenoot van de weldadige rust die heerste op deze plaats, die was  omringd door schilderachtige cipressen en vanwaar men een koninklijk uitzicht had op de Palatijn en op de Caelius”. (p. 267)

De hedendaagse bezoeker wordt aan de oorspronkelijke bestemming herinnerd door de vorm die de tuin heeft gekregen: de paden waartussen de rozenperken zijn gesitueerd, volgen het patroon van de armen van de Joodse Menoràh. Iets kan men ervan zien op bijgaande foto, maar via Google Maps kunt u een betere indruk krijgen. Tikt u het volgende adres maar in: “via di valle murcia roma”, klik een aantal malen op + om het beeld te vergroten en u ziet de middenschacht en de zesarmige vorm vanzelf verschijnen.