Daisy Miller in het Colosseum

De gedachte aan de smartelijke dood van Daisy Miller heeft mij nooit met rust gelaten. Zij werd geveld door hevige koortsen en stierf binnen twee weken. Zij had malaria opgelopen tijdens een bezoek aan het Colosseum op een door het maanlicht overgoten avond. Ze had zich erg op dit bezoek verheugd. “I was bound to see the Colosseum by moonlight; I shouldn’t have wanted to go home without that.”

Het Colosseum na 1807

De jongedame Daisy Miller is de hoofdpersoon uit de gelijknamige en beroemde novelle (1878) van Henry James. Het verhaal kan zo worden samengevat. De Amerikaanse Daisy Miller maakt met haar verlegen moeder en intelligente maar onuitstaanbare broertje Randolph een reis door Europa. De familie is rijk, maar van onbetekenende burgerlijke afkomst. Zij verblijft eerst in Vevay (Zwitserland), waar Daisy kennis maakt en vriendschap sluit met een landgenoot, de jonge notabele  Winterbourne, en reist dan verder naar Rome om er de wintermaanden door te brengen. Daisy verheugt zich erop deel te nemen aan het ‘society’-leven in de eeuwige stad. Het weinig conventionele gedrag van de jonge en knappe Amerikaanse veroorzaakt echter een schandaal en haar laconieke weigering zich in het gareel te voegen, leidt tot haar isolatie: ze ontvangt geen uitnodigingen meer voor soirees en diners… Het lijkt haar niet te deren. Haar vriendschappelijke relatie met de Italiaan Mr Giovanelli lijdt er niet onder. Integendeel. Gaandeweg bekoelt ook de verhouding met de jonge Winterbourne, die zij volgens afspraak in Rome opnieuw heeft ontmoet. Het bezoek aan het Colosseum, dat de kroon op haar verblijf in Rome moest worden, wordt fataal. Ze loopt er malaria op, sterft nauwelijks twee weken later en wordt begraven op de beroemde Romeinse begraafplaats voor niet-katholieken bij de Piramide.

De novelle heeft bij mij altijd vragen opgeroepen. Hier zij er enkele. Waarom moest Daisy zo meedogenloos gestraft worden voor haar – in die tijd – onconventionele, maar toch onschuldige gedrag? En waarom heeft James het Colosseum in de novelle als locatie gebruikt? En hoe zat het nu precies met de ziekte die Daisy daar opliep?

In dit stukje ga ik alleen in op deze laatste kwestie. Een paar dagen geleden kreeg ik de literaire antologie van Patrick Lateur weer onder ogen (P. Lateur, Alle schrijvers leiden naar Rome, 22000, p. 69-72 – zie afbeelding). Hij citeert de beroemde Colosseum-scène. Lateur schrijft ter toelichting:

Haar tragische einde, ten gevolge van de Romeinse koorts die zij opliep tijdens een afspraak met Giovanelli in het vochtige Colosseum, vormt ook het slot van een beklemmende novelle.” (Idem, p. 69)

Het gaat mij in deze zin om twee punten: “Romeinse koorts” en “het vochtige Colosseum. Wij kunnen geen van beide elementen nog aantreffen in het hedendaagse Rome. Het Colosseum is nu alleen nog maar vochtig als het regent. Anders is er in de wijde omtrek geen druppel water aan te treffen, behalve de peperdure plastic flesjes met een half litertje mineraalwater. En onder Romeinse koorts kan men allerlei verstaan, maar zeker niet de ziekte malaria.

Laten we eens zien wat er aan de hand is. In het Italiaans sprak men van “paludismo” of “febbre romana”. De eerste term duidde op het geloof dat de sinds mensenheugenis bekende ziekte werd veroorzaakt door de moerassige (moeras = palude) omgeving. De tweede term impliceert dat de ziekte al in het Romeinse Rijk werd aangetroffen. Ze werd overigens met succes werd bestreden met een politiek van droogleggingen. Met het verval van het Romeinse Rijk viel ook dit beleid weg, en dat gaf in de eeuwen daarna ruim baan aan de ziekte. Aan het begin van de negentiende eeuw bij voorbeeld, eiste zij om en nabij 15.000 slachtoffers per jaar. Pas in 1898 werd door Giovan Battista Grassi het verband gelegd tussen de vele slachtoffers van de malaria en de muggen die frequent voorkwamen in de moerrassige gebieden van de campagna romana, de uitgestrekte landelijke gebieden rond Rome.

De besmetting ging zo in zijn werk: een mug (femmina) wordt besmet door bloed in te nemen van een mens die malaria heeft. De mug wordt op haar beurt een draagster van malaria en besmet vervolgens een ander mens door hem of haar te steken.

Nu we over deze kennis beschikken, kunnen we beter begrijpen wat er tijdens Daisy’s bezoek aan het Colosseum moet zijn gebeurd. Zij werd gestoken door een mug die drager (besmet) was van de ziekte. In de novelle wordt over muggen (en dat spreekt vanzelf) niet gerept. Wèl over de Romeinse koorts. Daisy zegt immers op een wat eigenaardige toon tegen Winterbourne: “I don’t care whether I have Roman fever or not.” Men wist in de tijd van James nog niets van muggen als dragers van malaria. De slechte lucht – letterlijk: “mal aria” in het Italiaans – werd als oorzaak van de ziekte beschouwd. Het causale verband tussen mug–malaria werd, zoals we hierboven zagen, pas in 1898 door Grassi gelegd. Dit is een belangrijk element, omdat de hedendaagse lezer er een mysterieus tintje mee krijgt aangereikt. Voor ons is het causale verband zo vanzelfsprekend dat we er niet bij stil staan.

Ook de vochtige lucht kan betrekkelijk eenvoudig worden verklaard. Het Colosseum werd immers gebouwd in het dal tussen de heuvels Velia, Palatijn, Caelius en Oppius op de plaats waar eens het meer lag waaromheen Nero in de tweede helft van de eerste eeuw zijn Gouden Huis had laten bouwen. In dit notoir laag gelegen gebied kon het ook in de 19e eeuw nog bijzonder vochtig zijn, met name in het najaar en in de winters waarin de temperaturen zelden onder het vriespunt daalden. Men kon het Colosseum in de 19e eeuw vrij in en uit lopen.

Restauratie af in 1807

In 1807 was de restauratie van Raffaele Stern klaar en kon men het gebouw opnieuw veilig betreden. Met het aanbrengen van de steunberen was tenminste het verval van het antieke gebouw tot staan gebracht. Het had immers zeer geleden onder de aardbeving van 1806, om van de eeuwenlange plundering van het marmer en bouwsteen maar te zwijgen.  Men kon opnieuw genieten van het ook toen al zeer beroemde ‘fragment der oudheid’, zoals het Colosseum ook wel werd genoemd. Maar met de vochtige lucht in het najaar was het voorlopig nog oppassen. Dat heeft Henry James goed gezien; voor de mooie en onschuldige Daisy was het echter te laat. Ze zou nooit meer naar huis gaan.

Aantekeningen

Engelse editie van de novelle in: Henry James, The Turn of the Screw & Daisy Miller, New York: Laurel, 221970, pp. 127-191.

Wikipedia lemma

De Joodse moestuin op de Aventijn

Rozentuin

De weinige keren dat ik de Gemeentelijke Rozentuin op de Aventijn bezocht, viel mij niets bijzonders op. Behalve de plaats. In deze schitterende tuin komt elk jaar een jury bijeen en bekroont in mei de best bevonden nieuwe roos. De internationale wedstrijd “Premio Roma”, viert dit jaar (2010) zijn 68e editie. Van de 89 ingezonden nieuwe rozen kreeg de gele roos van de Japanse kweker Keisei de lauwerkrans. Wie van plan is Rome in het voorjaar het voorjaar te bezoeken, in de maanden april-mei, moet deze rozentuin (roseto) beslist niet overslaan.

Joodse moestuin

Gemeentelijke Rozentuin

Maar aangezien de woorden ‘Joodse moestuin’ in de titel van dit stukje voorkomen, zal ik u niet langer afleiden, want ik wil het hebben over één van de twee voormalige Joodse begraafplaatsen in Rome. De eerste bevond zich buiten de Porta Portese. Het was de oudste begraafplaats. Maar het gaat mij hier om de tweede, die daarna kwam omdat uitbreiding noodzakelijk werd. Dit Joodse kerkhof werd in het jaar 1645 op de Aventijn aangelegd. Het terrein werd met pauselijke dispensatie aangekocht door de Joodse “Compagnia della Carità e della Morte”; volgens de koopakte van 14 september 1645 bedroeg de koopsom 4100 scudi.

Bijnaam

Een opmerkelijk detail wil ik niet achterwege laten: in de christelijke volksmond werd de begraafplaats ook wel “ortaccio” genoemd. “Orto” is het Italiaanse woord voor een afgebakend stukje grond waarop groente wordt verbouwd, een moestuin; de pejorative vorm ‘ortaccio’ staat voor iets als ‘rotte moestuin’. Met hetzelfde doel werd de term “serraglio” gebruikt, in de betekenis van een omheinde ruimte waarin beesten bijeen gedreven waren, die door het publiek bekeken konden worden.

De begraafplaats op de Aventijn werd in de loop van de 18e eeuw (in 1728 en 1775) uitgebreid met aanliggende terreinen. Maar in 1934 werden de stoffelijke resten en de grafzerken overgebracht naar de begraafplaats Verano, een flink deel van de graven werd geruimd. Hoewel de begraafplaats sinds 1645 heeft heeft gefunktioneerd, waren er na deze bijna 300 jaar maar weinig zerken te verhuizen. De reden daarvoor is eenvoudig te achterhalen: het pauselijk verbod uit 1625 om Joodse graven van uiterlijke kenmerken te voorzien werd pas in 1846 afgeschaft.

En zo komen we dan in de twintigste eeuw. De begraafplaats op de Aventijn diende plaats te maken voor de weg die – nu nog – langs het Circus Maximus loopt. Het terrein moest daarom in 1934 aan de Gemeente Rome worden verkocht. In die tijd was Mussolini aan het bewind. De hoogtijdagen van fascistische regiem. De rassenwetten zouden pas enkele jaren later (1938) afgekondigd worden. In de bronnen die ik ken, wordt geen direct verband gelegd tussen de verplaatsing van de graven en het fascisme. De operatie had kennelijk geen andere dan urbanistische motieven.

Gedurende de oorlog werd het terrein werkelijk gebruikt als moestuin; na de oorlog lag het enkele jaren braak; in 1950 kwam de Gemeente Rome met het plan er een rozentuin aan te leggen. De in 1931 op de Oppius gestichtte rozentuin was namelijk in de oorlog verwoest. Nu kwam men met het voorstel het terrein nabij het Circus Maximus voor dat doel te bestemmen. De Romeinse Joodse Gemeenschap ging accoord.

Historicus Attilio Milano

Volgens Attilio Milano, aan wiens boek Il Ghetto di Roma (21988, pp. 259-267.) ik enkele van de bovenstaande notities ontleen, werd degene die tot 1934 in de gelegenheid was deze Joodse laatste rustplaats te bezoeken, “deelgenoot van de weldadige rust die heerste op deze plaats, die was  omringd door schilderachtige cipressen en vanwaar men een koninklijk uitzicht had op de Palatijn en op de Caelius”. (p. 267)

De hedendaagse bezoeker wordt aan de oorspronkelijke bestemming herinnerd door de vorm die de tuin heeft gekregen: de paden waartussen de rozenperken zijn gesitueerd, volgen het patroon van de armen van de Joodse Menoràh. Iets kan men ervan zien op bijgaande foto, maar via Google Maps kunt u een betere indruk krijgen. Tikt u het volgende adres maar in: “via di valle murcia roma”, klik een aantal malen op + om het beeld te vergroten en u ziet de middenschacht en de zesarmige vorm vanzelf verschijnen.