Wat is een nationalistische liberaal? Een voorbeeld uit 1873

Toen in 1870 de Kerkelijke Staat ten val was gebracht, werd Italië een parlementaire monarchie met regeringen van liberale snit. In 1870 werd ook het getto afgeschaft. De Italiaanse Joden verworven gelijke burgerrechten. Daarom hebben zij altijd een bijzonder grote liefde voor de Italiaanse Staat ten toon gespreid, zo toegewijd dat zij soms uitliep op devotie. Niettemin werd er door sommigen aan hun loyaliteit versus de staat ernstig getwijfeld. Een berucht geval dateert uit 1873: ‘de zaak Pasqualigo’. Deze parlementarier uit Vicenza schreef koning Vittorio Emanuele II een brief waarin hij Zijne Hoogheid vroeg de leiding van het Ministerie van Financiën niet toe te vertrouwen aan de Venetiaanse jood Isaak Pesaro Maurogonato (1817-1892). Een spraakmakend geval. Nota bene slechts drie jaar na de eenwording van Italië en de toekenning van de volledige burgerrechten aan al haar inwoners.

Isaak Pesaro Maurogonato

Wat bracht Pasqualigo tot zijn actie tegen Maurogonato? Hij vond dat een jood, ook al was die in het bezit van de Italiaanse nationaliteit, maar die zijn jood-zijn niet had genegeerd, nooit volledig kon toebehoren aan het jonge verenigde vaderland. Hij richtte zich tot de Italiaanse joden met deze worden: “Jullie zijn nog niet op natuurlijke wijze opgegaan in de Italiaanse natie; het is juist, dat jullie volgens de wet staatsburgers zijn, maar feitelijk zijn jullie geen Italianen; wanneer jullie het geworden zijn, wanneer jullie je het jodendom vaarwel hebt gezegd, zal ik mijn mening bijstellen.” Met andere woorden: volgens Pasqualigo was Maurogonato was een Israeliet en dus een vreemdeling. En een vreemdeling kun je natuurlijk geen minister maken.

De kwestie was in de publiciteit overigens geen lang leven beschoren; wellicht omdat de kandidaat Minister voor het aanbod van de koning bedankte. Maurogonato werd in 1890, twee jaar voor zijn dood, nog Senator. Al met al  een opmerkelijk geschiedenis. De parlementarier Francesco Pasqualigo was namelijk een liberaal en een overtuigde anti-clerikaal. Hij had bovendien eervol meegevochten in de strijd tegen de Pauselijke Staat voor de eenwording van Italië. Pasqualigo was geen religieuze antisemiet. Mijn these is dat hij een vroege vertegenwoordiger was van een antisemitisme, in sterke opkomst in de laatste decennia van de 19e eeuw, dat de jood aanwees als een op geld belust personage, te identificeren met kapitalisten en bankiers, vrijmetselaars, en de ontwerpers van een internationaal complot om de wereld te beheersen.

Ik moest aan het verhaal van Pasqualigo denken toen ik vernam dat de parlementarier Geert Wilders de dubbele nationaliteit aanvocht van een Nederlandse staatssecretaris in de regering Rutte. Al eerder had Wilders scherp geageerd tegen de Marokkaanse en Turkse paspoorten in bezit van twee andere Nederlandse staatsburgers en politici.

Pasqualigo en Wilders hebben gemeen dat beide politici zich laten voorstaan op een liberale overtuiging. Nu waren liberale denkbeelden in 1873 zeker anders van inhoud dan die uitgedragen worden door de PVV aan het begin van de 21ste eeuw. Toch is er dunkt mij ook een overeenkomst: beide politici handelen uit nationalistische motieven. Hun nationalisme bewerkt maatschappelijke uitsluiting van bepaalde groepen. Het gebruikte mechanisme lijkt me het volgende. De politieke argumentatie wordt primair op het individu gericht, maar beoogt in werkelijkheid de groep waarvan dit individu deel uitmaakt te treffen en om daarmee maatschappelijke segregatie te bewerkstellingen.

Is een politicus, die zich uitgeeft voor vrijheidsgezind (liberaal), maar anderen, die net als hij volwaardige staatsburgers zijn, in een nationalistisch keurslijf wil dwingen, betrouwbaar? Kan een liberale politiek verdeling en uitsluiting, in plaats van dialoog en maatschappelijke cohesie betekenen?

Etty Hillesum in Italië. Vijfentwintig jaar Het verstoorde leven in het Italiaans

In oktober 1985 werd de Italiaanse vertaling van Het verstoorde leven gepubliceerd door de uitgeverij Adelphi in Milaan. Dat was een heuglijk feit. Het boek is in de loop der jaren regelmatig herdrukt. Het heeft de status van longseller verworven. Een maand of wat geleden heb ik een exemplaar van de dertiende (juni 2008) druk gekocht. Dertien herdrukken in een kwart eeuw betekent dat men kan spreken van een succes. De receptie van de Hillesum teksten bevestigt dit: het aantal artikelen, monografieën en doctoraalscripties, verder toneeluitvoeringen en documentaires gewijd aan Hillesum, ligt – naar ik kan inschatten – tussen de drie- en vierhonderd.

Niettemin valt er op de vreugde wel wat af te dingen. Er zitten aan deze geschiedenis nogal wat vervelende kanten. Laten we eens kijken wat er aan de hand is.

De derde druk van de eerste editie.

1. De vertaling van het dagboek

De dertien drukken van de Italiaanse vertaling, getiteld Etty Hillesum. Diario 1941-1943, zijn de ongewijzigde herdrukken van de editie van Het verstoorde leven. Het dagboek van Etty Hillesum, uit 1981. En hier ligt de kern van het probleem. Dat er met die uitgave iets mis was, werd in 1986 al snel duidelijk, toen de zeer verzorgde wetenschappelijke editie Etty. De nagelaten geschriften van Etty Hillesum verscheen. De uitgever Jan Geurt Gaarlandt heeft vrij vlot daarna een herziene editie gemaakt van zijn bijzonder succesvolle selectie dagboekaantekeningen, want dat is het Het verstoorde leven immers: een op grond van persoonlijke voorkeuren – die van Gaarlandt – samengestelde antologie.

In Italië is het nooit tot een herziene druk gekomen. Men was in Milaan wel op de hoogte van het verschijnen van de Nagelaten Geschriften, want voor de Italiaanse uitgave van een editie van 47 brieven van Etty Hillesum heeft vertaalster Chiara Passanti – volgens het colofon – gebruik gemaakt van de wetenschappelijke editie van 1986.

Maar er zit nog een opmerkelijke kant aan deze kwestie. In de eerste helft van de jaren negentig viel het mij ineens op dat het boek Het verstoorde leven aanzienlijk omvangrijker was dan de Italiaanse editie. Er zijn grote verschillen in zetwerk en lettergrote. Bij nader toezien bleek dat er ruim vierhonderd regels druks waren geschrapt, minstens 15 pagina’s. Het betreft tekstdelen uit het eerste cahier die allen betrekking hebben op Julius Spier. In die tijd sprak ik hierover met de vertaalster Chiara Passanti, die mij liet weten dat zij de volledige tekst van Het verstoorde leven had vertaald en ingeleverd. Zij vertelde ook dat de toenmalige redacteur de informatie over Spier niet relevant vond voor de Italiaanse lezers. Dat Julius Spier zo’n slechte reputatie heeft onder Italiaanse Hillesum lezers wordt tenminste voor een deel door dit opmerkelijke redactionele ingrijpen verklaard. Een interessant thema voor receptie-onderzoek?

Omslag van de 13e druk.

De Italiaanse lezers moeten het nu al een kwart eeuw stellen met een wat men in jargon noemt een ‘corrupte’ en derhalve weinig betrouwbare uitgave. Want niet alleen werd er in geschrapt, de basistekst voor de vertaling deugde niet vanwege onnauwkeurige transcriptie en sterk eenzijdige selectie.

Wat zijn nu de redenen waarom de huidige situatie als zeer ongelukkig moet worden beschouwd? In de eerste plaats blijkt in de praktijk dat de partiële en onbetrouwbare tekst aanleiding geeft tot het trekken van ongefundeerde conclusies. Bijvoorbeeld de opvatting dat Etty Hillesum ‘zingend’ richting Auschwitz zou zijn vertrokken, anders gezegd: in blijde stemming voor de dood zou hebben gekozen. Dit ‘martelaarsschap’ wordt in zekere gelovige kringen zeer hoog aangeslagen. En het grote succes van Hillesums dagboek bij rooms-katholieke lezers wordt daarmee deels verklaard. De in het dagboek gelezen (bijna) bekering tot het christelijke – en in Italië is dat het rooms-katholieke – geloof is een tweede element van deze verklaring.

Een tweede reden betreft de academische receptie. Er zijn in de loop der jaren tientallen doctoraalscripties over Hillesum geschreven en een groot aantal daarvan heb ik kunnen lezen. De constatering is, dat het overgrote deel van deze scripties op de vertaalde dagboekteksten (dus die van 1985) is gebaseerd. Natuurlijk ligt de primaire verantwoordelijkheid voor deze omstandigheid bij de academische wereld zelf. Het is waar dat het Nederlands weinig courant is in Italië, maar ook van de edities in andere talen (Engels en Frans) vindt men nauwelijks sporen. Om maar niet te spreken van de secundaire literatuur. Voor een vruchtbare Etty Hillesum receptie en interpretatie, die juist in de context van een andere cultuur zo interessant zou kunnen zijn, is dit niet bevorderlijk.

Er is nog een aspect waarop ik zou willen wijzen, namelijk de receptie die zijn uitdrukkingsvormen vindt in toneel of documentaire. Begin juni zag ik een fascinerende toneelvoorstelling in Cagliari op Sardinië. De hoge kwaliteit van het spel, het decor en de regie overtrof alles wat ik tot dan toe had gezien, zes of zeven stukken. De tekst was zeer efficiënt geschreven en er werd knap gespeeld. Vijfenvijftig minuten adembenemend toneel. Toch verliet ik met een vervelend gevoel het Teatro Civico van Cagliari. Het was weer hetzelfde thema dat domineerde: Etty Hillesum ging opgewekt en beslist Auschwitz tegemoet. Door mij zo onbevangen mogelijk aan de voorstelling over te geven – mijn eigen Hillesum beeld met opzet op de achtergrond dringende – heb ik van de schoonheid van deze voorstelling kunnen genieten.

2. De vertaling van de brieven

Hierover kunnen we kort zijn. De Italiaanse titel van deze verzameling brieven luidt: Etty Hillesum. Lettere 1942-1943. De uitgave die eraan ten grondslag heeft gelegen was: Brieven 1942-1943. Maar een belangrijk verschil met de vertaling van de selectie dagboekaantekeningen is dat Chiara Passanti de wetenschappelijke editie bij haar werk heeft betrokken. Zij heeft zelfs een aantal van de annotaties overgenomen.

Tot slot nog het volgende. Op 1 december 2013 komen de rechten op de door Etty Hillesum nagelaten geschriften vrij. Wij weten maar al te goed dat hoe lastig het is Hillesums dagboeken zonder uitgebreide annotaties goed te begrijpen. De vraag is wat er na die datum in Italië gaat gebeuren. Het risiko bestaat dat ‘wilde’ vertalingen op de markt komen, die de toets der kritiek niet kunnen doorstaan. Daarom is onze hoop gevestigd op de inspanningen van Adelphi om vòòr de datum een Italiaanse editie van de nagelaten geschriften op de markt te brengen, zulks in navolging van de Engelse en de Franse edities. Dat zal in elk geval de wildgroei aanzienlijk beperken en de Etty Hillesum studies in Italië een nieuwe impuls geven, naar ik hoop met meer genuanceerde resultaten.

De Umbrische boer van Hella Haasse (of: Berusting 2)

Hella Haasse heeft in haar lange leven diverse boeken over Italië geschreven. Velen hebben gehoord van haar De tuinen van Bomarzo, maar minder bekend zijn de reisverhalen die zij in 1953 bundelde en de titel Klein reismozaïek meegaf. Zij trok in het jaar daarvoor – 1952 – door Italië. Het is mij niet duidelijk op welke manier zij reisde, waarschijnlijk per trein en per locaal vervoer. Het is echter niet uitgesloten dat zij in gezelschap per auto door het land reisde. In de bundel komt namelijk een stukje voor waarin zij verslag doet van wat zij in het landelijke Umbrië heeft waargenomen, namelijk een boer die zijn hooi langs een vrij steile weide naar boven sleept naar het erf van zijn boerderij die boven op de heuvel ligt. Zij kan dat echter onmogelijk vanuit het raam van een treincoupé hebben gezien, of vanuit een autobus.

Wat Haasse zegt over het beeld dat haar zal bijblijven, zou ook kunnen gelden voor de lezers van dit prachtige fragment. Ik vat het fragment zo samen:

Terwijl de blik van de schrijfster over het glooiende Umbrische landschap dwaalt, wordt haar aandacht getrokken door een “wandelende hooischelf” die naar boven beweegt. Onder de schelf ontwaart zij een boer die met het hooi op zijn schouders naar boven probeert te komen. Na diverse  pogingen, met veel vallen en opstaan, lukt het hem tenslotte met een uiterste krachtsinpanning de vracht op het erf van zijn boerderij te krijgen. Dan daalt hij opnieuw af om een andere schelf naar boven te sjouwen.

Haasse concludeert: “Wil de boer zijn hooi boven hebben, dan moet hij het zelf halen, stap voor stap, een martelgang van vallen en opstaan. Hij doet het, geduldig en volhardend, met de kalmte van een mens die deze inspanning als iets van zelfsprekends heeft aanvaard.” (Geciteerd in Het Italie-gevoel, 112)

Het is de laatste zin die mij interesseert. Haasse onthult hierin een aspect van de Italiaanse identiteit, namelijk de berustende volharding waarmee de taken worden volbracht die de continuïteit van het bestaan waarborgen. In weerwil van alle moeilijkheden die deze samenleving voor ons in petto heeft! In dit concrete geval, betreft een boer en diens zorg voor het hooi, het voedsel voor zijn beesten in de wintermaanden: het kan in de hogergelegen gebieden van Umbria gemeen koud zijn.

Het zijn belangrijke woorden in het Italiaans: geduld [pazienza], volharding [perseveranza], aanvaarding [accettazione]. Het zijn de woorden die stuk voor stuk tot de woordfamilie van ‘berusting’ behoren.

Het devies van Haasse – schrijven is waarnemen en denken – komt hier op een mooie manier tot uitdrukking. Schrijven is het resultaat van waarnemen en denken. Deze handelingen behoeven niet noodzakelijk in een zeer korte tijdspanne worden voltrokken. Integendeel. De werkwijze van Haasse was anders: op de reis waarnemen, aantekeningen maken en tenslotte thuis, aan de grote tafel in haar huiskamer, kwam het tot schrijven. Dat verklaart ook het literaire karakter van deze reisverhalen. En het verklaart tevens de aanwezigheid van de diepere gedachte die vervat ligt in de door mij geciteerde zin, die duidt op een kennis van zaken die werd gevoed door meer waarnemingen dan alleen deze lijdende Umbrische boer.

Berusting 1

Ik keek er nogal van op toen ik las dat een wezenlijk element van de identiteit van het Italiaanse volk ‘berusting’ is. Verbaasd was ik ook al omdat het niet een journalistieke losse flodder was, maar de bewering van een gerenommeerd historicus: Giuliano Procacci. De these treft u aan in de inleiding op zijn “Geschiedenis van de Italianen”, dat begin jaren zestig voor het eerst verscheen in het Frans bij uitgeverij Fayard. De eerste Italiaanse editie is van 1968, dus zeker niet het resultaat van recent historisch onderzoek. Als u wilt kunt u ook de Engelse vertaling lezen: History of the Italian People, eerste editie 1973. Vele herdrukken.

Het boek werd geschreven voor een niet-Italiaans publiek zoals de auteur in het voorwoord aangeeft. Het is excuus voor de uitleg van zaken die voor een Italiaanse lezer vanzelfsprekend zouden zijn. Bij voorbeeld zijn opmerkingen over Manzoni. Maar wellicht gaat hierachter ook de reden schuil waarom de auteur in de Inleiding het punt van de identiteit te berde brengt.

Ik wil op dit aspect van Procacci’s nuttige boek – nuttig voor wie meer over dit land wil weten – nader ingaan. Procacci koppelt aan het begrip ‘berusting’ namelijk een andere term, namelijk continuïteit. En dat is een sleutelbegrip in de geschiedenis. Welnu, volgens de auteur is berusting een karakteristiek van toepassing op het Italiaanse volk in de tijdspanne van bijna duizend jaar geschiedenis die hij beschrijft: van het jaar 1000 tot en met de Tweede Wereldoorlog. In de latere edities van het boek heeft hij een nawoord toegevoegd waarin hij de naoorlogse jaren behandelt, maar dit terzijde.

Natuurlijk kwalificeert Procacci de term. Hij geeft eerst enkele negatieve afbakeningen: het gaat niet om wanhoop noch om passiviteit. Bij berusting in zijn Italiaanse vorm moeten we denken aan “het bewustzijn dat het leven in ieder geval wordt geaccepteerd en doorgezet en dat er momenten en gelegenheden zijn waarop het nodig is een beroep te doen op de eigen reserves opdat de voortgang van het bestaan niet in gevaar komt” (p. xv).

Een tweede opmerking van Procacci waarmee hij zijn bewering voor zijn lezers probeert helder te maken is de bekende uitspraak van Tancredi, de zoon van de zuster van Prins Salina uit de beroemde roman Il Gattopardo van Tomasi di Lampedusa: “Als we willen dat alles bij het oude blijft, is het nodig dat alles verandert” [“Se vogliamo che tutto rimanga come è, bisogna che tutto cambi.”, Feltrinelli, Milano 2002, p. 50.]

U begrijpt al waar ik heen wil met dit stukje. Ik zou het niet in mijn hoofd halen ‘berusting’ als onderscheidend kenmerk van Italianen voor te stellen. Tenminste niet vòòr ik Procacci’s boek had gelezen. Ik kijk daar nu iets anders tegen aan. Italië is immers een katholiek land. Vooral in Rome, en daar woon ik, is de religie altijd aanwezig. Aangezien ik niet religieus ben, ervaar ik deze alomtegenwoordigheid anders dan een groot deel van de mensen met wie ik dagelijks omga. Ik weet ook dat berusting – rassegnazione – een sleutelbegrip is in het katholieke geloof.

Ik bedoel maar, ik dacht er iets van begrepen te hebben.

Daisy Miller in het Colosseum

De gedachte aan de smartelijke dood van Daisy Miller heeft mij nooit met rust gelaten. Zij werd geveld door hevige koortsen en stierf binnen twee weken. Zij had malaria opgelopen tijdens een bezoek aan het Colosseum op een door het maanlicht overgoten avond. Ze had zich erg op dit bezoek verheugd. “I was bound to see the Colosseum by moonlight; I shouldn’t have wanted to go home without that.”

Het Colosseum na 1807

De jongedame Daisy Miller is de hoofdpersoon uit de gelijknamige en beroemde novelle (1878) van Henry James. Het verhaal kan zo worden samengevat. De Amerikaanse Daisy Miller maakt met haar verlegen moeder en intelligente maar onuitstaanbare broertje Randolph een reis door Europa. De familie is rijk, maar van onbetekenende burgerlijke afkomst. Zij verblijft eerst in Vevay (Zwitserland), waar Daisy kennis maakt en vriendschap sluit met een landgenoot, de jonge notabele  Winterbourne, en reist dan verder naar Rome om er de wintermaanden door te brengen. Daisy verheugt zich erop deel te nemen aan het ‘society’-leven in de eeuwige stad. Het weinig conventionele gedrag van de jonge en knappe Amerikaanse veroorzaakt echter een schandaal en haar laconieke weigering zich in het gareel te voegen, leidt tot haar isolatie: ze ontvangt geen uitnodigingen meer voor soirees en diners… Het lijkt haar niet te deren. Haar vriendschappelijke relatie met de Italiaan Mr Giovanelli lijdt er niet onder. Integendeel. Gaandeweg bekoelt ook de verhouding met de jonge Winterbourne, die zij volgens afspraak in Rome opnieuw heeft ontmoet. Het bezoek aan het Colosseum, dat de kroon op haar verblijf in Rome moest worden, wordt fataal. Ze loopt er malaria op, sterft nauwelijks twee weken later en wordt begraven op de beroemde Romeinse begraafplaats voor niet-katholieken bij de Piramide.

De novelle heeft bij mij altijd vragen opgeroepen. Hier zij er enkele. Waarom moest Daisy zo meedogenloos gestraft worden voor haar – in die tijd – onconventionele, maar onschuldige gedrag? En waarom heeft James het Colosseum in de novelle als locatie gebruikt? En hoe zat het nu precies met de ziekte die Daisy daar opliep?

In dit stukje ga ik alleen in op deze laatste kwestie. Een paar dagen geleden kreeg ik de literaire antologie van Patrick Lateur weer onder ogen (P. Lateur, Alle schrijvers leiden naar Rome, 22000, p. 69-72 – zie afbeelding). Hij citeert de beroemde Colosseum-scène. Lateur schrijft ter toelichting: “Haar tragische einde, ten gevolge van de Romeinse koorts die zij opliep tijdens een afspraak met Giovanelli in het vochtige Colosseum, vormt ook het slot van een beklemmende novelle.” (Idem, p. 69) Het gaat mij in deze zin om twee punten: “Romeinse koorts” en “het vochtige Colosseum”. Wij kunnen geen van beide elementen nog aantreffen in het hedendaagse Rome. Het Colosseum is nu alleen nog maar vochtig als het regent. Anders is er in de wijde omtrek geen druppel water aan te treffen, behalve de peperdure plastic flesjes met een half litertje mineraalwater. En onder Romeinse koorts kan men allerlei verstaan, maar zeker niet de ziekte malaria.

Laten we eens zien wat er aan de hand is. In het Italiaans sprak men van “paludismo” of “febbre romana”. De eerste term duidde op het geloof dat de sinds mensenheugenis bekende ziekte werd veroorzaakt door de moerassige (moeras = palude) omgeving. De tweede term impliceert dat de ziekte al in het Romeinse Rijk werd aangetroffen. Ze werd overigens met succes werd bestreden met een politiek van droogleggingen. Met het verval van het Romeinse Rijk viel ook dit beleid weg, en dat gaf in de eeuwen daarna ruim baan aan de ziekte. Aan het begin van de negentiende eeuw bij voorbeeld, eiste zij om en nabij 15.000 slachtoffers per jaar. Pas in 1898 werd door Giovan Battista Grassi het verband gelegd tussen de vele slachtoffers van de malaria en de muggen die frequent voorkwamen in de moerrassige gebieden van de campagna romana, de uitgestrekte landelijke gebieden rond Rome.

De besmetting ging zo in zijn werk: een mug (femmina) wordt besmet door bloed in te nemen van een mens die malaria heeft. De mug wordt op haar beurt een draagster van malaria en besmet vervolgens een ander mens door hem of haar te steken.

Nu we over deze kennis beschikken, kunnen we beter begrijpen wat er tijdens Daisy’s bezoek aan het Colosseum moet zijn gebeurd. Zij werd gestoken door een mug die drager (besmet) was van de ziekte. In de novelle wordt over muggen (en dat spreekt vanzelf) niet gerept. Wèl over de Romeinse koorts. Daisy zegt immers op een wat eigenaardige toon tegen Winterbourne: “I don’t care whether I have Roman fever or not.” Men wist in de tijd van James nog niets van muggen als dragers van malaria. De slechte lucht – letterlijk: “mal aria” in het Italiaans – werd als oorzaak van de ziekte beschouwd. Het causale verband tussen mug–malaria werd, zoals we hierboven zagen, pas in 1898 door Grassi gelegd. Dit is een belangrijk element, omdat de hedendaagse lezer er een mysterieus tintje mee krijgt aangereikt. Voor ons is het causale verband zo vanzelfsprekend dat we er niet bij stil staan.

Ook de vochtige lucht kan betrekkelijk eenvoudig worden verklaard. Het Colosseum werd immers gebouwd in het dal tussen de heuvels Velia, Palatijn, Caelius en Oppius op de plaats waar eens het meer lag waaromheen Nero in de tweede helft van de eerste eeuw zijn Gouden Huis had laten bouwen. In dit notoir laag gelegen gebied kon het ook in de 19e eeuw nog bijzonder vochtig zijn, met name in het najaar en in de winters waarin de temperaturen zelden onder het vriespunt daalden. Men kon het Colosseum in de 19e eeuw vrij in en uit lopen.

In 1807 was de restauratie van Raffaele Stern klaar en kon men het gebouw opnieuw veilig betreden. Met het aanbrengen van de steunberen was tenminste het verval van het antieke gebouw tot staan gebracht. Het had immers zeer geleden onder de aardbeving van 1806, om van de eeuwenlange plundering van het marmer en bouwsteen maar te zwijgen.  Men kon opnieuw genieten van het ook toen al zeer beroemde ‘fragment der oudheid’, zoals het Colosseum ook wel werd genoemd. Maar met de vochtige lucht in het najaar was het voorlopig nog oppassen. Dat heeft Henry James goed gezien; voor de mooie en onschuldige Daisy was het echter te laat. Ze zou nooit meer naar huis gaan.

Engelse editie van de novelle in: Henry James, The Turn of the Screw & Daisy Miller, New York: Laurel, 221970, pp.127-191. Er is ook een lemma in de Wikipedia.

De Joodse moestuin op de Aventijn

De weinige keren dat ik de Gemeentelijke rozentuin op de Aventijn heb bezocht, was mij niets bijzonders opgevallen; behalve de plaats. Elk jaar wordt in mei in deze schitterend gelegen tuin de best bevonden nieuwe roos bekroond. De internationale wedstrijd “Premio Roma”, is dit jaar (2010) aan de 68e editie gekomen. Van de 89 ingezonden nieuwe rozen werd de gele roos van de Japanse kweker Keisei gelauwerd. Wie van plan is Rome in het voorjaar het voorjaar te bezoeken, in de maanden april-mei, moet deze rozentuin (roseto) beslist niet overslaan.

Gemeentelijke Rozentuin

Maar aangezien de woorden ‘Joodse moestuin’ in de titel van dit stukje voorkomen, zal ik u niet langer afleiden, want ik wilde het hebben over één van de twee voormalige Joodse begraafplaatsen in Rome. De eerste bevond zich buiten de Porta Portese. Het was de oudste begraafplaats. Maar het gaat mij hier om de tweede, die daarna kwam omdat uitbreiding noodzakelijk werd. Dit Joodse kerkhof werd in het jaar 1645 op de Aventijn aangelegd. Het terrein werd met pauselijke dispensatie aangekocht door de Joodse “Compagnia della Carità e della Morte”; volgens de koopakte van 14 september 1645 bedroeg de koopsom 4100 scudi.

Een opmerkelijk detail wil ik niet achterwege laten: in de christelijke volksmond werd de begraafplaats ook wel “ortaccio” genoemd. “Orto” is het Italiaanse woord voor een afgebakend stukje grond waarop groente wordt verbouwd, een moestuin; de pejorative vorm ‘ortaccio’ staat voor iets als ‘rotte moestuin’. Met hetzelfde doel werd de term “serraglio” gebruikt, in de betekenis van een omheinde ruimte waarin beesten bijeen gedreven waren, die door het publiek bekeken konden worden.

De begraafplaats op de Aventijn werd in de loop van de 18e eeuw (in 1728 en 1775) uitgebreid met aanliggende terreinen. Maar in 1934 werden de stoffelijke resten en de grafzerken overgebracht naar de begraafplaats Verano, een flink deel van de graven werd geruimd. Hoewel de begraafplaats sinds 1645 heeft heeft gefunktioneerd, waren er na deze bijna 300 jaar maar weinig zerken te verhuizen. De reden daarvoor is eenvoudig te achterhalen: het pauselijk verbod uit 1625 om Joodse graven van uiterlijke kenmerken te voorzien werd pas in 1846 afgeschaft.

En zo komen we dan in de twintigste eeuw. De begraafplaats op de Aventijn diende plaats te maken voor de weg die – nu nog – langs het Circus Maximus loopt. Het terrein moest daarom in 1934 aan de Gemeente Rome worden verkocht. In die tijd was Mussolini aan het bewind. De hoogtijdagen van fascistische regiem. De rassenwetten zouden pas enkele jaren later (1938) afgekondigd worden. In de bronnen die ik ken, wordt geen direct verband gelegd tussen de verplaatsing van de graven en het fascisme. De operatie had kennelijk geen andere dan urbanistische motieven.

Gedurende de oorlog werd het terrein werkelijk gebruikt als moestuin; na de oorlog lag het enkele jaren braak; in 1950 kwam de Gemeente Rome met het plan er een rozentuin aan te leggen. De in 1931 op de Oppius gestichtte rozentuin was namelijk in de oorlog verwoest. Nu kwam men met het voorstel het terrein nabij het Circus Maximus voor dat doel te bestemmen. De Romeinse Joodse Gemeenschap ging accoord.

Volgens Attilio Milano, aan wiens boek Il Ghetto di Roma (21988, pp. 259-267.) ik enkele van de bovenstaande notities ontleen, werd degene die tot 1934 in de gelegenheid was deze Joodse laatste rustplaats te bezoeken, “deelgenoot van de weldadige rust die heerste op deze plaats, die was  omringd door schilderachtige cipressen en vanwaar men een koninklijk uitzicht had op de Palatijn en op de Caelius”. (p. 267)

De hedendaagse bezoeker wordt aan de oorspronkelijke bestemming herinnerd door de vorm die de tuin heeft gekregen: de paden waartussen de rozenperken zijn gesitueerd, volgen het patroon van de armen van de Joodse Menoràh. Iets kan men ervan zien op bijgaande foto, maar via Google Maps kunt u een betere indruk krijgen. Tikt u het volgende adres maar in: “via di valle murcia roma”, klik een aantal malen op + om het beeld te vergroten en u ziet de middenschacht en de zesarmige vorm vanzelf verschijnen.