Giorgio Voghera over Palestina: een verhaal

Giorgio Voghera: de aanleiding

Giorgio Voghera Quaderno d'Israele
2e editie 1980

Giorgio Voghera over Palestina: een verhaal. Kortgeleden heb ik een boek ter hand genomen dat ik in 1990 voor het eerst had gelezen. Er was toen een goede  reden om mij in Quaderno d’Israele van Giorgio Voghero te verdiepen, namelijk in verband met het Etty Hillesum Seminar dat ik in 1988 in Rome had georganiseerd. Eén van de Italiaanse deelnemers, de hoogleraar vergelijkende literatuur Fabio Russo, vergeleek enkele thema’s in het werk van deze auteur met thema’s in Hillesums werk. Het was een mooie lezing, maar Voghera’s boek vond ik toen niet bijster interessant.

Ik heb het boek – je zou de titel kunnen vertalen met: Israëlcahier – de afgelopen maand herlezen, dus twintig jaar later. En dat was niet toevallig, aangezien ik naspeuringen doe over de Palestina-reis van Philip Mechanicus, die begin mei 1933 in Triëst op de boot naar het Beloofde Land stapte. In de literatuur dook de naam Voghera op. Zo vond ik opnieuw de weg naar zijn roman uit 1967.

De roman van Voghera

Maar nu over Voghera’s roman. Een roman? Ja en nee. Voghera beschrijft de periode 1938-1947 die hij heeft doorgebracht in Palestina. Hij belandde er dus vijf jaar na Mechanicus, die er overigens slechts drie weken was gebleven. Hij vluchtte kort voor de afkondiging van de antisemitische wetgeving (1938) onder de fascistische dictatuur van Mussolini. Voghero had de bui zien hangen en besloot tijdig zich in te schepen.

Zionisme

Dit bijzondere boek – een soort journaal in de vorm van een roman – zag het licht in 1967. Voghera had zijn tekst in het Hebreeuws geschreven en zelf in het Italiaans vertaald. Daarbij geholpen door zijn vader Guido. De keuze voor de vorm en zijn lange twijfelen voor hij tot publicatie overging, verantwoordt Voghera als volgt. Hij wilde de al wat ouder geworden zionisten niet voor het hoofd stoten, en bovendien wilde hij niet dat iemand zich in zekere romanpersonages zou kunnen of willen herkennen of zou worden herkend. Vandaar dat verwijzingen naar zaken en personen ontbreken.

Naar mijn gevoel valt het met die kritiek op de zionistische beweging erg mee. De auteur getuigt wèl van inzicht als hij duidelijk maakt dat deze faktor niet moet worden onderschat. Nederlanders  weten immers, dat Jacob Israël de Haan, die net als Philip Mechanicus in het Algemeen Handelsblad over Palestina schreef (1919-1924), zijn kritiek op het zionisme met de dood heeft moeten bekopen. Hij werd in 1924 vermoord.

De schrijver Voghera

Voghera beschrijft in eenentwintig hoofdstukken zijn ervaringen in de kibboets. De verteller in deze autobiografische roman is de auteur zelf, en van zijn wereldbeeld maakt hij geen geheim: Jood, socialist, cosmopoliet (immers opgegroeid in Triëst) en niet religieus. Bovendien heeft hij een pessimistische visie op mens en wereld. Zijn reflexies over en zijn beschrijvingen van het leven in de kolonie moeten tegen deze achtergrond worden gelezen. Nog een overweging voor ik het verhaal vertel over de twee personen wier namen in de titel van dit stukje staan. De episode van Esther en Jozua rust op een kernmotief van de Joodse spiritualiteit: de ontembare hang naar de waarheid. Hieraan moet worden toegevoegd het motief ‘interioriteit’ en het voelbaar aanwezige ethische engagement. Gedrieën vormen zij het fundament van het Israëlcahier. (Maar daarop kom ik in de nabije toekomst nog terug.)

Het verhaal

Voghera vertelt over de Turkse verloofden Esther en Jozua in hoofdstuk 18. De twee jonggeliefden  kwamen in de kolonie in afwachting van het gereedkomen van hun huis in Tel-Aviv waar ze na hun huwelijksvoltrekking zouden intrekken. Jozua was vaak afwezig: hij had zaken te regelen in de stad. De wat verlegen en stille Esther bleef in de kolonie waar ze in de keuken was ingedeeld. Een moederlijk type en erg religieus, ze droeg bijvoorbeeld jurken en niet de korte broeken waarin de andere meisjes rondliepen. De stellen die geen eigen tent of kamer hadden gingen ’s avonds op zoek naar een plekje in de tuin; Esther en Jozua bleven praten in een hoek van de eetzaal.

Aan dit prille geluk kwam een einde door de dood van Jozua. De ware toedracht van het ongeluk werd nooit opgehelderd, maar het praatje ging dat hij was omgekomen door de ontploffing van de bom die hij zelf aan het prepareren was. Voghera schrijft dat hij dit gerucht niet geloofwaardig achtte, omdat rechtse elementen uit de socialistische kibboetsen werden geweerd. Hij voegt echter direct een sterk element van twijfel toe als hij schrijft dat de leiding van de kibboets wellicht niet van Jozua’s achtergrond op de hoogte was.

Esther verliet na de tragedie direct de kibboets, maar keerde enkele maanden later terug om zich stabiel in de kolonie te vestigen. Ze leek veranderd, was ondernemend en doortastend geworden. Nieuwe taken nam zij op zich, waaronder de eerste beginselen van de militaire instructie van de meisjes op school. Verder nam zij het het met de Joodse voedselwetten minder nauw; en de attenties van een jongeman in de kolonie wees ze niet af.

Esther over haar Jozua

Toch was ze haar Jozua niet vergeten. Dat bleek uit een gesprek met haar vriendin dat door de verteller ‘ongewild’ werd afgeluisterd. De vriendin beklemtoonde dat ze Jozua moest vergeten en aan haar toekomst denken. Dan vertelt Esther dat zij en Jozua in de drie maanden voor zij in de kolonie kwamen minnaars waren geweest. Zij wilde dat niet, maar werd door haar geliefde op zachte maar besliste wijze overtuigd. Zij voelde dat zij voor hem een offer bracht. Vanuit haar religieuze optiek kwam het haar voor als een Goddelijk straf die haar trof, niet hem.

En ze vertelt verder: in zijn nabijheid verkeren, luisteren naar zijn woorden, ervaren hoe goed hij haar begreep, van zijn attenties genieten, dat alles was van een paradijsachtige heerlijkheid. En hoe scherp wist hij anderen niet te doorgronden, en met welk een oneindige goedheid deed hij dat. Het waren tenslotte deze goedheid en opofferingsgezindheid, die hem noodlottig zijn geworden. Op dit punt aangekomen onderbreekt de verteller zijn verslag. Hij wil de lezer voorbereiden op de laatste zin die Esther haar vriendin ter overweging geeft. Die zin bezorgt hem de koude rillingen. Esther zegt over haar geliefde Jozua:

Het is misschien beter zo, ik bedoel, dat hij dood is. Hij was voor deze wereld veel te goed en zou verschrikkelijk hebben moeten lijden.

Voghera sluit met deze woorden het hoofdstuk af. Aan de lezer het oordeel.

Zie ook de post over Voghera: Een vergeten moralist

Aantekeningen

  • Giorgio Voghera, Quaderno d’Israele, Edizioni Studio Tesi, Pordenone 1986 (11967, 21980).
  • Fabio Russo’s bijdrage heb ik later opgenomen in de bundel L’esperienza dell’Altro. Studi su Etty Hillesum, a cura di Gerrit Van Oord, Apeiron Editori, Sant’Oreste, 1990.
  • De reportages werden gebundeld in Een volk bouwt zijn huis. Palestijnse reisschetsen, uitgegeven door het Algemeen Handelsblad in oktober 1933.
  • Deze feuilletons kunnen worden geraadpleegd op www.dbnl.nl
  • Quaderno, pp. 203-206.

Philip Mechanicus van Triëst naar Palestina

De bootreis in 1933

Per boot reisde Philip Mechanicus van Triëst naar Palestina. Hij zette op 8 mei 1933 voet aan wal in Jaffa. Ongeveer een week eerder vertrok hij uit Triëst en deed op zijn zeereis naar Palestina onder andere Brindisi (Zuid-Italië) en  Larnaka (Cyprus) aan. Hij verbleef drie weken in Palestina en schreef over zijn bevindingen in zijn geliefde Algemeen Handelsblad. En hij kon rekenen op een grote schare lezers, die zijn reportages graag lazen.

Het verkeerde schip

Mechanicus wijdt de eerste twee van wat meer dan 20 reisverslagen zullen worden aan het schip en haar passagiers. Hij opent het eerste artikel met deze  woorden: “Ik ben op weg naar Palestina zit op het verkeerde schip.” Als ervaren journalist kent hij de trucjes om de nieuwsgierigheid van zijn lezers in het vaderland op te wekken. In de eerste alinea verhaalt hij over de aankomst in de Noord-Italiaanse havenstad: hij verwachtte zich in te schepen op de “Adria”, maar het werd een ander schip: de “Italia”. De reden waarom er een groter schip nodig was op deze lijn naar het Nabije Oosten, had volgens Mechanicus te maken met de “golf van antisemitisme, die sedert de revolutie van Hitler door Duitschland slaat en welke ook in andere landen van Europa haar invloed doet gelden”.

In geen van de teksten van of over Mechanicus was ik ooit op andere dan de bovengenoemde gegevens over deze reis gekomen. En in de bundel Palestijnse reisschetsen Een volk bouwt zijn huis staan wel enkele foto’s, maar niet van de Italia. Welnu, de afgelopen weken heb ik wat rondgeneusd in een studie over de lotgevallen van de Italiaanse Palestina pioniers die na de opkomst van het zionisme in Italië besloten naar het Beloofde land te vertrekken. Het boek behandelt de periode 1920-1940. Een deel van hen vertrok vanuit Triëst. Net als Philip Mechanicus. Ik besloot op zoek te gaan naar meer gegevens in Italiaanse bronnen en op het internet. Het eerste resultaat is een aantal gegevens over het stoomschip waarmee hij reisde.

Het schip Italia

Philip Mechanicus van Triëst naar Palestina
De “Italia”

Zijn ‘verkeerde’ schip bevond zich nog niet zolang onder de bijna 50 schepen van de Rederij Lloyd Triestino. De rederij bezat niet alleen een flinke vloot, maar ook een netwerk van ruim honderd agentschappen in de wereld, waaronder ook een in Amsterdam, want daar had Mechanicus geboekt, zoals hij in zijn eerste artikel vermeldt. Hij reisde op een schip dat in 1905 in opdracht van de rederij “La Veloce” was gebouwd door de Scheepswerf Nicolò Odero, beiden gevestigd in Genua. Lloyd Triestino was de zesde en tevens laatste eigenaar, want op 6 juli 1944 werd het door de bommen van een geallieerd vliegtuig in de haven van Triëst tot zinken gebracht. Het schip kwam de klap niet teboven. In 1950 werd zij gesloopt. In haar bijna veertigjarige diensttijd had de Italia alle wereldzeeën bevaren.

Haar naam was voluit te lezen op de voorsteven R.N. Italia: Regia Nave Italia. Het betrof een stoomschip van iets over de vijfduizend ton (5.018) en kon meer passagiers opnemen dan de Adria. De snelheid van de Italia was 13 knopen, wat meer dan 24 km per uur. Maar dat is voorlopig alles aan technische details over de Italia. Lengte. Hoogte. Breedte. Aantal bemanningsleden. Capaciteit passagiers. Geen informatie. Overigens, wat betreft de capaciteit: in elk geval meer dan 300, dat blijkt uit de opmerkingen van Mechanicus. Wat ik wel heb gevonden zijn drie foto’s van de Italia. De beste neem ik hierbij op. De afbeeldingen zijn eigendom van de verzamelaar Bozzo, die – hoe kan het anders – niet ver van Genua woont.

Terugreis over Rome

Over de terugreis van Mechanicus weet ik alleen dat hij via Rome per trein naar Amsterdam is gegaan. Nadere gegevens zijn onbekend. In neem aan dat hij in Brindisi aan wal is gegaan en de trein naar Rome heeft genomen. Een andere mogelijkheid was de haven van Napels. Voorlopig blijft het gissen. Het doet mij plezier dat Mechanicus de belangrijkste stad van het land waar ik nu al zolang woon met een bezoek heeft vereerd. Uit de mooie Mechanicus biografie van Koert Broersma weet ik dat hij helaas niet veel tijd heeft gehad om er rond te kijken.

Aantekeningen bij Philip Mechanicus van Triëst naar Palestina

  • Philip Mechanicus, Een volk bouwt zijn huis: Palestijnse reisschetsen, 1933.
  • Koert Broersma, ‘Buigen onder de storm’. Levensschets van Philip Mechanicus 1889-1944, Van Gennep, Amsterdam 1993.

Licht herzien op 9 februari 2021

Zijn nationalistische liberalen onbetrouwbaar ?

Toen in 1870 de Kerkelijke Staat ten val was gebracht, werd Italië een parlementaire monarchie met regeringen van liberale snit. In 1870 schafte men ook het ghetto af. De Italiaanse Joden verworven gelijke burgerrechten. Daarom hebben zij altijd een bijzonder grote liefde voor de Italiaanse Staat ten toon gespreid, zo toegewijd dat zij soms uitliep op devotie. Niettemin werd er door sommigen aan hun loyaliteit versus de staat ernstig getwijfeld. Een berucht geval dateert uit 1873. Ik bedoel ‘de zaak Pasqualigo’. Het volgende stukje gaat in op de vraag: Zijn nationalistische liberalen onbetrouwbaar ?

Zijn nationalistische liberalen onbetrouwbaar ?
Isaak Pesaro Maurogonato

Het parlementslid Francesco Pasqualigo uit Vicenza schreef aan koning Vittorio Emanuele II een brief waarin hij Zijne Hoogheid vroeg de leiding van het Ministerie van Financiën niet toe te vertrouwen aan de Venetiaanse Jood Isaak Pesaro Maurogonato (1817-1892). Een spraakmakend geval. Nota bene slechts drie jaar na de eenwording van Italië en de toekenning van de volledige burgerrechten aan al haar inwoners.

Pasqualigo tegen Maurogonato

Wat bewoog Pasqualigo tot zijn actie tegen Maurogonato? Hij vond dat een jood, ook al was die in het bezit van de Italiaanse nationaliteit, maar die zijn jood-zijn niet had genegeerd, nooit volledig kon toebehoren aan het jonge verenigde vaderland. Hij richtte zich tot de Italiaanse joden met deze woorden:

Jullie zijn nog niet op natuurlijke wijze opgegaan in de Italiaanse natie; het is juist, dat jullie volgens de wet staatsburgers zijn, maar feitelijk zijn jullie geen Italianen; wanneer jullie het geworden zijn, wanneer jullie je het jodendom vaarwel hebt gezegd, zal ik mijn mening bijstellen.

Met andere woorden: volgens Pasqualigo was Maurogonato was een Israëliet en dus een vreemdeling. En een vreemdeling kun je natuurlijk geen minister maken.

Vroeg antisemitisme

De kwestie was in de publiciteit overigens geen lang leven beschoren. Dat kwam wellicht omdat de kandidaat Minister voor het aanbod van de koning bedankte. Maurogonato werd in 1890, twee jaar voor zijn dood, nog Senator. Al met al  een opmerkelijk geschiedenis. De parlementariër Francesco Pasqualigo was namelijk een liberaal en een overtuigde anti-clerikaal. Hij had bovendien eervol meegevochten in de strijd tegen de Pauselijke Staat voor de eenwording van Italië. Pasqualigo was geen religieuze antisemiet. Mijn these is dat hij een vroege vertegenwoordiger was van een vroeg antisemitisme. Dat wees de joden aan als op geld belust personages. Ze identificeerde hen met kapitalisten en bankiers, met vrijmetselaars en de ontwerpers van een internationaal complot om de wereld te beheersen.

Geert Wilders

Ik moest aan het verhaal van Pasqualigo denken toen ik vernam dat het  parlementslid Geert Wilders de dubbele nationaliteit aanvocht van een Nederlandse staatssecretaris in de regering Rutte. Al eerder had Wilders scherp geageerd tegen de Marokkaanse en Turkse paspoorten in bezit van twee andere Nederlandse staatsburgers en politici.

Pasqualigo en Wilders hebben gemeen dat beide politici zich laten voorstaan op een liberale overtuiging. Nu waren liberale denkbeelden in 1873 zeker anders van inhoud dan die uitgedragen worden door de PVV aan het begin van de 21ste eeuw. Toch is er dunkt mij ook een overeenkomst: beide politici handelen uit nationalistische motieven. Hun nationalisme bewerkt maatschappelijke uitsluiting van bepaalde groepen. Het gebruikte mechanisme lijkt me het volgende. De politieke argumentatie richt zich primair op het individu. Het doel is om in werkelijkheid de groep waarvan dit individu deel uitmaakt te treffen en daarmee maatschappelijke segregatie te bewerkstellingen.

Niet alleen in 1873

Is een politicus, die zich uitgeeft voor vrijheidsgezind (liberaal), maar anderen, die net als hij volwaardige staatsburgers zijn, in een nationalistisch keurslijf wil dwingen, betrouwbaar? Kan een liberale politiek verdeling en uitsluiting, in plaats van dialoog en maatschappelijke cohesie betekenen?

Aantekeningen bij Zijn nationalistische liberalen onbetrouwbaar ?

  • Francesco Pasqualigo (1821-1892) was van beroep advocaat. Hij zat twee keer in de kamer. Hij onderscheidde zich ook in de Dante studies:  zie hier in de Enciclopedia  Dantesca.
  • Zie voor de Inname van Rome hier mijn artikel. Zie ook het overzicht van de gebeurtenissen in 1870 in Rome.

Tekst bijgewerkt in januari 2023.

Etty Hillesum in het Italiaans: 25 jaar dagboek

Dagboek 1985

Etty Hillesum in het Italiaans: in oktober 1985 zag de Italiaanse vertaling van Het verstoorde leven het licht. De Milanese uitgeverij Adelphi publiceerde het boek. Dat was een heuglijk feit. En de uitgave werd in de loop der jaren regelmatig herdrukt. Het verwierf de status van longseller. Een maand of wat geleden heb ik een exemplaar van de dertiende (juni 2008) druk gekocht. Dertien herdrukken in een kwart eeuw betekent dat men kan spreken van een succes. De receptie van de Hillesum teksten bevestigt dit: het aantal artikelen, monografieën en doctoraalscripties, verder toneeluitvoeringen en documentaires gewijd aan Hillesum, ligt – naar ik kan inschatten – tussen de drie- en vierhonderd.

Niettemin valt er op de vreugde wel wat af te dingen. Er zitten aan deze geschiedenis nogal wat vervelende kanten. Laten we eens kijken wat er aan de hand is.

De vertaling van het dagboek

Etty Hillesum in het Italiaans
De 3e druk van de 1e editie.

De dertien drukken van de Italiaanse vertaling, getiteld Etty Hillesum. Diario 1941-1943, zijn de ongewijzigde herdrukken van de editie van Het verstoorde leven. Het dagboek van Etty Hillesum, uit 1981. En hier ligt de kern van het probleem. Dat er met die uitgave iets mis was, werd in 1986 al snel duidelijk, toen de zeer verzorgde wetenschappelijke editie Etty. De nagelaten geschriften van Etty Hillesum verscheen. De uitgever Jan Geurt Gaarlandt heeft vrij vlot daarna een herziene editie gemaakt van zijn bijzonder succesvolle selectie dagboekaantekeningen, want dat is het Het verstoorde leven immers: een op grond van persoonlijke voorkeuren – die van J.G. Gaarlandt – samengestelde antologie.

Geen herziene druk in Italië

In Italië kwam het nooit tot een herziene druk. Men was in Milaan wel op de hoogte van het verschijnen van de Nagelaten Geschriften, want voor de Italiaanse uitgave van een editie van 47 brieven van Etty Hillesum heeft vertaalster Chiara Passanti – volgens het colofon – gebruik gemaakt van de wetenschappelijke editie van 1986.

Maar er zit nog een opmerkelijke kant aan deze kwestie. In de eerste helft van de jaren negentig viel het mij ineens op dat het boek Het verstoorde leven aanzienlijk omvangrijker was dan de Italiaanse editie. Er zijn grote verschillen in zetwerk en lettergrote. Bij nader toezien bleek dat er ruim vierhonderd regels druks waren geschrapt, minstens 15 pagina’s. Het betreft tekstdelen uit het eerste cahier die allen betrekking hebben op Julius Spier.

In die tijd sprak ik hierover met de vertaalster Chiara Passanti, die mij liet weten dat zij de volledige tekst van Het verstoorde leven had vertaald en ingeleverd. Zij vertelde ook dat de toenmalige redacteur de informatie over Spier niet relevant vond voor de Italiaanse lezers. Dat Julius Spier zo’n slechte reputatie heeft onder Italiaanse Hillesum lezers wordt tenminste voor een deel door dit opmerkelijke redactionele ingrijpen verklaard. Een interessant thema voor receptie-onderzoek?

Een ‘corrupte’ bron

Omslag 13e druk.

De Italiaanse lezers moeten het nu al een kwart eeuw stellen met een wat men in jargon noemt een ‘corrupte’ uitgave.  Aan de vertaling lag de Nederlandse oertekst uit 1981 ten grondslag. Die deugde helaas niet vanwege onnauwkeurige transcriptie en sterk eenzijdige selectie.

Wat zijn nu de redenen waarom de huidige situatie als zeer ongelukkig moet worden beschouwd? In de eerste plaats blijkt in de praktijk dat de partiële en onbetrouwbare tekst aanleiding geeft tot het trekken van ongefundeerde conclusies. Bijvoorbeeld de opvatting dat Etty Hillesum ‘zingend’ richting Auschwitz zou zijn vertrokken. Anders gezegd: in blijde stemming voor de dood zou hebben gekozen. Dit ‘martelaarsschap’ wordt in zekere gelovige kringen zeer hoog aangeslagen. En het grote succes van Hillesums dagboek bij rooms-katholieke lezers wordt daarmee deels verklaard. De in het dagboek gelezen (bijna) bekering tot het christelijke – en in Italië is dat het rooms-katholieke – geloof is een tweede element van deze verklaring.

Academische receptie

Een tweede reden betreft de academische receptie. Er zijn in de loop der jaren tientallen doctoraalscripties over Hillesum geschreven en een groot aantal daarvan heb ik kunnen lezen. De constatering is, dat het overgrote deel van deze scripties op de vertaalde dagboekteksten (dus die van 1985) is gebaseerd. Natuurlijk ligt de primaire verantwoordelijkheid voor deze omstandigheid bij de academische wereld zelf. Het is waar dat het Nederlands weinig courant is in Italië, maar ook van de edities in andere talen (Engels en Frans) vindt men nauwelijks sporen. Om maar niet te spreken van de secundaire literatuur. Voor een vruchtbare Etty Hillesum receptie en interpretatie, die juist in de context van een andere cultuur zo interessant zou kunnen zijn, is dit niet bevorderlijk.

Theater

Er is nog een aspect waarop ik zou willen wijzen, namelijk de receptie die zijn uitdrukkingsvormen vindt in toneel of documentaire. Begin juni zag ik een fascinerende toneelvoorstelling in Cagliari op Sardinië. De hoge kwaliteit van het spel, het decor en de regie overtrof alles wat ik tot dan toe had gezien, zes of zeven stukken. De tekst was zeer efficiënt geschreven en er werd knap gespeeld. Vijfenvijftig minuten adembenemend toneel. Toch verliet ik met een vervelend gevoel het Teatro Civico van Cagliari. Het was weer hetzelfde thema dat domineerde: Etty Hillesum ging opgewekt en beslist Auschwitz tegemoet. Door mij zo onbevangen mogelijk aan de voorstelling over te geven – mijn eigen Hillesum beeld met opzet op de achtergrond dringende – heb ik van de schoonheid van deze voorstelling kunnen genieten.

De vertaling van de brieven

Hierover kunnen we kort zijn. De Italiaanse titel van deze verzameling brieven luidt: Etty Hillesum. Lettere 1942-1943. De uitgave die eraan ten grondslag heeft gelegen was: Brieven 1942-1943. Maar een belangrijk verschil met de vertaling van de selectie dagboekaantekeningen is dat Chiara Passanti de wetenschappelijke editie bij haar werk heeft betrokken. Zij heeft zelfs een aantal van de annotaties overgenomen.

Vervallen rechten

Tot slot nog het volgende. Op 1 december 2013 komen de rechten op de door Etty Hillesum nagelaten geschriften vrij. Wij weten maar al te goed dat hoe lastig het is Hillesums dagboeken zonder uitgebreide annotaties goed te begrijpen. De vraag is wat er na die datum in Italië gaat gebeuren. Het risiko bestaat dat ‘wilde’ vertalingen op de markt komen, die de toets der kritiek niet kunnen doorstaan. Daarom is onze hoop gevestigd op de inspanningen van Adelphi om vòòr de datum een Italiaanse editie van de nagelaten geschriften op de markt te brengen, zulks in navolging van de Engelse en de Franse edities. Dat zal in elk geval de wildgroei aanzienlijk beperken en de Etty Hillesum studies in Italië een nieuwe impuls geven, naar ik hoop met meer genuanceerde resultaten.

Aantekeningen bij Etty Hillesum in het Italiaans: 25 jaar dagboek

  • Klik hier voor de website Cahiers Etty Hillesum
  • Tekst licht bijgesteld in oktober 2020.

Daisy Miller in het Colosseum

Daisy Miller in het Colosseum

De dood van Daisy Miller

De gedachte aan de smartelijke dood van Daisy Miller heeft mij nooit met rust gelaten. Zij werd geveld door hevige koortsen en stierf binnen twee weken. Zij liep malaria op tijdens een bezoek aan het Colosseum. Waarom was Daisy Miller in het Colosseum op een door het maanlicht overgoten avond? Precies. Het ging nu juist om het licht van de maan. Dat hult het Colosseum in een waas van betovering. Ze wist dat en verheugde zich zeer op dit bezoek. “I was bound to see the Colosseum by moonlight; I shouldn’t have wanted to go home without that.”

De novelle Daisy Miller

Daisy Miller in het Colosseum
Het Colosseum na 1807

De jongedame Daisy Miller is de hoofdpersoon uit de gelijknamige en beroemde novelle (1878) van Henry James. Het verhaal kan zo worden samengevat. De Amerikaanse Daisy Miller maakt met haar verlegen moeder en intelligente maar onuitstaanbare broertje Randolph een reis door Europa. De familie is rijk, maar van onbetekenende burgerlijke afkomst. Zij verblijft eerst in Vevay (Zwitserland), waar Daisy kennis maakt en vriendschap sluit met een landgenoot, de jonge notabele Winterbourne. Vervolgens reist men verder naar Rome om er de wintermaanden door te brengen.

De Romeinse society

Daisy verheugt zich erop deel te nemen aan het ‘society’-leven in de eeuwige stad. Het weinig conventionele gedrag van de jonge en knappe Amerikaanse veroorzaakt echter een schandaal.  Haar laconieke weigering zich in het gareel te voegen, leidt echter tot haar isolatie: ze ontvangt dus geen uitnodigingen meer voor soirees en diners… Het lijkt haar echter niet te deren. Haar vriendschappelijke relatie met de Italiaan Mr Giovanelli lijdt er niet onder. Integendeel. Gaandeweg bekoelt ook de verhouding met de jonge Winterbourne, die zij volgens afspraak in Rome opnieuw heeft ontmoet. Het bezoek aan het Colosseum, dat de kroon op haar verblijf in Rome moest worden, wordt haar fataal. Ze loopt er malaria op en sterft nauwelijks twee weken later.  Haar laatste rustplaats vindt zij op de beroemde Romeinse begraafplaats voor niet rooms-katholieken bij de Piramide.

Vragen over Daisy Miller in het Colosseum

De novelle heeft bij mij altijd vragen opgeroepen. Hier zijn er een paar. Waarom moest Daisy zo meedogenloos gestraft worden voor haar – in die tijd – onconventionele, maar toch onschuldige gedrag? En waarom gebruikte James het Colosseum in de novelle als locatie? En hoe zat het nu precies met de ziekte die Daisy daar opliep?

In dit stukje ga ik alleen in op deze laatste kwestie. Een paar dagen geleden kreeg ik de literaire anthologie van Patrick Lateur weer onder ogen. En ook hij citeert de beroemde Colosseum-scène. Lateur schrijft ter toelichting:

Haar tragische einde, ten gevolge van de Romeinse koorts die zij opliep tijdens een afspraak met Giovanelli in het vochtige Colosseum, vormt ook het slot van een beklemmende novelle.

Het gaat mij in deze zin om twee punten: “Romeinse koorts” en “het vochtige Colosseum. Wij kunnen geen van beide elementen nog aantreffen in het hedendaagse Rome. Het Colosseum is nu alleen nog maar vochtig als het regent. Anders is er in de wijde omtrek geen druppel water aan te treffen, behalve de peperdure plastic flesjes met een half litertje mineraalwater. En onder Romeinse koorts kan men allerlei verstaan, maar zeker niet de ziekte malaria.

Romeinse koorts

Laten we eens zien wat er aan de hand is. In het Italiaans sprak men van “paludismo” of “febbre romana”. De eerste term duidde op het geloof dat de sinds mensenheugenis bekende ziekte werd veroorzaakt door de moerassige (moeras = palude) omgeving. De tweede term impliceert dat de ziekte al in het Romeinse Rijk aanwezig was. Een politiek van droogleggingen droeg overigens met suces bij aan de bestrijding. Met het verval van het Romeinse Rijk viel ook dit beleid weg, en dat gaf in de eeuwen daarna ruim baan aan de ziekte. Aan het begin van de negentiende eeuw bij voorbeeld, eiste zij om en nabij 15.000 slachtoffers per jaar. Pas in 1898 legde Giovan Battista Grassi het verband tussen de vele slachtoffers van de malaria en de muggen die frequent voorkwamen in de moerrassige gebieden van de campagna romana, de uitgestrekte landelijke gebieden rond Rome.

De besmetting ging zo in zijn werk: een mug (femmina) wordt besmet door bloed in te nemen van een mens die malaria heeft. De mug wordt op haar beurt een draagster van malaria en besmet vervolgens een ander mens door hem of haar te steken.

Duidelijkheid over Daisy’s lot

Nu we over deze kennis beschikken, kunnen we beter begrijpen wat er tijdens Daisy’s bezoek aan het Colosseum moet zijn gebeurd. Zij werd gestoken door een mug die drager (besmet) was van de ziekte. In de novelle wordt over muggen natuurlijk niet gerept. Wèl over de Romeinse koorts. Daisy zegt immers op een wat nonchalante toon tegen Winterbourne: “I don’t care whether I have Roman fever or not.” Men wist in de tijd van James nog niets van muggen als dragers van malaria. De slechte lucht – letterlijk: “mal aria” in het Italiaans – werd als oorzaak van de ziekte beschouwd. Het causale verband tussen mug–malaria werd, zoals we hierboven zagen, pas in 1898 door Grassi gelegd. Dit is een belangrijk element, omdat de hedendaagse lezer er een mysterieus tintje mee krijgt aangereikt. Voor ons is het causale verband zo vanzelfsprekend dat we er niet bij stilstaan.

Colosseum

Ook de vochtige lucht kan men betrekkelijk eenvoudig verklaren. Men bouwde Colosseum immers in het dal tussen de heuvels Velia, Palatijn, Caelius en Oppius op de plaats waar eens het meer lag waaromheen Nero in de tweede helft van de eerste eeuw zijn Gouden Huis liet bouwen. In dit notoir laag gelegen gebied kon het ook in de 19e eeuw nog bijzonder vochtig zijn. Met name in het najaar en in de winters daalden de temperaturen zelden onder het vriespunt. En ten slotte: men kon het Colosseum in de 19e eeuw vrij in en uit lopen.

Restauratie afgerond in 1807

In 1807 was de restauratie van Raffaele Stern klaar en kon men het gebouw opnieuw veilig betreden. Met het aanbrengen van de steunberen was tenminste het verval van het antieke gebouw tot staan gebracht. Het had immers zeer geleden onder de aardbeving van 1806, om van de eeuwenlange plundering van het marmer en bouwsteen maar te zwijgen.  Men kon opnieuw genieten van het ook toen al zeer beroemde ‘fragment der oudheid’, zoals het Colosseum ook wel werd genoemd. Maar met de vochtige lucht in het najaar was het voorlopig nog oppassen. Dat heeft Henry James goed gezien; voor de mooie en onschuldige Daisy was het echter te laat. Ze zou nooit meer naar huis gaan.

Aantekeningen bij Daisy Miller in het Colosseum

  • Henry James, The Turn of the Screw & Daisy Miller, New York: Laurel, 221970, pp. 127-191.
  • Patrick Lateur, Alle schrijvers leiden naar Rome, 22000, p. 69-72. Het citaat staat op p. 69. – zie afbeelding.
  • De eerste afbeelding is een still uit de film Daisy Miller uit 1974 van Peter Bogdanovich. In het centrum van de still Cybill Shepherd.
  • For a documentary on Henry James see here.
  • Wikipedia pagina over het boek.

Bijgewerkt in december 2020