Italo Svevo De Stam: een verhaal uit 1897

Een verhaal uit 1897 van Italo Svevo: De Stam is het onderwerp van deze post.

Italo Svevo (1861-1928) publiceerde het verhaal “De stam” in 1897. Hij had toen al diverse  publicaties op zijn naam: behalve een serie literaire kritieken waren dat de roman Una vita [Een leven] (1892), en twee verhalen, “Una lotta”,   Een strijd (1888) en “L’assassinio di via Belpoggio”, De moord in Via Belpoggio (1890). Terwijl de eerste twee verhalen werden afgedrukt in de liberale Triëstse krant L’Indipendente, waarvan Svevo jarenlang een trouwe medewerker was, verscheen het korte verhaal “De stam” in een tweewekelijks tijdschrift. En niet zomaar een tijdschrift: het linkse Critica sociale.

Het tijdschrift Critica sociale

 Het socialistische Critica sociale verscheen vanaf januari 1891 en stond onder leiding van de bekende Italiaanse marxist Filippo Turati. In de eerste twee jaar van zijn bestaan had het nog de woorden ‘sociaal, politiek en literair’ in de ondertitel, maar vanaf 1893 kwam daarvoor in de plaats: “Veertiendaags tijdschrift voor het wetenschappelijk socialisme”. De politiek koers was die van de Italiaanse Socialistische partij.

Italo Svevo De Stam: een verhaal uit 1897In dit maatschappijkritische tijdschrift werd Svevo’s korte verhaal afgedrukt. Dat is op zijn minst opmerkelijk, want de auteur stond bekend als een nationaal-liberaal en irredentist (aanhanger van de beweging die streed voor de hereniging van Triëste met Italië en die tot stand kwam na de Eerste Wereldoorlog). Volgens Bruno Maier (1920-2001), die wordt beschouwd als één van de belangrijkste kenners van Svevo’s werk, rust het verhaal op een marxistische basis en geeft de schrijver van die ideologie een humanitair-utopistische interpretatie.

Svevo’s politieke visie

Aardig dat een auteur van liberaal-nationale snit (in het Italië van eind 19e eeuw) zo’n snuitig links verhaal schreef. Vooral ook als je bedenkt dat Ettore Schmitz tegen het einde van de 19e eeuw gaat werken in de verfindustrie, eerst in Triëste, daarna in Murano (Venetië) en in latere jaren verblijft hij regelmatig enkele maanden per jaar in Londen. Vandaar zijn behoefte om Engels te leren. Bij die gelegenheid  en op die manier James Joyce ontmoet.

De zakenman Schmitz leert de ‘fabriek’ kennen die de schrijver Svevo in het verhaal De stam een centrale plaats had gegeven. Zijn personage Achmed voorspelt het lot van de fabrieksarbeiders: die zouden zijn “… veroordeeld om de helft van de dag door te brengen in een ongezonde omgeving, waar ze zò hard moeten werken dat hun gezondheid, denken en hun ziel erbij zullen inschieten. Ze worden lelijk, veracht en verworpen.”

Waarover gaat het verhaal

Laten we eens kijken waar “De stam” over gaat; hier volgt een korte samenvatting.

Een groep nomaden vestigt zich min of meer bij toeval op een vruchtbaar stuk land in de woestijn en bouwt er een nederzetting die uitgroeit tot een kleine stad. De stam verbouwt de grond waarop men woont en werd verdeeld onder de voormalige stamleden die daardoor bezitters zijn geworden. Een conflict tussen twee landbouwers (de voormalige nomaden) doet de behoefte aan wetgeving voelen. Maar wetten inzake eigendom ontbreken en daarom wordt het jonge stamlid Achmed naar Europa gestuurd om daar de wetgeving te bestuderen van maatschappijen die veel verder zijn. Terwijl Achmed lange jaren besteedt aan de studie, groeit de stad in de woestijn uit tot een economie die is gebaseerd op privé-eigendom en waarin ongelijkheid en uitbuiting voorop staan. Velen leven in de misère, weinigen in de rijkdom. Dit is wat Achmed aantreft als hij uit Europa terugkeert. Hij ontdekt dat anderen zijn bezittingen hebben ingenomen en eist schadevergoeding.

Wetgeving

Bovendien bemerkt hij dat de stam zich alle wetgeving heeft gegeven die de economische ontwikkeling vereiste en dat dit nu juist tot grote ongelijkheid onder de bevolking heeft geleid. In zijn toespraak aan de stamoudsten legt Achmed uit dat dit nu precies de toekomst is van dit economische maatschappijmodel. De stamoudste Hoessein vraagt Achmed of hij een voorbeeld kan geven van een maatschappij die op deze economische principes is gebaseerd en waarin mensen niet in armoede hoeven te leven en gelukkig zijn.

Achmed blijft het antwoord schuldig. Hij ontvangt echter zijn schadevergoeding waarmee hij zijn droom wil realiseren: fabriekseigenaar worden en een grote fabriek neerzetten zoals hij in Europa heeft gezien. Maar zover komt het niet: hij wordt mèt zijn schadevergoeding de stam uitgegooid. Ook de epiloog is niet te versmaden. Een Europeaan, ontevreden over de manier waarrop zijn land is georganiseerd, klopt aan bij Hoessein en vraagt toegelaten te worden tot de gelukkige stam. Hij wordt geweigend. Waarom? Dat vindt u in de laatste paragraaf van het verhaal.

Bruno Maier

De al eerder genoemde Bruno Maier, hoogleraar in Triëst en literatuurcriticus, heeft in 1966 een mooie editie van de werken van Svevo bezorgd. In het eerste deel Epistolario vinden we in een brief aan zijn vrouw Livia Veneziani wat meer informatie over Svevo’s politieke overtuiging in de jaren negentig van de 19e eeuw. Uit een brief van 30 juli 1897 blijkt dat hij in die periode belangstelling had voor de theorieën van het wetenschappelijk socialisme waarvan hij had kennisgenomen via teksten van Marx en andere auteurs. (zie Epistolario, p. 68 en noot 6 op p. 69).

Welnu, enige sporen van Svevo’s jeugdige belangstelling voor progressieve maatschappelijke ideeën kunnen worden aangetroffen in zijn tweede roman, Senilità (in het Nederlands vertaald als Een man wordt ouder). Het romanpersonage Emilio Brentani (dag) droomt dat hij en zijn geliefde Angiolina ongelukkig zijn vanwege de armoede waarin zij moeten leven. Om haar deelgenoot van zijn droom te maken – want Emilio droomt graag –  vertelt hij, dat hij haar in een andere maatschappij geheel tot de zijne zou hebben kunnen maken zonder dat zij haar lichaam had moeten verkopen.

Arm en rijk

Aangezien zij hem niet niet goed kon volgen, vertelde hij over de nietsontziende strijd die was ontbrand tussen arm en rijk, tussen arbeid en kapitaal, maar dat de uitkomst van die strijd vaststond en dat het kapitaal het onderspit zou delven. Dan zou er een tijd aanbreken van vrijheid,  vrouwen en mannen zouden gelijk en de liefde een wederzijds geschenk zijn. Men zou slechts kort hoeven te werken en de opbrengst van de arbeid zou gelijkelijk verdeeld worden. Maar haar nuchtere kijk op het leven verstoort bruusk Brentani’s droom: “Als alles verdeeld wordt blijft er voor niemand iets over. De arbeiders zijn afgunstig en leeglopers, en ze krijgen toch niets voor elkaar.” (pagina 170, Senilità, Dall’Oglio Editore, Milano 1938))

Een wonderlijke pagina waarvan de samenhang met de rest van het boek niet duidelijk is. Maar de dagdroom van Brentani kan wel verbonden worden met “De stam”, want daarin is de strijd tussen kapitaal en arbeid één van de hoofdthema’s. We schrijven dezelfde jaren: de roman Senilità werd gepubliceerd in 1898, het verhaal De stam in 1897. Naar mijn weten komt het thema later niet meer terug. Dat is niet zo vreemd, want inmiddels is Svevo getrouwd met zijn nichtje Livia Veneziani e begint hij in 1899 te werken in de fabriek van zijn schoonvader. Bij gebrek aan erkenning komt zijn literaire werk komt tot stilstand, zoals de stam in de woestijn.

Aantekeningen

  • Ik heb van het verhaal een Nederlandse vertaling gemaakt, zie hier.

Giorgio Voghera: vergeten moralist (1908-1999)

Vergeten schrijver

Waarom zou je het werk lezen en bestuderen van een schrijver die niemand meer kent. Een schrijver wiens boeken geen mens meer leest. Een schrijver die alleen een vereenzaamde specialist of een zonderlinge student, op zoek naar een saai scriptieonderwerp, in overweging neemt. Giorgio Voghera vergeten moralist (1908-1999) is zo’n schrijver.

Giorgio Voghera ziet het levenslicht in Triëst op 19 augustus 1908 en sterft er op 11 november 1999.  Voghera week in 1939 uit naar Palestina, gedwongen door de Italiaanse rassenwetgeving van 1938. Hij bracht lange tijd door in de gevangenis. Over zijn ervaringen schreef hij het veel gelezen boek Carcere a Jaffa. Pas in 1948 zou hij weer terugkeren naar Triëst.

Hij had zijn lot voorzien. Hij wist dat slechts een goedgelovige het gezegde ‘wie schrijft, blijft’ tot levensmotto kan maken. In een schets voor een zelfportret vermeldt hij zich nooit te hebben gezien als een schrijver. Niettemin probeerden Giorgio’s vrienden, bezorgd om zijn geringe eigenwaarde, hem ervan te overtuigen dat hij met alle recht aanspraak kon maken op die eervolle kwalificatie. Een “kwalificatie”, schreef hij, “die kan worden toegekend aan bijna vijftig procent van alle Italianen die geen analfabeet zijn”. Dit is mooie, zwarte ironie, want de uitspraak dateert uit de tweede helft van de jaren vijftig. De jaren waarin de Italiaanse televisie nog maar net was begonnen aan de heiligste van al haar heilige missies: de Italianen Italiaans te leren.

Prediker

Nee, Voghera zag zichzelf niet als schrijver van romans, maar meer als essayist, of nog liever als “een moraliserende prediker waar niemand naar luistert”. Ziehier, besloten in het adjectief, de belangrijkste reden waarom men in het hedendaagse Italië, in mijn Italië, dat van de laatste twee decennia, Giorgio Voghera niet meer leest.

Giorgio Voghera: vergeten moralist (1908-1999)Aantekeningen

  • Zie voor beide citaten: Carcere a Giaffa, Edizioni Studio Tesi, Pordenone 1985, p. 157.
  • Naar mijn weten bestaan er geen Nederlandse vertalingen van Voghera’s werk.
  • Bijgewerkt in augustus 2021.

Etty Hillesum en de jonge Stalin

Over het thema Etty Hillesum en de jonge Stalin heeft nog niemand een opstel geschreven. Wat volgt is niet meer dan een eerste verkenning.

Een telefoontje

In oktober 2010 ontving ik een email van een Italiaanse historicus van de fotografie. Hij vroeg of ik wist wie de drie heren waren wier portretten Etty Hillesum op de muur van haar kamer in de Gabriël Metsustraat had bevestigd.

Etty Hillesum in haar kamer, 1937 (?)

Dit is een van de twee ons bekende foto’s van Etty Hillesum in  haar kamer. Waarschijnlijk te dateren in 1937. Op deze foto staan in totaal vijf portretten van mannen afgebeeld: drie aan de wand en twee ingelijst op de tafel naast de rechterarm van Etty Hillesum. Het staat nu vast dat de heer met de baard en de geblokte (?) sjaal de jonge Stalin is. Wie de andere vier heren zijn is mij onbekend. Heel lang heb ik gedacht dat het derde portret van boven de dichter Rainer Maria Rilke voorstelde, maar na vergelijking met andere foto’s van Rilke lijkt het mij erg onwaarschijnlijk. De jacht op de identiteiten van de mannen aan de muur is geopend.

Foto’s van de jonge Stalin

Hieronder de andere foto waarop hij recht in de lens kijkt. Beide

Links de jonge Stalin op Etty Hillesums kamer
Signalementfoto’s van Stalin

signalementfoto’s werden gemaakt bij zijn arrestatie in 1902. Beide foto’s werden mij opgestuurd door Pino Blasone, die ik voor deze interessante vaststelling hartelijk dank. Hij gaf mij ook de bron: het boek uit 2007 van Simon Sebag Montefiore over de jonge Stalin, vertaald in het Italiaans in 2010. Ik kende het boek van Montefiore niet. Vorige week kreeg ik eindelijk de vertaling in handen en kon vaststellen dat Blasone gelijk had. Eind oktober had ik de foto’s overigens ook al op het internet gevonden. Bovendien staat een van de foto’s op het omslag van het boek van Montefiore. De precieze datering van de foto’s is niet zo eenvoudig. Het zou ook 1906 kunnen zijn.

Etty Hillesum over de jonge Stalin

Etty Hillesum schrijft in haar dagboek over Stalin op 10 juli 1942, hem op één lijn stellend met Hitler: “De ene keer is het een Hitler en de andere keer voor mijn part Iwan de Verschrikkelijke”. Kunnen we uit deze zin opmaken dat zij zich over de ware aard van Stalin geen illusies maakte? De Stalin van de foto in haar studeerkamer is 24 jaar oud. Hij bracht zijn tijd door met het organiseren van overvallen – waaraan hij zelf trouwns niet of zelden deelnam – om geld bijeen te brengen voor Lenin. Montefiore noemt Stalin in zijn boek een gangster. Het verhaal van de jonge Stalin moge dan niet zo bekend zijn, iedereen weet bij benadering wat hij op latere leeftijd heeft uitgespookt.

Waarom deze foto?

Waarom had Etty Hillesum een jeugdfoto van de ‘gangster’ schuin boven een portret van haar lievelingsdichter Rilke had opgeprikt? Wie naar een antwoord zoekt, dient allereerst met het historische tijdsbestek rekening te houden. In de jaren dertig waren velen in West Europa enthousiast over de ontwikkelingen in het nieuwe Rusland. Talloze journalisten en schrijvers reisden naar het land en publiceerden hun bevindingen. Ook de Nederlandse journalist Philip Mechanicus maakte in het begin in het begin van de jaren dertig een viertal reizen naar de Sovjet Unie (1929, 1931, 1932 en 1934) en rapporteerde over zijn ervaringen en waarnemingen in het Algemeen Handelsblad. Hij werd echter allengs kritischer en een visum voor zijn voorgenomen vijfde reis werd hem geweigerd.

Etty Hillesum zou met Mechanicus in de zomer van 1943 in kamp Westerbork bevriend raken. Rusland zal ongetijfeld onderwerp van gesprek zijn geweest, ook al omdat beiden de taal beheersten. In het Westerbork-dagboek van Mechanicus komt het thema Rusland regelmatig ter sprake.

Wat nu te zeggen over deze foto in verband met Hillesum? Weinig naar mijn gevoel. Het heeft niet zoveel zin te gissen naar wat Hillesum over Stalin dacht; in haar dagboeken en brieven treffen we niets aan waarop we onze oordelen zouden kunnen baseren. De enige voorzichtige conclusie kan zijn, dat Hillesum voor de gang van zaken in Rusland een grote belangstelling had en niet vooringenomen was. Met vragen over het Rusland van voor 1917 kon zij bij haar moeder terecht, die had immers aan den lijve ondervonden hoe de Tsaren over de joden dachten.

Aantekeningen

  • Simon Sebag Montefiore, The Young Stalin . Een Nederlandse vertaling verscheen in 2007: Stalins jeugdjaren. Van rebel tot rode tsaar.
  • Philip Mechanicus, Dagboek uit Westerbork, Amsterdam: Van Gennep, 1964.

Bijgewerkt op 2 november 2020

Giorgio Voghera over Palestina: een verhaal

Giorgio Voghera: de aanleiding

Giorgio Voghera Quaderno d'Israele
2e editie 1980

Giorgio Voghera over Palestina: een verhaal. Kortgeleden heb ik een boek ter hand genomen dat ik in 1990 voor het eerst had gelezen. Er was toen een goede  reden om mij in Quaderno d’Israele van Giorgio Voghero te verdiepen, namelijk in verband met het Etty Hillesum Seminar dat ik in 1988 in Rome had georganiseerd. Eén van de Italiaanse deelnemers, de hoogleraar vergelijkende literatuur Fabio Russo, vergeleek enkele thema’s in het werk van deze auteur met thema’s in Hillesums werk. Het was een mooie lezing, maar Voghera’s boek vond ik toen niet bijster interessant.

Ik heb het boek – je zou de titel kunnen vertalen met: Israëlcahier – de afgelopen maand herlezen, dus twintig jaar later. En dat was niet toevallig, aangezien ik naspeuringen doe over de Palestina-reis van Philip Mechanicus, die begin mei 1933 in Triëst op de boot naar het Beloofde Land stapte. In de literatuur dook de naam Voghera op. Zo vond ik opnieuw de weg naar zijn roman uit 1967.

De roman van Voghera

Maar nu over Voghera’s roman. Een roman? Ja en nee. Voghera beschrijft de periode 1938-1947 die hij heeft doorgebracht in Palestina. Hij belandde er dus vijf jaar na Mechanicus, die er overigens slechts drie weken was gebleven. Hij vluchtte kort voor de afkondiging van de antisemitische wetgeving (1938) onder de fascistische dictatuur van Mussolini. Voghero had de bui zien hangen en besloot tijdig zich in te schepen.

Zionisme

Dit bijzondere boek – een soort journaal in de vorm van een roman – zag het licht in 1967. Voghera had zijn tekst in het Hebreeuws geschreven en zelf in het Italiaans vertaald. Daarbij geholpen door zijn vader Guido. De keuze voor de vorm en zijn lange twijfelen voor hij tot publicatie overging, verantwoordt Voghera als volgt. Hij wilde de al wat ouder geworden zionisten niet voor het hoofd stoten, en bovendien wilde hij niet dat iemand zich in zekere romanpersonages zou kunnen of willen herkennen of zou worden herkend. Vandaar dat verwijzingen naar zaken en personen ontbreken.

Naar mijn gevoel valt het met die kritiek op de zionistische beweging erg mee. De auteur getuigt wèl van inzicht als hij duidelijk maakt dat deze faktor niet moet worden onderschat. Nederlanders  weten immers, dat Jacob Israël de Haan, die net als Philip Mechanicus in het Algemeen Handelsblad over Palestina schreef (1919-1924), zijn kritiek op het zionisme met de dood heeft moeten bekopen. Hij werd in 1924 vermoord.

De schrijver Voghera

Voghera beschrijft in eenentwintig hoofdstukken zijn ervaringen in de kibboets. De verteller in deze autobiografische roman is de auteur zelf, en van zijn wereldbeeld maakt hij geen geheim: Jood, socialist, cosmopoliet (immers opgegroeid in Triëst) en niet religieus. Bovendien heeft hij een pessimistische visie op mens en wereld. Zijn reflexies over en zijn beschrijvingen van het leven in de kolonie moeten tegen deze achtergrond worden gelezen. Nog een overweging voor ik het verhaal vertel over de twee personen wier namen in de titel van dit stukje staan. De episode van Esther en Jozua rust op een kernmotief van de Joodse spiritualiteit: de ontembare hang naar de waarheid. Hieraan moet worden toegevoegd het motief ‘interioriteit’ en het voelbaar aanwezige ethische engagement. Gedrieën vormen zij het fundament van het Israëlcahier. (Maar daarop kom ik in de nabije toekomst nog terug.)

Het verhaal

Voghera vertelt over de Turkse verloofden Esther en Jozua in hoofdstuk 18. De twee jonggeliefden  kwamen in de kolonie in afwachting van het gereedkomen van hun huis in Tel-Aviv waar ze na hun huwelijksvoltrekking zouden intrekken. Jozua was vaak afwezig: hij had zaken te regelen in de stad. De wat verlegen en stille Esther bleef in de kolonie waar ze in de keuken was ingedeeld. Een moederlijk type en erg religieus, ze droeg bijvoorbeeld jurken en niet de korte broeken waarin de andere meisjes rondliepen. De stellen die geen eigen tent of kamer hadden gingen ’s avonds op zoek naar een plekje in de tuin; Esther en Jozua bleven praten in een hoek van de eetzaal.

Aan dit prille geluk kwam een einde door de dood van Jozua. De ware toedracht van het ongeluk werd nooit opgehelderd, maar het praatje ging dat hij was omgekomen door de ontploffing van de bom die hij zelf aan het prepareren was. Voghera schrijft dat hij dit gerucht niet geloofwaardig achtte, omdat rechtse elementen uit de socialistische kibboetsen werden geweerd. Hij voegt echter direct een sterk element van twijfel toe als hij schrijft dat de leiding van de kibboets wellicht niet van Jozua’s achtergrond op de hoogte was.

Esther verliet na de tragedie direct de kibboets, maar keerde enkele maanden later terug om zich stabiel in de kolonie te vestigen. Ze leek veranderd, was ondernemend en doortastend geworden. Nieuwe taken nam zij op zich, waaronder de eerste beginselen van de militaire instructie van de meisjes op school. Verder nam zij het het met de Joodse voedselwetten minder nauw; en de attenties van een jongeman in de kolonie wees ze niet af.

Esther over haar Jozua

Toch was ze haar Jozua niet vergeten. Dat bleek uit een gesprek met haar vriendin dat door de verteller ‘ongewild’ werd afgeluisterd. De vriendin beklemtoonde dat ze Jozua moest vergeten en aan haar toekomst denken. Dan vertelt Esther dat zij en Jozua in de drie maanden voor zij in de kolonie kwamen minnaars waren geweest. Zij wilde dat niet, maar werd door haar geliefde op zachte maar besliste wijze overtuigd. Zij voelde dat zij voor hem een offer bracht. Vanuit haar religieuze optiek kwam het haar voor als een Goddelijk straf die haar trof, niet hem.

En ze vertelt verder: in zijn nabijheid verkeren, luisteren naar zijn woorden, ervaren hoe goed hij haar begreep, van zijn attenties genieten, dat alles was van een paradijsachtige heerlijkheid. En hoe scherp wist hij anderen niet te doorgronden, en met welk een oneindige goedheid deed hij dat. Het waren tenslotte deze goedheid en opofferingsgezindheid, die hem noodlottig zijn geworden. Op dit punt aangekomen onderbreekt de verteller zijn verslag. Hij wil de lezer voorbereiden op de laatste zin die Esther haar vriendin ter overweging geeft. Die zin bezorgt hem de koude rillingen. Esther zegt over haar geliefde Jozua:

Het is misschien beter zo, ik bedoel, dat hij dood is. Hij was voor deze wereld veel te goed en zou verschrikkelijk hebben moeten lijden.

Voghera sluit met deze woorden het hoofdstuk af. Aan de lezer het oordeel.

Zie ook de post over Voghera: Een vergeten moralist

Aantekeningen

  • Giorgio Voghera, Quaderno d’Israele, Edizioni Studio Tesi, Pordenone 1986 (11967, 21980).
  • Fabio Russo’s bijdrage heb ik later opgenomen in de bundel L’esperienza dell’Altro. Studi su Etty Hillesum, a cura di Gerrit Van Oord, Apeiron Editori, Sant’Oreste, 1990.
  • De reportages werden gebundeld in Een volk bouwt zijn huis. Palestijnse reisschetsen, uitgegeven door het Algemeen Handelsblad in oktober 1933.
  • Deze feuilletons kunnen worden geraadpleegd op www.dbnl.nl
  • Quaderno, pp. 203-206.

Philip Mechanicus: van Triëst naar Palestina

De bootreis in 1933

Philip Mechanicus reiste per boot van Triëst naar Palestina. Hij zette op 8 mei 1933 voet aan wal in Jaffa. Ongeveer een week eerder vertrok uit Triëst en had op zijn zeereis naar Palestina onder andere Brindisi (Zuid-Italië) en  Larnaka (Cyprus) aangedaan. Hij verbleef drie weken in Palestina en deed van zijn bevindingen verslag in zijn geliefde Algemeen Handelsblad. En hij kon rekenen op een grote schare lezers, die zijn reportages hoog aanschreven.

Het verkeerde schip

Mechanicus wijdt de eerste twee van wat meer dan 20 reisverslagen zullen worden aan het schip en haar passagiers. Hij opent het eerste artikel met de woorden: “Ik ben op weg naar Palestina zit op het verkeerde schip.” Als ervaren journalist kent hij de trucjes om de nieuwsgierigheid van zijn lezers in het vaderland op te wekken. In de eerste alinea verhaalt hij over de aankomst in de Noord-Italiaanse havenstad: hij verwachtte zich in te schepen op de “Adria”, maar het werd een ander schip: de “Italia”. De reden waarom er een groter schip nodig was op deze lijn naar het Nabije Oosten, had volgens Mechanicus te maken met de “golf van antisemitisme, die sedert de revolutie van Hitler door Duitschland slaat en welke ook in andere landen van Europa haar invloed doet gelden”.

In geen van de teksten van of over Mechanicus was ik ooit op andere dan de bovengenoemde gegevens over deze reis gekomen. En in de bundel Palestijnse reisschetsen Een volk bouwt zijn huis staan wel enkele foto’s, maar niet van de Italia. Welnu, de afgelopen weken heb ik wat rondgeneusd in een studie over de lotgevallen van de Italiaanse Palestina pioniers die na de opkomst van het zionisme in Italië besloten naar het Beloofde land te vertrekken. Het boek behandelt de periode 1920-1940. Een deel van hen vertrok vanuit Triëst. Net als Philip Mechanicus. Ik besloot op zoek te gaan naar meer gegevens in Italiaanse bronnen en op het internet. Het eerste resultaat is een aantal gegevens over het stoomschip waarmee hij reisde.

Het schip Italia

Philip Mechanicus vaart met deze boot van Triëst naar Palestina te varen.
De “Italia”

Zijn ‘verkeerde’ schip bevond zich nog niet zolang onder de bijna 50 schepen van de Rederij Lloyd Triestino. De rederij bezat niet alleen een flinke vloot, maar ook een netwerk van ruim honderd agentschappen in de wereld, waaronder ook een in Amsterdam, want daar had Mechanicus geboekt, zoals hij in zijn eerste artikel vermeldt. Hij reisde op een schip dat in 1905 in opdracht van de rederij “La Veloce” was gebouwd door de Scheepswerf Nicolò Odero, beiden gevestigd in Genua. Lloyd Triestino was de zesde en tevens laatste eigenaar, want op 6 juli 1944 werd het door de bommen van een geallieerd vliegtuig in de haven van Triëst tot zinken gebracht. Het schip kwam de klap niet teboven. In 1950 werd zij gesloopt. In haar bijna veertigjarige carrière had de Italia alle wereldzeeën bevaren.

Haar naam was voluit te lezen op de voorsteven R.N. Italia: Regia Nave Italia. Het betrof een stoomschip van iets over de vijfduizend ton (5.018) en kon meer passagiers opnemen dan de Adria. De snelheid van de Italia was 13 knopen, wat meer dan 24 km per uur. Maar dat is voorlopig alles aan technische details over de Italia. Lengte. Hoogte. Breedte. Aantal bemanningsleden. Capaciteit passagiers. Geen informatie. Overigens, wat betreft de capaciteit: in elk geval meer dan 300, dat blijkt uit de opmerkingen van Mechanicus. Wat ik wel heb gevonden zijn drie foto’s van de Italia. De beste neem ik hierbij op. De afbeeldingen zijn eigendom van de verzamelaar Bozzo, die – hoe kan het anders – niet ver van Genua woont.

Terugreis over Rome

Over de terugreis van Mechanicus weet ik alleen dat hij via Rome per trein naar Amsterdam is gegaan. Nadere gegevens zijn onbekend. In neem aan dat hij in Brindisi aan wal is gegaan en de trein naar Rome heeft genomen. Een andere mogelijkheid was de haven van Napels. Voorlopig blijft het gissen. Het doet mij plezier dat Mechanicus de belangrijkste stad van het land waar ik nu al zolang woon met een bezoek heeft vereerd. Uit de mooie Mechanicus biografie van Koert Broersma weet ik dat hij helaas niet veel tijd heeft gehad om er rond te kijken.

Aantekeningen

  • Philip Mechanicus, Palestijnse reisschetsen Een volk bouwt zijn huis
  • Koert Broersma, ‘Buigen onder de storm’. Levensschets van Philip Mechanicus 1889-1944, Van Gennep, Amsterdam 1993.

Herzien op 9 februari 2021