Pasolini in Rome: een onmisbaar woordenboek voor liefhebbers

Pasolini werd op 5 maart 1922 in Bologna geboren, maar woonde vanaf januari 1950 in Rome. In de nacht van 1 op 2 november 1975 werd hij vermoord in Ostia door een jongeman van 17 jaar, Pino Pelosi (1958-2017), die de dichter enige uren daarvoor op het plein van station Termini in zijn Fiat Alfa Romeo had verwelkomd. Een eerste gedetailleerde reconstructie van de laatste uren van de dichter en regisseur vindt men als proloog op de biografie die zijn vriend Enzo Siciliano in 1978 publiceerde. Eén van de recentere reconstructies is de documentaire van de italiaanse historicus Paolo Mieli.

De gids van Dario Pontuale

De schrijver en literatuurcriticus Enzo Siciliano (1934-2006) is één van de zesentwintig personen (zie de lijst aan het einde van deze post) van wie de jonge Romeinse schrijver Dario Pontuale in zijn boek ‘Het Rome van Pasolini: Een stadswoordenboek’ hun relatie met de dichter beschrijft. Iets meer dan de helft van de in totaal 129 lemma’s zijn gewijd aan de plaatsen die in het leven van Pier Paolo Pasolini een belangrijke rol speelden. Het gaat om straten, pleinen, buurten, heuvels en niet te vergeten de bruggen en de twee rivieren, de Tiber en de Aniene. Daarnaast beschrijft Pontuali restaurants, café’s, bioscopen en andere gebouwen. Dan zijn de lemma’s over de films die Pasolini in Rome heeft gemaakt en die over het literaire werk – te beginnen met Ragazzi di vita –  gerelateerd aan plaatsen in Rome.

Film en literaire werken

De auteur bespreekt zes films die in de stad en de omgeving tot stand kwamen:

Accatone
Comizi d’amore
Mamma Roma
Ro.Go.Pa.G
Salò o le 120 giorni di Sodoma
Uccellacci e uccellini.

Pontuali vermeldt een gebeurtenis in de bioscoop Vier Fontijnen, één van de twee die worden besproken en in de straat ligt van dezelfde naam: via Quattro Fontane, een zijstraat van de via Nazionale, in het hart van stad. Het verhaal plaatst ons midden in de politieke kwestie die Pasolini in de Romeinse periode óók is geweest. Na afloop van de première van Mamma Roma op 22 september 1962, wordt de regisseur in de foyer grof uitgescholden door een rechtse student. Pasolini verliest zijn geduld, haalt uit en de jonge fascist gaat tegen de grond. De rechtse pers, altijd tuk om Pasolini aan te pakken, gaat in de aanval en buit het voorval uit. Het was één van de vele honderden agressies, waarvan er 33 uitliepen op een rechtzaak.

De volgende literaire werken krijgen in het boek aandacht:

Alì dagli occhi azzurri
La religione del mio tempo
Le cenere di Gramsci
Petrolio
Poesia in forma di rosa
Ragazzi di vita
Una vita violenta.

Een voorbeeld

De tekst van het lemma ‘De as van Gramsci’ geeft een idee van Pontuali’s werkwijze:

Voordat de elf korte gedichten werden gebundeld en door uitgeverij Garzanti in 1957 gepubliceerd als De as van Gramsci, waren ze in het jaar daarvoor verschenen in het tijdschrift Nuovi Argomenti, dat was opgericht door Alberto Carocci en Alberto Moravia, naar het voorbeeld van Sartre’s Les Temps Modernes. Elsa Morante had de gedichten in manuscript gelezen en Moravia liep warm voor de publicatie in het tijdschrift dat tot dan toe alleen essays had geplaatst.

Het eerbetoon aan Antonio Gramsci wordt gerechtvaardigd door de politieke affiniteit met de dichter en diens oprechte interesse voor linguïstische en culturele randgebieden, maar vooral door de overtuiging van het belang van een ‘nationale volksliteratuur’. In de bundel – die uitkwam na de gebeurtenissen in Hongarije – wisselen autobiografische elementen, overdenkingen van ideologische aard, intellectuele aspecten, artistieke ideeën en politieke overwegingen elkaar af. Het zijn de coördinaten voor een schets van een nederig, spontaan en kaalgeslagen naoorlogs Italië, dat wordt doorkruist door een groeiend aantal conflicten en een onderhuidse onrust. Het taalgebruik is vernieuwend en krachtig, hoopvol en wanhopig, levend en brutaal, verheven en volks, en krijgt vorm in terzinen van elflettergrepige verzen, die doen denken aan Pascoli en Dante. De verzen zijn onregelmatig door het gebruik van imperfect rijm en de frequente aanwending van enjambements.

Dit zijn de stylistische elementen, die deze poëzie opstuwen tot ongekende hoogten. Op 16 december 1958, tijdens een gesprek met de journalist Roberto De Monticelli, verklaart Pasolini: ‘Mijn poëzie verschilt van die van de twintigste eeuw: ‘Zij vervangt het onlogische met het analogische, het probleem met de genade.’ De criticus Carlo Salinari karakteriseert de gedichten als ‘De eerste werkelijk belangrijke bundel van de nieuwe generatie.’ In een brief aan de auteur schrijft Livio Garzanti spijtig: ‘Uw boek is goed verkocht, maar ik heb de domheid begaan er slechts vijftienhonderd te laten drukken. Ik heb nu de opdracht gegeven voor een herdruk, want het is in deze dagen opgeraakt.’ (pp. 78-80.)

De namen in vet verwijzen naar een lemma elders in het boek. Op die manier komt  een dicht netwerk van nuttige cross-references tot stand. De gegevens over de wijken in de stad waarin Pasolini heeft gewoond, over de personen met wie hij bevriend was en over degenen met wie hij samenwerkte, maken het boek van Pontuale tot een waardevol instrument voor lezers en onderzoekers van Pasolini’s werk. Het zou ook kunnen dienen als een handleiding voor hen die een ‘pelgrimstocht’ naar het Pasoliniaanse Rome willen ondernemen. De plattegronden die in het boek zijn opgenomen, helpen daarbij.

Romeinse borgate

Wie naar de plaatsen op zoek gaat, krijgt te maken met de Romeinse ‘borgate’ (enkelvoud ‘borgata’). Die waren zeer belangrijk voor Pasolini. Cyrille Offermans gebruikt in De Groene Amsterdammer van 4 juli 2012 de term ‘sloppenwijken’, maar uit het 

Borgata Gordiani

boek van Pontuali blijkt dat dit woord slechts in een heel beperkt aantal gevallen van toepassing is. Ik vond op een website (www.romasparita.eu) een foto van de wijk Gordiani uit het begin van de jaren vijftig.  Op de voorgrond een stuk van een sloppenwijk, op de achtergrond de wijk met flatgebouwen waarvoor ook nu nog de term ‘borgata’ gangbaar is.

Portuali citeert Pasolini, die in 1958 schrijft: ‘De ‘borgata’ is een typisch Romeins verschijnsel, aangezien Rome de hoofdstad was van de fascistische staat. Het is waar, dat ook vandaag nog ‘borgate’ ontstaan, maar die zou men ‘vrije borgate’ kunnen noemen: grillige groepen huisjes van één of twee verdiepingen, zonder dak, jarenlang zonder lijstwerk, ongeschilderd, kalkwit glinsterend in de zon, veraf op het aan zijn lot overgelaten platteland, lijkend op bedoeïenendorpen.’ (p. 57) Dit lijkt een ietwat geromantiseerd beeld van een keiharde werkelijkheid die varieerde van schrijnende armoede en verpaupering in sommige delen van de stadsperiferie tot de enorme naoorlogse woonwijken die in de jaren zestig en zeventig niet zelden aan hun lot werden overgelaten.

Grote wijken als Torbellamonica hebben ook vandaag te maken met ernstige sociale problemen, maar een vergelijking met de jaren vijftig of met de omstandigheden van vóór de oorlog, is niet correct. De sloop- en bouwplannen van Benito Mussolini verdreven in die tijd vele duizenden bewoners uit het centrum, die vervolgens in buitengewoon slechte behuizingen ‘buiten’ de stad werden ondergebracht. In de loop van de jaren vijftig was het aantal ‘borgate’ uitgegroeid tot een dozijn. Portuali bespreekt de vijf die in het werk van Pasolini een rol spelen: Gordiani, Pietralata, Rebibbia, Tiburtina III en de wijk Trullo. Het waren ook de wijken waar de ‘antropoloog’ en de in het Romeinse dialect geïnteresseerde Pasolini op zoek ging naar zijn materiaal en personages.

Het boek, een soort kleine Pasolini encyclopedie, bevat ruim zeventig z/w afbeeldingen, een overzicht van de gebruikte websites en een bibliografie. Ondanks de ontbrekende namenindex, een pijnlijke omissie, een must voor Pasolini-lezers.

Aantekeningen

Dario Pontuale, La Roma di Pasolini. Dizionario urbano, Nova Delphi, Rome, 20182.
Enzo Siciliano, Vita di Pasolini, Introduzione di Angelo Romanò. Nuova edizione. Rizzoli, Milaan 19812.
De gunstige bespreking van de vertaling van De as van Gramsci van Luc Devoldere door Cyrille Offermans heeft als titel: ‘Dichter van de zwijnenstal’. Merkwaardig, want het zou de vertaling moeten zijn van ‘Poeta della porcata’, terwijl ‘zwijnenstal’ in het Italiaans ‘porcile’ is. Pasolini schreef trouwens een theaterstuk  met de titel Porcile (1966), maar dit terzijde. Ik ken de vertaling van Devoldere niet, maar als Offermans goed heeft geciteerd, dan ben ik er niet gerust op.

De namen van de personen aan wie in het boek een lemma wordt gewijd:

(De  achternaam is gelinkt naar een Nederlandse wikipedia-pagina.)

Giorgio Bassani (1916-2000)
Dario Bellezza (1944-1996)
Attilio Bertolucci (1911-2000)
Bernardo Bertolucci (1940-2018)
Laura Betti (1927-2004)
Giorgio Caproni (1912-1990)
Vincenzo Cerami (1940-2013)
Franco Citti (1935-2016)
Sergio Citti (1933-2005)
Ninetto Davoli (1948-)
Federico Fellini (1920-1993)
Franco Fortini (1917-1994)
Carlo Emilio Gadda (1893-1973)
Livio Garzanti (1921-2015)
Renato Guttoso (1911-1987)
Anna Magnani (1908-1973)
Dacia Maraini (1936-)
Elsa Morante (1912-1985)
Alberto Moravia (1907-1990)
Renzo Paris (1944-)
Silvio Parrello (1942-)
Pino (Giuseppe) Pelosi (1958-2017)
Sandro Penna (1906-1977)
Enzo Siciliano (1934-2006)
Totò (1898-1967)

Het Colosseum van de kunstenaar Scipione

Ongewone afbeeldingen van het Colosseum vindt men slechts bij toeval, in moeilijk toegankelijke archieven en in ‘onvindbare’ publicaties. Op zondag 11 maart jongstleden kreeg ik een aantal boeken toegestopt waaronder een katalogus waarin de tekeningen van de kunstenaar ‘Scipione’  bijeen zijn gebracht.  Scipione was het pseudoniem van Gino Bonichi die in 1904 in Macerata werd geboren en 29 jaar oud aan tuberculose in Rome overleed.  Scipione was beeldend kunstenaar maar schreef ook verzen. Hij was onder meer bevriend met de letteraat Enrico Falqui en de dichter Giuseppe Ungaretti. Hij behoorde tot de eerste generatie kunstenaars van de Scuola romana.

De hier gereproduceerde tekening van Scipione stamt uit 1930 en is  bijzonder omdat de oostelijke kant van het monument wordt afgebeeld.

Het Colosseum, ca. 1930. 26 x 33 cm.

De meeste afbeeldingen zijn van de west en zuidzijde van het gebouw en zijn omgeving. Voor een juist begrip: de westzijde is waar de kassa’s en de ingang zijn. De triomfboog van Constantijn staat ook aan deze kant. De zuidkant is waar men het monument verlaat.  De kunstenaar heeft de omgeving van het monument in een onbestemd landschap veranderd. Volgens getuigenissen van tijdgenoten tekende Scipione onafgebroken, obsessief. Hier gaat het om een gewassen inkt tekening.

Ter vergelijking een foto van het Colosseum waarop men de situatie in 1935 kan zien vanuit ongeveer dezelfde gezichtshoek. Het traject van de tram is in de loop

Het Colosseum in 1935.

van tachtig jaar niet of nauwelijks veranderd. De tram ter rechterzijde is op weg links af te slaan, in de richting van Caelius, om uit te komen bij het Circus Maximus. De huizen links bestaan niet meer. Ze werden in 1936-37 gesloopt om plaats te maken voor een nieuw gebouw. Bij die werkzaamheden kwamen de resten van één van de gladiatorenscholen aan het licht. Men kan er nu in de diepte de archeologische opgravingen bewonderenvan de Ludus Magnus. Aan de rechterkant ziet men nog net een stukje van de Colle Oppio. De andere tram rijdt verder op de via Labicana in de richting van het plein San Giovanni, waar zich de Sint-Jan van Lateranen bevindt.

Het Colosseum, 1931. 35 x 42 cm.

De tekening van Scipione is een studie voor het schilderij dat hij in 1931-1932 had voltooid en dat hier links wordt afgebeeld.

Het behoort tot de vijf beroemde ‘vedute’ (panorama’s) op de eeuwige stad: Piazza Navona, Piazza del Laterano, Ponte degli Angeli – Engelenbrug – en La via che porta a San Pietro.

Het laatste schilderij (titel vertaald: ‘De straat naar de Sint-Pieter’) en ‘Het Colosseum’, laten een stukje van de stad zien voor de ‘stadsvernieuwer’ Benito Mussolini er de pikhouweel opzette (zie de foto’s op het web). Niet toevallig had de Duce de bijnaam ‘de grote pikhouweel’ gekregen, nadat hij in oktober 1936 met een slag

La spina di Borgo, Roma, 1936.

van zijn houweel  (‘piccone’) het startsein had gegeven voor de sloop vande middeleeuwse gebouwen die stonden op de plaats waar in de loop van 1937 de via della Conciliazione zou worden voltooid.

Maar toen was de  schilder Scipione al overleden.

Nota

Giuseppe Appella, Scipione. 306 disegni, Edizioni della Cometa, Rome, 1984, p. 194.

Valerio Rivosecchi, “Scipione”. Zie het hoofdstuk in: Netta Vespignani (red.), Nove maestri della Scuola Romana: Donghi, Fazzini, Ferrazzi, Mafai, Pirandello, Raphaël, Scipione, Trombadori, Ziveri, SEAT, Turijn, 1992, pp. 152-185.

De paus en de dichter over grenzen in Europa

Met zijn korte bezoek aan de op het Griekse eiland Lesbos geblokkeerde vluchtelingen heeft paus Franciscus een niet mis te verstane boodschap bij de Europese politieke leiders willen deponeren. Al eerder heeft hij tegen ‘het bouwen van muren’ geageerd, maar tegen het groeiende nationalisme is zo te zien geen kruid gewassen. Hoe hoger de nood hoe meer men zich terug trekt op eigen erf.

Ik moest denken aan wat er in 1938 gebeurde na wat de geschiedenis is ingegaan als de Kristallnacht: de ‘progrom’ in Duitsland in de nacht van 9 november. De dagen erna steeg de behoefte bij vele Duitse Joden de grens te overschrijden om in Nederland een veilig onderkomen te zoeken of eventueel door te reizen. Het antwoord van de Nederlandse regering liet niet op zich wachten. Solidariteit? Vergeet het maar. Men sloot de grenzen. Onder sterke druk vanuit de bevolking kwam er weer wat rek in het beleid van toelating.

Enkele jaren voor zijn dood op 8 maart 1937 schreef de dichter Albert Verwey het gedicht “Tot de sluiters van grenzen”. Hij was van de politieke situatie in Duitsland goed op de hoogte. Dit is de eerste strofe:

Omdat gij andre talen spreekt
En muren om uw staten bouwt
En op uw sterk geweld betrouwt,
Waan daarom niet
Dat ge mijn orde breekt:
Want de aarde is mijne en tot het verst verschiet
Draag ik mijn woorden
Van Zuid naar Noorden,
Van Oost naar Westen
Vrij als de wind:
Talen noch vesten
Kunnen mij tarten
Die alle harten
Doordring en bind. […]

Het volledige gedicht kunt u hier bekijken, ik citeer de negende strofe van acht verzen die het gedicht besluiten.

Open uw grenzen.
Doe al uw dwaasheid weg.
Voeg u als bescheiden mensen
In het gemeenzaam overleg.
Wij zullen de aarde bouwen
Met u, met allen.
Laat dan uw bijlen in de stammen houwen
Van haat en bijgeloof, zodat zij vallen.

Na bijna tachtig jaar zijn het woorden om opnieuw te lezen en te overdenken. De opgejaagden zijn anderen, zij komen uit landen met andere tradities en culturen, maar de haat en het bijgeloof lijken in het tolerant geheten Europa onverminderd krachtig de ‘sluiters van grenzen’ wind in de zeilen te blazen.

 

Een woordenboek uit 1672

Op donderdagmiddag 20 februari om 17.30 uur wordt op het Koninklijk Nederlands Instituut te Rome de heruitgave van het eerste Italiaans-Nederlandse woordenboek gepresenteerd. De editie werd bezorgd door Vincenzo Lo Cascio.

Het programma is als volgt. Na de begroeting door Francesco Azzarello (De Italiaanse Ambassadeur in Nederland) komen de volgende sprekers aan het woord:
Tullio De Mauro (La Sapienza Università di Roma, Accademia dei Lincei)
Harald Hendrix (Koninklijk Nederlands Instituut te Rome)
Raffaele Simone (Università degli Studi Roma Tre)
Slotwoord door Vincenzo Lo Cascio (Universiteit van Amsterdam)
De voertaal is Italiaans.

Mocht u in de buurt zijn en de bijeenkomst willen bijwonen, dan graag een berichtje.
Info & r.s.v.p.: info@knir.it

Download de Italiaanse uitnodiging hier.

Daisy Miller in het Colosseum

De gedachte aan de smartelijke dood van Daisy Miller heeft mij nooit met rust gelaten. Zij werd geveld door hevige koortsen en stierf binnen twee weken. Zij had malaria opgelopen tijdens een bezoek aan het Colosseum op een door het maanlicht overgoten avond. Ze had zich erg op dit bezoek verheugd. “I was bound to see the Colosseum by moonlight; I shouldn’t have wanted to go home without that.”

Het Colosseum na 1807

De jongedame Daisy Miller is de hoofdpersoon uit de gelijknamige en beroemde novelle (1878) van Henry James. Het verhaal kan zo worden samengevat. De Amerikaanse Daisy Miller maakt met haar verlegen moeder en intelligente maar onuitstaanbare broertje Randolph een reis door Europa. De familie is rijk, maar van onbetekenende burgerlijke afkomst. Zij verblijft eerst in Vevay (Zwitserland), waar Daisy kennis maakt en vriendschap sluit met een landgenoot, de jonge notabele  Winterbourne, en reist dan verder naar Rome om er de wintermaanden door te brengen. Daisy verheugt zich erop deel te nemen aan het ‘society’-leven in de eeuwige stad. Het weinig conventionele gedrag van de jonge en knappe Amerikaanse veroorzaakt echter een schandaal en haar laconieke weigering zich in het gareel te voegen, leidt tot haar isolatie: ze ontvangt geen uitnodigingen meer voor soirees en diners… Het lijkt haar niet te deren. Haar vriendschappelijke relatie met de Italiaan Mr Giovanelli lijdt er niet onder. Integendeel. Gaandeweg bekoelt ook de verhouding met de jonge Winterbourne, die zij volgens afspraak in Rome opnieuw heeft ontmoet. Het bezoek aan het Colosseum, dat de kroon op haar verblijf in Rome moest worden, wordt fataal. Ze loopt er malaria op, sterft nauwelijks twee weken later en wordt begraven op de beroemde Romeinse begraafplaats voor niet-katholieken bij de Piramide.

De novelle heeft bij mij altijd vragen opgeroepen. Hier zij er enkele. Waarom moest Daisy zo meedogenloos gestraft worden voor haar – in die tijd – onconventionele, maar onschuldige gedrag? En waarom heeft James het Colosseum in de novelle als locatie gebruikt? En hoe zat het nu precies met de ziekte die Daisy daar opliep?

In dit stukje ga ik alleen in op deze laatste kwestie. Een paar dagen geleden kreeg ik de literaire antologie van Patrick Lateur weer onder ogen (P. Lateur, Alle schrijvers leiden naar Rome, 22000, p. 69-72 – zie afbeelding). Hij citeert de beroemde Colosseum-scène. Lateur schrijft ter toelichting: “Haar tragische einde, ten gevolge van de Romeinse koorts die zij opliep tijdens een afspraak met Giovanelli in het vochtige Colosseum, vormt ook het slot van een beklemmende novelle.” (Idem, p. 69) Het gaat mij in deze zin om twee punten: “Romeinse koorts” en “het vochtige Colosseum”. Wij kunnen geen van beide elementen nog aantreffen in het hedendaagse Rome. Het Colosseum is nu alleen nog maar vochtig als het regent. Anders is er in de wijde omtrek geen druppel water aan te treffen, behalve de peperdure plastic flesjes met een half litertje mineraalwater. En onder Romeinse koorts kan men allerlei verstaan, maar zeker niet de ziekte malaria.

Laten we eens zien wat er aan de hand is. In het Italiaans sprak men van “paludismo” of “febbre romana”. De eerste term duidde op het geloof dat de sinds mensenheugenis bekende ziekte werd veroorzaakt door de moerassige (moeras = palude) omgeving. De tweede term impliceert dat de ziekte al in het Romeinse Rijk werd aangetroffen. Ze werd overigens met succes werd bestreden met een politiek van droogleggingen. Met het verval van het Romeinse Rijk viel ook dit beleid weg, en dat gaf in de eeuwen daarna ruim baan aan de ziekte. Aan het begin van de negentiende eeuw bij voorbeeld, eiste zij om en nabij 15.000 slachtoffers per jaar. Pas in 1898 werd door Giovan Battista Grassi het verband gelegd tussen de vele slachtoffers van de malaria en de muggen die frequent voorkwamen in de moerrassige gebieden van de campagna romana, de uitgestrekte landelijke gebieden rond Rome.

De besmetting ging zo in zijn werk: een mug (femmina) wordt besmet door bloed in te nemen van een mens die malaria heeft. De mug wordt op haar beurt een draagster van malaria en besmet vervolgens een ander mens door hem of haar te steken.

Nu we over deze kennis beschikken, kunnen we beter begrijpen wat er tijdens Daisy’s bezoek aan het Colosseum moet zijn gebeurd. Zij werd gestoken door een mug die drager (besmet) was van de ziekte. In de novelle wordt over muggen (en dat spreekt vanzelf) niet gerept. Wèl over de Romeinse koorts. Daisy zegt immers op een wat eigenaardige toon tegen Winterbourne: “I don’t care whether I have Roman fever or not.” Men wist in de tijd van James nog niets van muggen als dragers van malaria. De slechte lucht – letterlijk: “mal aria” in het Italiaans – werd als oorzaak van de ziekte beschouwd. Het causale verband tussen mug–malaria werd, zoals we hierboven zagen, pas in 1898 door Grassi gelegd. Dit is een belangrijk element, omdat de hedendaagse lezer er een mysterieus tintje mee krijgt aangereikt. Voor ons is het causale verband zo vanzelfsprekend dat we er niet bij stil staan.

Ook de vochtige lucht kan betrekkelijk eenvoudig worden verklaard. Het Colosseum werd immers gebouwd in het dal tussen de heuvels Velia, Palatijn, Caelius en Oppius op de plaats waar eens het meer lag waaromheen Nero in de tweede helft van de eerste eeuw zijn Gouden Huis had laten bouwen. In dit notoir laag gelegen gebied kon het ook in de 19e eeuw nog bijzonder vochtig zijn, met name in het najaar en in de winters waarin de temperaturen zelden onder het vriespunt daalden. Men kon het Colosseum in de 19e eeuw vrij in en uit lopen.

In 1807 was de restauratie van Raffaele Stern klaar en kon men het gebouw opnieuw veilig betreden. Met het aanbrengen van de steunberen was tenminste het verval van het antieke gebouw tot staan gebracht. Het had immers zeer geleden onder de aardbeving van 1806, om van de eeuwenlange plundering van het marmer en bouwsteen maar te zwijgen.  Men kon opnieuw genieten van het ook toen al zeer beroemde ‘fragment der oudheid’, zoals het Colosseum ook wel werd genoemd. Maar met de vochtige lucht in het najaar was het voorlopig nog oppassen. Dat heeft Henry James goed gezien; voor de mooie en onschuldige Daisy was het echter te laat. Ze zou nooit meer naar huis gaan.

Engelse editie van de novelle in: Henry James, The Turn of the Screw & Daisy Miller, New York: Laurel, 221970, pp.127-191. Er is ook een lemma in de Wikipedia.

De Joodse moestuin op de Aventijn

De weinige keren dat ik de Gemeentelijke rozentuin op de Aventijn heb bezocht, was mij niets bijzonders opgevallen; behalve de plaats. Elk jaar wordt in mei in deze schitterend gelegen tuin de best bevonden nieuwe roos bekroond. De internationale wedstrijd “Premio Roma”, is dit jaar (2010) aan de 68e editie gekomen. Van de 89 ingezonden nieuwe rozen werd de gele roos van de Japanse kweker Keisei gelauwerd. Wie van plan is Rome in het voorjaar het voorjaar te bezoeken, in de maanden april-mei, moet deze rozentuin (roseto) beslist niet overslaan.

Gemeentelijke Rozentuin

Maar aangezien de woorden ‘Joodse moestuin’ in de titel van dit stukje voorkomen, zal ik u niet langer afleiden, want ik wilde het hebben over één van de twee voormalige Joodse begraafplaatsen in Rome. De eerste bevond zich buiten de Porta Portese. Het was de oudste begraafplaats. Maar het gaat mij hier om de tweede, die daarna kwam omdat uitbreiding noodzakelijk werd. Dit Joodse kerkhof werd in het jaar 1645 op de Aventijn aangelegd. Het terrein werd met pauselijke dispensatie aangekocht door de Joodse “Compagnia della Carità e della Morte”; volgens de koopakte van 14 september 1645 bedroeg de koopsom 4100 scudi.

Een opmerkelijk detail wil ik niet achterwege laten: in de christelijke volksmond werd de begraafplaats ook wel “ortaccio” genoemd. “Orto” is het Italiaanse woord voor een afgebakend stukje grond waarop groente wordt verbouwd, een moestuin; de pejorative vorm ‘ortaccio’ staat voor iets als ‘rotte moestuin’. Met hetzelfde doel werd de term “serraglio” gebruikt, in de betekenis van een omheinde ruimte waarin beesten bijeen gedreven waren, die door het publiek bekeken konden worden.

De begraafplaats op de Aventijn werd in de loop van de 18e eeuw (in 1728 en 1775) uitgebreid met aanliggende terreinen. Maar in 1934 werden de stoffelijke resten en de grafzerken overgebracht naar de begraafplaats Verano, een flink deel van de graven werd geruimd. Hoewel de begraafplaats sinds 1645 heeft heeft gefunktioneerd, waren er na deze bijna 300 jaar maar weinig zerken te verhuizen. De reden daarvoor is eenvoudig te achterhalen: het pauselijk verbod uit 1625 om Joodse graven van uiterlijke kenmerken te voorzien werd pas in 1846 afgeschaft.

En zo komen we dan in de twintigste eeuw. De begraafplaats op de Aventijn diende plaats te maken voor de weg die – nu nog – langs het Circus Maximus loopt. Het terrein moest daarom in 1934 aan de Gemeente Rome worden verkocht. In die tijd was Mussolini aan het bewind. De hoogtijdagen van fascistische regiem. De rassenwetten zouden pas enkele jaren later (1938) afgekondigd worden. In de bronnen die ik ken, wordt geen direct verband gelegd tussen de verplaatsing van de graven en het fascisme. De operatie had kennelijk geen andere dan urbanistische motieven.

Gedurende de oorlog werd het terrein werkelijk gebruikt als moestuin; na de oorlog lag het enkele jaren braak; in 1950 kwam de Gemeente Rome met het plan er een rozentuin aan te leggen. De in 1931 op de Oppius gestichtte rozentuin was namelijk in de oorlog verwoest. Nu kwam men met het voorstel het terrein nabij het Circus Maximus voor dat doel te bestemmen. De Romeinse Joodse Gemeenschap ging accoord.

Volgens Attilio Milano, aan wiens boek Il Ghetto di Roma (21988, pp. 259-267.) ik enkele van de bovenstaande notities ontleen, werd degene die tot 1934 in de gelegenheid was deze Joodse laatste rustplaats te bezoeken, “deelgenoot van de weldadige rust die heerste op deze plaats, die was  omringd door schilderachtige cipressen en vanwaar men een koninklijk uitzicht had op de Palatijn en op de Caelius”. (p. 267)

De hedendaagse bezoeker wordt aan de oorspronkelijke bestemming herinnerd door de vorm die de tuin heeft gekregen: de paden waartussen de rozenperken zijn gesitueerd, volgen het patroon van de armen van de Joodse Menoràh. Iets kan men ervan zien op bijgaande foto, maar via Google Maps kunt u een betere indruk krijgen. Tikt u het volgende adres maar in: “via di valle murcia roma”, klik een aantal malen op + om het beeld te vergroten en u ziet de middenschacht en de zesarmige vorm vanzelf verschijnen.