Vrouwenmoord. Een verhaal van Federigo Tozzi

In de nalatenschap van de Italiaanse schrijver Federigo Tozzi (1883-1920) vond men de opzet van een kort verhaal over het thema vrouwenmoord. Tozzi’s zoon Glauco nam het op in de verzamelde novellen. De door hem bezorgde uitgave verscheen in 1963 en hij gaf er ook de titel aan.

Een bericht in de krant

De trein snelde voort en de lust om te huilen werd groter. Bij het coupéraam de twee geliefden. Zij zat en hij stond, zodat ze konden praten zonder dat iemand het hoorde. Zij fluisterde in zijn oor en haar woorden hadden op hem hetzelfde effect als haar haar, dat hem licht beroerde.
Met een verterende hartstocht nam hij haar op. Hij ging tegenover haar zitten, haalde de dienstregeling uit zijn zak en schreef met potlood in de marge van de kaft: ‘Als je niet meer van me houdt, breng ik mezelf om!’ – Hij liet het haar lezen.
Terwijl zij het las, keek hij naar haar en voelde de drang om vóór haar neer te knielen en haar handen te kussen.
Ze keek niet meteen naar hem op. Toen zag zij hem recht in de ogen, met tederheid en liefde.
– Waarom heb je dat geschreven?
– Omdat ik van je houd.
Ze voelden hun lichamen trillen.
Na een korte stop bij een station was de coupé voller geworden. Ze voelden zich  opgesloten tussen al die mensen en waren geïrriteerd en gek van verlangen om met zijn tweetjes te zijn.
– Ik wil bij jou zijn, ik ga niet meer van je weg.
De wind drapeerde de lange rode sjaal van Louise’s hoed over beider schouders. Hij kwam erdoor in een roes en voelde een onuitsprekelijk verlangen om ook de sjaal te kussen. Haar ogen werden groot en haar oogleden rond.
Plotseling trok hij zijn revolver, en terwijl Louise haar hoofd nog gebogen hield, haalde hij, als vervuld van woede en haat, de trekker over. Hij schoot drie keer, één schot midden in haar voorhoofd, want zij had haar hoofd naar hem opgeheven.
Ze zakte in elkaar. Hij kuste haar wonden, warm van het eruitgutsende bloed. Toen dacht hij aan zichzelf.
Hij is niet dood.

 

De put van de krokodil: een Napolitaanse legende naverteld door Benedetto Croce

Onder het Nieuwe Kasteel in Napels bevond zich een donkere, vochtige ruimte waarin streng gestrafte gevangenen werden opgesloten. Tot ieders verbazing bleek op een dag dat zij waren verdwenen. Waren ze gevlucht? Hoe was dat nu toch mogelijk? Toen men een nieuwe gevangene in het onderaardse gewelf ging opsluiten, werd ook het toezicht verbeterd. Kort daarop zag men een overwacht en vreselijk schouwspel. Door een aan het oog onttrokken opening onder het niveau van het zeewater zwom een monsterlijk grote krokodil de ruimte onder het kasteel binnen. Met zijn bek sleepte het beest de gevangene aan zijn benen naar buiten en verslond zijn slachtoffer in open zee. Men vermoedde dat de krokodil uit Egypte in het vaarwater van een vrachtschip was meegezwommen. Vanaf dat moment liet men in de put de ter dood veroordeelden neer en de krokodil, in dienst van de justitie, voerde de vonnissen uit. Dat ging voort tot men op een dag besloot om zich van de   gevaarlijke bezoeker te ontdoen. Op een scheepsanker bond men de heup van een paard en met dit malse aas werd de krokodil gevangen. Het karkas van het gedode monster werd opgevuld met stro en in één van de poorten van het Nieuwe Kasteel gehangen. Men kon het beest tot voor veertig jaar terug nog hoog in de tweede toegangspoort zien bengelen, aangewezen door angstige kindervingers.

Ook al spraken de mensen altijd over ‘de put van de krokodil’, niemand kon zeggen waar hij precies was. Misschien was het dezelfde kelder waarin Tommaso Campanella opgesloten had gezeten. Bij de laatste verbouwing van het kasteel werd de krokodil ergens opgeslagen of weggegooid. Het is zeker niet de krokodil die in de Egypte-afdeling van het Nationaal Museum te zien is, want dat exemplaar komt ergens anders vandaan. Gaetano Amalfi heeft laten zien dat het motief in deze legende kan worden aangetroffen in talloze andere verhalen en literaturen: een gevangene die, levend of in stukken gehakt, wordt gevoerd aan krokodillen, slangen of andere brute beesten. Hier is de legende aangepast en geplaatst in het Nieuwe Kasteel in Napels, dat in zijn geheime ruimten ook de baronnen liet verdwijnen, die het hadden aangedurfd tegen koning Ferrante in verzet te komen.

Toelichting

In de voorlaatste zin schrijft Benedetto Croce dat Gaetano Amalfi (1855-1928) zich had gebogen over het literaire motief, uitgewerkte in het verhaal, om de wijde verbreidheid ervan aan te tonen. Croce vermeldt niet dat hij Amalfi’s tekst uit 1895 bijna volledig heeft benut voor het schrijven van zijn tekst in de vorm van een verhaal. Croce publiceerde de legende van de  krokodil in 1919 in een bundel met de titel ‘Napolitaanse verhalen en legenden’ [Storie e leggende napoletane] bij een Napolitaanse uitgever. Croce’s naam was toen al nationaal gevestigd, terwijl de beroepsjurist en amateur letteraat Amalfi slechts op locale faam kon bogen.

Croce was niet vreemd aan het navertellen van volksverhalen of legenden. Zeer bekend is zijn ‘vertaling’ uit het zeventiende eeuwse Napolitaans van verhalen uit de Pentamerome van Giambattista Basile. Deze verzameling volksverhalen, die werden opgetekend door Basile uit de monden van zijn tijdgenoten,  zag postuum het licht in 1634-36 onder de titel ‘De fabel van de fabels’ [Lo cunto de li cunti]. Uit het artikel van Amalfi blijkt verder, dat hij verschillende van zijn stadsgenoten aan het woord had gelaten om zijn materiaal te verzamelen. Croce was daarentegen een studeerkamer geleerde en gebruikte gedrukte bronnen.

Noot.

Een nijlkrokodil kan wel vier tot vijf meter lang worden en jaarlijks vallen honderden mensen ten prooi aan zijn scherpe tanden. Dit aspect van de legende berust of feiten. De rest van het verhaal stamt uit de traditie van de Napolitaanse folklore.

 

Een Literaire prijs voor schrijvende vrouwen, uitgereikt in het Vrouwenhuis in Rome

In de namiddag van zaterdag 1 december 2018 werden in een historisch gebouw in Rome de prijzen (geen geld) uitgereikt aan de winnaressen van de XIX editie van ‘Scrittura femminile’, letterlijk: het schrijven van vrouwen. De wedstrijd wordt jaarlijks georganiseerd door twee verenigingen: il Paese delle Donne (opgericht in 1985) en Donna e Poesia (opgericht in 1975).

Bij de prijsuitreiking was ik aanwezig, omdat Antonella Fimiani, één van de autrices van onze uitgeverij Apeiron Editori, voor haar boek Etty Hillesum: Donna della parola was uitgekozen in de sectie essayïstiek. Fimiani’s boek kreeg geen prijs, maar een ‘eervolle vermelding’: ze was de eerste op de lijst van vier, kreeg een mooi certificaat uitgereikt en gelegenheid voor een dankwoord en enige opmerkingen over haar boek.

Ik zou wat ze vertelde zo willen samenvatten: in dit boek onderzoekt zij het verband tussen het schrijven en het bestaan. Zij volgt de ontwikkelingen in Hillesums schrijven, eerst de dagboeken die in Amsterdam werden geschreven en vervolgens in de brieven uit Westerbork. Via een analyse van de artistieke relatie met de poëzie van Rainer Maria Rilke onderzoekt Fimiani Hillesums teksten in hun oorspronkelijke band met de literaire creatie én als geschreven uitdrukking van de getuigenis. Het denken van Hillesum wordt in verband gebracht met Hannah Arendt, met Primo Levi, Robert Antelme, Elie Wiesel e Jean Améry. Uit de dialoog met het werk van deze auteurs blijkt de diepgang van Hillesums werk, dat op de kernvragen van de naoorlogse literatuur vooruit loopt.

Het was overigens niet de eerste keer dat Etty Hillesum in het Romeinse vrouwenhuis werd verwelkomt. Op 10 november 2011 werd in dezelfde zaal het boek Amicizia, ammirazione, mistica, van Ria van den Brandt gepresenteerd.

Iets over het historische gebouw: Het internationale vrouwenhuis – La casa internazionale delle donne. Het complex met de aangrenzende kerk was een klooster: de Goede Herder genaamd. Het was een tehuis voor de heropvoeding van in kerkelijke ogen ‘zondige vrouwen’ en actief vanaf het einde van de 16e eeuw. Aan die bestemming kwam na de Tweede Wereldoorlog een eind en tussen 1950 en 1970 werd het gebouw gebruikt als gevangenis voor vrouwen die kleine misdaden hadden gepleegd. Na een decennium als centrum voor opvang van minderjarigen en hulpverlening aan ouderen te hebben gediend, werd het in de jaren tachtig het Romeinse Vrouwenhuis. In 1985 besloot het gemeentebestuur dat het complex voortaan aan de Romeinse feministische beweging onderdak zou geven.

Eén van de drijvende krachten achter deze literatuurprijs voor vrouwen is Maria Paola Fiorensoli. In haar boek ‘De stad van de eeuwige Godin’ (La città della Dea perenna, 1999) vertelt zij de lange voorgeschiedenis van het gebouw en zijn inwoners, dat vanaf de jaren tachtig in de 20e eeuw verandert in het bruisende centrum van de Romeinse feministische beweging.

Noot:
Er bestaat geen Nederlandse editie van Antonella Fimiani’s boek, noch van het genoemde boek van Ria van den Brandt.
Hier de link naar Fimiani’s Facebook pagina.

De slapende oude vrouw. Een gedicht van Aldo Palazzeschi

De slapende oude vrouw

De oude vrouw is honderd.
Niemand zag haar daags op straat.
Men vindt haar vaak slapend
dicht bij de fontijn.
Niemand maakt haar wakker.
Het zachte geluid van ‘t water
wiegt haar in slaap,
en ze blijft slapen bij ‘t trage geluid
der dagen der dagen der dagen.

 

Een fontijn in een dorp ergens in Italië.

Het woord dat wellicht enige toelichting behoeft is ‘fontijn’, de vertaling van ‘fonti’, letterlijk bronnen. Op het Italiaanse platteland waren aan het begin van de twintigste eeuw de ontelbare fontijnen niet alleen belangrijk voor het beschikbaar maken van het water dat uit een bron kwam, maar het was ook een plaats waar men elkaar dagelijks kon ontmoetten. Het drinkwater moest immers elke dag gehaald worden, want stromend water in de dorpswoningen was toen nagenoeg afwezig. U vindt hier een pdf met de Italiaanse versie La vecchia del sonno.

 

Noot
Uit: I cavalli bianchi (De schimmels), Florence: Cesare Blanc, 1905.
Dit was de eerste dichtbundel van Palazzeschi. Hij gaf hem uit in eigen beheer en koos als naam voor de ‘uitgeverij’ die van zijn kat Cesare Blanc.

De bibliotheek van Pasolini in één boek

Eind december 2017 verscheen bij de Florentijnse uitgeverij Olschki een fraai boekwerk waarin de bibliografische gegevens van de bibliotheek van Pier Paolo Pasolini zijn opgetekend. Het gaat om de bijna 3000 boeken die na zijn gewelddadige dood, in de nacht van 1 november 1975, in zijn Romeinse woning werden aangetroffen. Zij werden in 1988 door Graziella Chiarcossi aan het Gabinetto Vieusseux in Florence overgedragen. Deze erfgename van Pasolini’s moeder Susanna heeft behalve de bibliotheek ook 6200 brieven gericht aan de dichter, manuscripten, typoscripts, foto’s, knipsels, kunstwerken en enkele meubelstukken bij deze instelling ondergebracht. De Collectie Pasolini is toegankelijk gemaakt voor onderzoekers en belangstellenden

Hoe zit het boek in elkaar? Enkele korte voorwoorden zijn afgedrukt op pagina’s met een Romeinse nummering: I-XXII. Van de dan volgende 301 zijn 283 pagina’s gewijd aan de bibliografie. De namenindex loopt van pp. 289 tot 315, over twee kolommen. Net vóór deze index vindt de lezer op glanzend papier een katern van 28 pagina’s met ruim 40 in kleur  afgedrukte illustraties. Het formaat van het boek is 17 x  24 cm en het weegt 0.7 KG.

Pasolini’s nicht Chiarcossi heeft na de dood van haar oom de boeken gecatalogiseerd. Niet alleen de titelgegevens worden vermeld, maar ook informatie als een opdracht of een visitekaartje aanwezig in het boek. Zij volgde niet de strenge regels van de bibliografische titelbeschrijving, maar niettemin is zij bijzonder nauwgezet tewerk gegaan. Zie hiernaast als voorbeeld pagina 77. Chiarscossi presenteert overigens niet één lange doorlopende alfabetische lijst van titels, maar heeft het boek onderverdeeld in zorgvuldig gekozen thematische hoofdstukken. Deze struktuur maakt het boek tot een naslagwerk dat men met genoegen steeds opnieuw ter hand neemt. Het opent met de sectie boeken waarmee Pasolini zich intellectueel heeft gevormd (Libri della formazione), daarna volgen hoofdstukken Italiaanse poëzie, poëzie in dialect, Italiaans en vertaald proza, kunst, cinema, theater, enz. Elke bibliografische sectie wordt voorafgegaan door een korte inleiding.

Zeer interessant is de afdeling titels van de legendarische Milanese uitgever Vanni Scheiwiller (1934-1999) met wie Pasolini vanaf 1954 nauw heeft samengewerkt. Scheiwillers vader had de uitgeverij opgericht en All’Insegna del Pesce d’Oro genoemd. Hiernaast een voorbeeld van het omslag van een dichtbundel van Sandro Penna met opdracht aan Pasolini. Daaronder enige bibliografische aantekeningen. Scheiwiller publiceert in 1978 de tentoonstellingscatalogus van de tekeningen van Pasolini uit de jaren 1941-19751941-1975.

Liefhebbers van de Italiaanse dichter en regisseur dienen dit boek naar mijn mening aan het begin van hun rijtje Pasolini-boeken te zetten. Wellicht ten overvloede: het is geschreven in de taal van hun idool.

Noot

De Collectie Pasolini bevindt zich in het Archivio contemporaneo A. Bonsanti del Gabinetto Vieusseux di Firenze.

Het boek:
Graziella Chiarcossi, Franco Zabagli (a cura di), La biblioteca di Pier Paolo Pasolini, Leo S. Olschki, Firenze, 2017. ISBN 9788822265159. Het is verschenen in de reeks: Gabinetto Scientifico Letterario G.P. Vieusseux. Studi 29.

De brug in Genua en een gedicht

Naar aanleiding van de ramp in Genua, waar gisteren, 14 augustus 2018, tegen het middaguur de brug Morandi over de rivier Polcevera instortte, kwam mij dit gedicht van Guiseppe Ungaretti in gedachten.

Nietigheid

Plotseling
is hoog
op de puinhopen
de glasheldere

verbazing
van de onmetelijkheid

En de man
voorovergebogen
over het water
dat door het zonlicht
verrast wordt
hervindt zichzelf
als een schim

Gewiegd en
langzaam
gebroken

Ungaretti schreef het gedicht op 19 augustus 1917 in Vallone.

Het gedicht kan men vinden op pagina 344 van Gepolijst albast. Acht eeuwen Italiaanse poëzie, de bloemlezing die Frans van Dooren in 1994 bij uitgeverij Ambo liet verschijnen. De Italiaanse versie op pagina 78 in: Vita d’un uomo. Tutte le poesie. Bezorgd door Leone Piccioni, Mondadori, Milaan 1992.

 

Pasolini in Rome: een onmisbaar woordenboek voor liefhebbers

Pasolini werd op 5 maart 1922 in Bologna geboren, maar woonde vanaf januari 1950 in Rome. In de nacht van 1 op 2 november 1975 werd hij vermoord in Ostia door een jongeman van 17 jaar, Pino Pelosi (1958-2017), die de dichter enige uren daarvoor op het plein van station Termini in zijn Fiat Alfa Romeo had verwelkomd. Een eerste gedetailleerde reconstructie van de laatste uren van de dichter en regisseur vindt men als proloog op de biografie die zijn vriend Enzo Siciliano in 1978 publiceerde. Eén van de recentere reconstructies is de documentaire van de italiaanse historicus Paolo Mieli.

De schrijver en literatuurcriticus Siciliano (1934-2006) is één van de zesentwintig

Pasolini met Totò tijdens de opnamen voor Uccellacci e uccellini. (Foto van Davide Cavicchioli. )

personen (zie de lijst aan het einde van deze post) van wie de jonge Romeinse schrijver Dario Pontuale in zijn boek ‘Het Rome van Pasolini: Een stadswoordenboek’ hun relatie met de dichter beschrijft. Iets meer dan de helft van de in totaal 129 lemma’s zijn gewijd aan de plaatsen die in het leven van Pier Paolo Pasolini essentiëel waren. Het gaat om straten, pleinen, buurten, heuvels en niet te vergeten de bruggen en de twee rivieren, de Tiber en de Aniene. Daarnaast beschrijft Pontuali restaurants, café’s, bioscopen en andere gebouwen. Dan zijn de lemma’s over de films die Pasolini in Rome heeft gemaakt en die over het literaire werk – te beginnen met Ragazzi di vita –  gerelateerd aan plaatsen in Rome. Een grote hoeveelheid details draagt bij tot een precies beeld van de context waarin de werken ontstonden. De auteur bespreekt zes films die in de stad en de omgeving tot stand kwamen:

Accatone
Comizi d’amore
Mamma Roma
Ro.Go.Pa.G
Salò o le 120 giorni di Sodoma
Uccellacci e uccellini.

Pontuali vermeldt een gebeurtenis in de bioscoop Vier Fontijnen, één van de twee die worden besproken en in de straat ligt van dezelfde naam: via Quattro Fontane, een zijstraat van de via Nazionale, in het hart van stad. Het verhaal plaatst ons midden in de politieke kwestie die Pasolini in de Romeinse periode óók is geweest. Na afloop van de première van Mamma Roma op 22 september 1962, wordt de regisseur in de foyer grof uitgescholden door een rechtse student. Pasolini verliest zijn geduld, haalt uit en de jonge fascist gaat tegen de grond. De rechtse pers, altijd tuk om Pasolini aan te pakken, gaat in de aanval en buit het voorval uit. Het was één van de vele honderden agressies, waarvan er 33 uitliepen op een rechtzaak.

De volgende literaire werken krijgen in het boek aandacht:

Alì dagli occhi azzurri
La religione del mio tempo
Le cenere di Gramsci
Petrolio
Poesia in forma di rosa
Ragazzi di vita
Una vita violenta.

De tekst van het lemma ‘De as van Gramsci’, die ik bij wijze van voorbeeld heb vertaald, geeft een idee van Pontuali’s werkwijze:

Voordat de elf korte gedichten werden gebundeld en door uitgeverij Garzanti in 1957 gepubliceerd als De as van Gramsci, waren ze in het jaar daarvoor verschenen in het tijdschrift Nuovi Argomenti, dat was opgericht door Alberto Carocci en Alberto Moravia, naar het voorbeeld van Sartre’s Les Temps Modernes. Elsa Morante had de gedichten in manuscript gelezen en Moravia liep warm voor de publicatie in het tijdschrift dat tot dan toe alleen essays had geplaatst. Het eerbetoon aan Antonio Gramsci wordt gerechtvaardigd door de politieke affiniteit met de dichter en diens oprechte interesse voor linguïstische en culturele randgebieden, maar vooral door de overtuiging van het belang van een ‘nationale volksliteratuur’. In de bundel – die uitkwam na de gebeurtenissen in Hongarije – wisselen autobiografische elementen, overdenkingen van ideologische aard, intellectuele aspecten, artistieke ideeën en politieke overwegingen elkaar af. Het zijn de coördinaten voor een schets van een nederig, spontaan en kaalgeslagen naoorlogs Italië, dat wordt doorkruist door een groeiend aantal conflicten en een onderhuidse onrust. Het taalgebruik is vernieuwend en krachtig, hoopvol en wanhopig, levend en brutaal, verheven en volks, en krijgt vorm in terzinen van elflettergrepige verzen, die doen denken aan Pascoli en Dante. De verzen zijn onregelmatig door het gebruik van imperfect rijm en de frequente aanwending van enjambements. Dit zijn de stylistische elementen, die deze poëzie opstuwen tot ongekende hoogten. Op 16 december 1958, tijdens een gesprek met de journalist Roberto De Monticelli, verklaart Pasolini: ‘Mijn poëzie verschilt van die van de twintigste eeuw: ‘Zij vervangt het onlogische met het analogische, het probleem met de genade.’ De criticus Carlo Salinari karakteriseert de gedichten als ‘De eerste werkelijk belangrijke bundel van de nieuwe generatie.’ In een brief aan de auteur schrijft Livio Garzanti spijtig: ‘Uw boek is goed verkocht, maar ik heb de domheid begaan er slechts vijftienhonderd te laten drukken. Ik heb nu de opdracht gegeven voor een herdruk, want het is in deze dagen opgeraakt.’ (pp. 78-80.)

De namen in vet verwijzen naar een lemma elders in het boek. Op die manier komt  een dicht netwerk van nuttige cross-references tot stand. De gegevens over de wijken in de stad waarin Pasolini heeft gewoond, over de personen met wie hij bevriend was en over degenen met wie hij samenwerkte, maken het boek van Pontuale tot een waardevol instrument voor lezers en onderzoekers van Pasolini’s werk. Het zou ook kunnen dienen als een handleiding voor hen die een ‘pelgrimstocht’ naar het Pasoliniaanse Rome willen ondernemen. De plattegronden die in het boek zijn opgenomen, helpen daarbij.

Wie naar de plaatsen op zoek gaat, krijgt te maken met de Romeinse ‘borgate’ (enkelvoud ‘borgata’). Die waren zeer belangrijk voor Pasolini. Cyrille Offermans gebruikt in De Groene Amsterdammer van 4 juli 2012 de term ‘sloppenwijken’, maar uit het 

Borgata Gordiani

boek van Pontuali blijkt dat dit woord slechts in een heel beperkt aantal gevallen van toepassing is. Ik vond op een website (www.romasparita.eu) een foto van de wijk Gordiani uit het begin van de jaren vijftig.  Op de voorgrond een stuk van een sloppenwijk, op de achtergrond de wijk met flatgebouwen waarvoor echter ook nu nog de term ‘borgata’ wordt gehanteerd.

Portuali citeert Pasolini, die in 1958 schrijft: ‘De ‘borgata’ is een typisch Romeins verschijnsel, aangezien Rome de hoofdstad was van de fascistische staat. Het is waar, dat ook vandaag nog ‘borgate’ ontstaan, maar die zou men ‘vrije borgate’ kunnen noemen: grillige groepen huisjes van één of twee verdiepingen, zonder dak, jarenlang zonder lijstwerk, ongeschilderd, kalkwit glinsterend in de zon, veraf op het aan zijn lot overgelaten platteland, lijkend op bedoeïenendorpen.’ (p. 57) Dit lijkt een ietwat geromantiseerd beeld van een keiharde werkelijkheid die varieerde van schrijnende armoede en verpaupering in sommige delen van de stadsperiferie tot de enorme naoorlogse woonwijken die in de jaren zestig en zeventig niet zelden aan hun lot werden overgelaten. Grote wijken als Torbellamonica hebben ook vandaag te maken met ernstige sociale problemen, maar een vergelijking met de jaren vijftig of met de omstandigheden van vóór de oorlog, is niet correct. De sloop- en bouwplannen van Benito Mussolini verdreven in die tijd vele duizenden bewoners uit het centrum, die vervolgens in buitengewoon slechte behuizingen ‘buiten’ de stad werden ondergebracht. In de loop van de jaren vijftig was het aantal ‘borgate’ uitgegroeid tot een dozijn. Portuali bespreekt de vijf die in het werk van Pasolini een rol spelen: Gordiani, Pietralata, Rebibbia, Tiburtina III en de wijk Trullo. Het waren ook de wijken waar de ‘antropoloog’ en de in het Romeinse dialect geïnteresseerde Pasolini op zoek ging naar zijn materiaal en personages.

Het boek, een soort kleine Pasolini encyclopedie, bevat ruim zeventig z/w afbeeldingen, een overzicht van de gebruikte websites en een bibliografie. Ondanks de ontbrekende namenindex, een pijnlijke omissie, een must voor Pasolini-lezers.

Noot.
Dario Pontuale, La Roma di Pasolini. Dizionario urbano, Nova Delphi, Rome, 20182.
Enzo Siciliano, Vita di Pasolini, Introduzione di Angelo Romanò. Nuova edizione. Rizzoli, Milaan 19812.
De gunstige bespreking van de vertaling van De as van Gramsci van Luc Devoldere door Cyrille Offermans heeft als titel: ‘Dichter van de zwijnenstal’. Merkwaardig, want het zou de vertaling moeten zijn van ‘Poeta della porcata’, terwijl ‘zwijnenstal’ in het Italiaans ‘porcile’ is. Pasolini schreef trouwens een theaterstuk  met de titel Porcile (1966), maar dit terzijde. Ik ken de vertaling van Devoldere niet, maar als Offermans goed heeft geciteerd, dan ben ik er niet gerust op.

De namen van de personen aan wie in het boek een lemma wordt gewijd:

(De link beperkt tot de achternaam is naar een Nederlandse wikipedia-pagina.)

Giorgio Bassani (1916-2000)
Dario Bellezza (1944-1996)
Attilio Bertolucci (1911-2000)
Bernardo Bertolucci (1940-)
Laura Betti (1927-2004)
Giorgio Caproni (1912-1990)
Vincenzo Cerami (1940-2013)
Franco Citti (1935-2016)
Sergio Citti (1933-2005)
Ninetto Davoli (1948-)
Federico Fellini (1920-1993)
Franco Fortini (1917-1994)
Carlo Emilio Gadda (1893-1973)
Livio Garzanti (1921-2015)
Renato Guttoso (1911-1987)
Anna Magnani (1908-1973)
Dacia Maraini (1936-)
Elsa Morante (1912-1985)
Alberto Moravia (1907-1990)
Renzo Paris (1944-)
Silvio Parrello (1942-)
Pino (Giuseppe) Pelosi (1958-2017)
Sandro Penna (1906-1977)
Enzo Siciliano (1934-2006)
Totò (1898-1967)

Lucrezia Lerro over Liefde: Etty Hillesum en Julius Spier

Lucrezia Lerro schrijft romans en gedichten. Ze werd in 1977 geboren in het dorp Omignano in de Zuid-Italiaanse provincie Salerno, heeft opvoedkunde gestudeerd in Florence en woont en werkt in Milaan. Ik neem deze summiere gegevens over van de Wikipediapagina die aan haar is gewijd. Ze heeft tot op dit moment negen romans

Lucrezia Lerro.

gepubliceerd, vier bundels poëzie en een vijftal theaterstrukken. Haar romans zijn uitgegeven door Bompiani en Mondadori – dat zijn vooraanstaande Italiaanse uitgeverijen. Het laatste boek, La giravolta delle libellule, kwam in 2017 uit bij La nave di Teseo. Bij deze recent (2015) opgerichte Milanese uitgeverij was Umberto Eco nauw betrokken. Hij overleed echter kort voordat de eerste titel op de markt kwam.

Het boek waaraan ik hier enige aandacht wil geven, heeft zij in 2016 uitgebracht bij de katholieke uitgeverij San Paolo, die deel uitmaakt van het omvangrijke spectrum van Italiaanse religieuze uitgeverijen. San Paolo heeft een behoorlijk aantal boeken over Etty Hillesum in haar fonds.

Lerro’s boek heeft als titel ‘De aanstekelijkheid van de liefde: Etty Hillesum en Julius

Omslag van de roman.

Spier’ (Il contagio dell’amore. Etty Hillesum e Julius Spier) en wordt gepresenteerd als fictie. De auteur verwijst in het nawoord op pagina 175 naar het dagboek en de brieven die haar tot inspiratie dienden: de Italiaanse edities van Het verstoorde leven en de brieven, die respectievelijk in 1985 en 1990 door Adelphi werden gepubliceerd, en besluit het boek met een biografische schets van de familie Hillesum (pp. 177-180).

De roman bevat drie citaten uit Hillesums werk. De belangrijkste is de tekst van de briefkaart aan Christien van Nooten, die Etty Hillesum op 7 september 1943 uit de trein heeft gegooid op weg naar Auschwitz-Birkenau en waarmee de roman wordt afgesloten.

Aangezien het gaat om een fictionele tekst over personen die werkelijk hebben bestaan, laat de auteur haar werk voorafgaan door een waarschuwing: ‘Deze roman neemt slechts ten dele het werkelijke leven van Etty Hillesum als uitgangspunt.’ Hiermee geeft de schrijfster zichzelf de vrije hand.

Het verhaal draait om de liefdesrelatie tussen Hillesum en Spier. Daarnaast wordt aan de verhouding tussen Etty Hillesum en haar ouders erg veel aandacht besteed. Andere personages worden wel ter sprake gebracht – Pa Han, Maria Tuinzing – maar krijgen geen invulling. De andere thema’s zijn het schrijven en het geloof. De optiek van waaruit de roman is geschreven is de liefde.

In ‘De aanstekelijkheid…’ wordt verteld dat Etty Hillesum van Spiers ‘patiënte’ opklimt naar diens medewerkster en hoe deze ontwikkeling gepaard gaat met de ontluikende en beantwoorde wederzijdse liefdesgevoelens. Hoewel ook over het erotische aspect van hun relatie wordt gesproken, blijkt nergens dat de relatie verder is gegaan dan het worstelen als onderdeel van de therapie. De dood van Spier door een ‘hartinfarct’ betekent het einde van de relatie en zijn we ook bijna aan het einde van het verhaal.

Met Han Wegerif – de andere geliefde – had Hillesum méér dan een platonische relatie. Hij is een constante aanwezigheid voor én na haar kennismaking met  Spier. Lerro thematiseert in haar roman de kwestie van de abortus (117) en wordt het een ‘ongelukje’ genoemd. Het motief voor de abortus wordt niet gemotiveerd door de oorlogsomstandigheden, maar door het privéleven van Pa Han.

Lerro beperkt het verhaal ruimtelijk tot Amsterdam. Etty en haar broers wonen bij hun ouders in de Gabriël Metsustaat. Spiers woning is in de Courbetstraat, maar die ligt in de roman aan een gracht want daarop kijkt Etty uit als zij voor het raam staat. Kamp Westerbork komt wel ter sprake, maar alleen als plaats waar de Joden vanuit Amsterdam naar toe worden gedeporteerd.

In het eerste hoofdstuk presenteert Lerro de ouders Hillesum waargenomen door de dan 14 jarige Etty. Vader Hillesum, in de roman Levi, wordt gedomineerd door zijn vrouw, hier Rebecca, die zich obsessief met het eten inlaat en bovendien voortdurend ruzie zoekt met haar echtgenoot. We vernemen niets over hun achtergronden, behalve een verwijzing naar de Russische afkomst van Rebecca. Deze negatieve karakterisering van de ouders is in lijn met de Italiaanse studies van vóór de publicatie van de integrale editie van het dagboek in 2012. Aangezien de selectie door meer mensen wordt gelezen dan de integrale editie, blijft dit verwrongen beeld domineren.

In het eerste en tweede hoofdstuk zien wij twee termen die de toon van de roman zetten: gebed (‘preghiera’, p. 14; de 14-jarige Etty knielt voor het slapengaan naast haar bed en bidt voor haar ouders) en vergeving (‘perdono’, p. 21). Etty had een vriendin toevertrouwd: ‘Macht wil voor mij zeggen vergeven.’

Uit de laatste alinea van hoofdstuk 7 blijkt dezelfde tendens om aan het romanpersonage Etty Hillesum een christelijke karakter te geven:

– Weet U wat het verschil is tussen iemand die gelooft en een ander die niet gelooft ? vroeg Etty aan hem (= Spier)

– Zeker. […] Iemand die gelooft, heeft het leven lief en is in staat op eigen benen te staan, zichzelf tot steun te zijn. […] Nederig kan men slechts worden als men de toegebrachte kwetsingen vergeet.’ (72-73)

Vooral de laatste zin over het achter zich laten van de kwetsingen, van het door anderen berokkende leed, deed mij denken aan de autobiografische roman van Giacometta Limentani (1927-2018), waarin zij vertelt over het antisemitische geweld waarvan zij en haar familie onder het fascisme van Mussolini vanaf 1938 slachtoffer werden. Het is onwaarschijnlijk dat zij de agressie zal vergeten, maar dat betekent niet dat zij de nederigheid, de liefde voor anderen en voor het leven niet kende. Integendeel, zij was in geen enkel opzicht vervuld van haat en bewonderde de moed van Etty Hillesum.

Nederigheid is een nastrevenswaardige deugd. In boven geciteerde zin doet het echter meer denken aan de christelijke nederigheid, die past bij de ‘christelijke’ Etty die de auteur voor de lezer neerzet. Een Etty die vrijwel geheel is ontdaan van haar Joodse achtergrond. De liefde tussen Hillesum en Spier blijkt een voorstadium van de Liefde met een hoofdletter, de menselijke liefde voor God en Gods Liefde voor de mens.

Hier is een gedreven schrijfster aan het woord. De zesentwintig korte hoofdstukken – van gemiddeld 6,2 pagina’s – zijn geschreven in een goed lopend hedendaags Italiaans dat de aandacht van de lezer vasthoudt tot aan het laatste bladzijden. Het verhaal moge zich dan afspelen in Amsterdam, het is ontdaan van alle eventuele storende locale – lees: Nederlandse – culturele elementen. Dat geldt evenzeer voor de historische context, die  vrijwel volledig ontbreekt. De volgens dit bestek gecreëerde romanpersonages, voegen zich moeiteloos in de Italiaanse context en komen bij een Italiaanse lezeres of lezer daarom vertrouwd over.

Niet iedereen zal deze werkwijze toejuichen en meer feitelijke informatie hebben verwelkomt. Maar in een land waar de historische en hedendaagse kennis over de Lage Landen bijzonder gering is, lijkt deze reductieve aanpak voor hen die werkzaam zijn in de culturele sector een onvermijdelijke keuze. Ik vind dat jammer en zou mij van de kant van Italiaanse schrijvers, filmmakers en uitgevers meer durf en inspanning wensen.

Giacoma Limentani

De Italiaanse schrijfster en vertaalster Giacoma Limentani is op zondag 18 februari 2018 overleden in Rome, waar zij negentig jaar geleden op 11 oktober 1927 werd geboren. Zij is op maandag 19 februari ter aarde besteld op de Joodse afdeling van de Romeinse begraafplaats Verano, waar om 12 uur in het overvolle Joodse Tempeltje (Tempietto ebraico) afscheid werd genomen met een dienst onder leiding van drie rabbijnen en de chazan. Alle gezangen en gebeden waren in het Hebreeuws, de toespraken na afloop in het Italiaans.

Na de dienst van ruim een uur volgde men te voet de wagen naar het graf. Rabbijn De Vries schreef daarover: ‘De stoet van een grote menigte mensen, die voldoen aan hun innerlijke behoefte en gewoon te voet de lijkbaar volgen, is het meest imposante getuigenis voor degeen, die heengaat.’ Zo ook de lange stoet op weg van het Tempeltje naar het in gereedheid gebrachte graf waar de rouwenden zich omheen schaarden. Het kaddisj gebed werd gereciteerd en wat aarde uit Israël op de kist gestrooid, die vervolgens werd neergelaten.

Giacoma Limentani kwam al in haar kindertijd met ‘iets Nederlands’ in aanraking. In 1936 begon in Italië de duizelingwekkende carrière van de drie Nederlandse zusters Leschan, die in 1935 in Noord-Italiaanse Turijn verzeild waren geraakt. Zij beoefenden net als hun ouders de acrobatie en zagen zeker geen zangcarrière in het verschiet, ook al waren er in de familie van hun moeder veel musici. Zij werden ontdekt door een radio talent-scout en pijlsnel omgevormd tot zangeressen, die optraden onder de artiestennaam ‘Trio Lescano’. Hun moeder, Eva de Leeuwe, trad op als zakelijk leidster. Vanwege hun Joodse afkomst kwam er, ondanks het bezit van een ‘ariër’-verklaring en de Italiaanse nationaliteit, in november 1943 een einde aan het in Italië bijzonder geliefde trio. Moeder en dochters doken onder in de provincie en werden ondanks de nazi-klopjachten niet gevonden vanwege de hulp van de locale bevolking. Ook Giacoma Limentani was ondergedoken. Zij overleefde de vervolgingen in een Romeins klooster.

In het gezin Limentani was de lichte muziek niet alleen geliefd, maar werd zij ook beoefend. De tiener Giacoma was dol op jazz en swing en op dat punt komt het Trio Lescano in zicht. Als meisje leerde zij de liedjes van de radio na te zingen. Mussolini was overtuigd van het enorme propagandistische potentiëel van de radio en bevorderde een zo groot mogelijke verspreiding van apparaten. Een topper in het Lescano repertoir was het liedje Tuli tuli tulipan, een duidelijke verwijzing naar hun geboorteland. Een ander lied: ‘De verliefde pinguïn’ (Il pinguino inamorato), komt aan de orde in Limentani’s eerste roman ‘Bij verstek’ (In contumacia).

In deze roman wordt de elfjarige hoofdpersoon, kort na het afkondigen van de rassenwetten (zomer 1938), door vier jeugdige fascisten onder druk gezet om de schuilpaats van haar vader te verraden. Zij zwijgt. De vier voegen haar toe dat haar vader dan bij verstek zal worden veroordeeld. Om haar een lesje te leren wordt zij in haar eigen huis verkracht. Daar was op dat moment behalve zijzelf niemand anders dan haar oma aanwezig, die getuige was van de gewelddaad. Kort daarop overlijdt zij echter zodat het geheim bewaard blijft, want de elfjarige vertelt het aan niemand. Deze tot trauma uitgegroeide gebeurtenis doortrekt en bepaalt op dramatische wijze het verdere leven van het opgroeiende meisje en vrouw. Limentani giet haar verhaal in de vorm van een autobiografische roman, die bij de publicatie in 1967 veel opzien baarde.

Het tweede contact met ‘iets Nederlands’ kwam tot stand, toen ik haar in 1988 uitnodigde om deel te nemen aan het eerste Internationale Etty Hillesum symposium in Rome. Van het bestaan van het Trio Lescano was ik toen nog niet op de hoogte en behalve enkele korte essays had ik niets van Limentani’s werk gelezen. Haar naam werd mij gesuggereerd door een lid van de Joodse gemeenschap, mevrouw Bici Migliau, die ik via een studente in mijn klassen Nederlandse les aan volwassenen had leren kennen. Limentani zegde toe en werd één van de vijftien sprekers op deze bijeenkomst, die ik in nauwe samenwerking met de toenmalige directeur Ted Meijer op het Nederlands Instituut te Rome had georganiseerd. In haar lezing ging zij in op de Joodse achtergronden van Hillesums dagboek, die zij belichtte vanuit het gezichtspunt van haar eigen levenslange studie en vertalen van teksten uit de Joodse traditie, zoals de Tora en de Midrasj. In de herinnering van de Joodse gemeenschap leeft zij voort als lerares Hebreeuws, de Joodse traditie, cultuur en wijsheid. Zij wordt aangeduid met de eretitel ‘maestra’.

Giacoma Limentani in 2017.

Op een zondag eind oktober 2016 zijn Limentani, een bevriend Romeins echtpaar en ik niet ver van haar huis gaan lunchen. Zo werd onze kennismaking door de toevallige ontdekking van gemeenschappelijke vrienden na achtentwintig jaar hernieuwd. Bij die gelegenheid heb ik voorgesteld haar lezing uit 1988 in het Nederlands te vertalen. Het opstel zal in het najaar van 2018 in deel tien van de serie Etty Hillesum Studies verschijnen. De vertaling draag ik op aan de geliefde Romeinse Joodse ‘maestra’.

Voor de controle van de Joodse terminologie mijn dank aan Klaas Smelik, die in 1988 onder sprekers van het symposium was.

Nota

De drie romans van Limentani zijn: In contumacia (Bij verstek), 1967; Dentro la D (Binnen de D. – de D staat voor Dàlet, de letter uit het Hebreeuwse alfabet), 1992; La spirale della tigre (De spiraal van de tijger), 2003. Ze werden in 2013 samen uitgegeven onder de titel Trilogia.

Rabbijn Ph. de Vries Mzn, Joodse riten en symbolen, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1968. Voor de geciteerde zin: p. 270.

Zie voor het Trio Lescano: Gabriele Eschenazi, Le regine dello swing. Il Trio Lescano: una storia fra cronaca e costume, Einaudi, Turijn, 2010.

De zusters bleven in Nederland lang onbekend. Toenke Berkelbach maakte een radioportret voor de VPRO. Zie ook wikipedia

De andersom-rechter. Een Italiaans kinderboek over tegendraads rechtspreken, waarvoor de schrijfster Luciana Breggia inspiratie vond bij Carlo Collodi en Etty Hillesum

Pinokkio was sprakeloos toen de rechter zijn twee als gendarmes verklede honden opdroeg hem in de gevangenis te gooien. Hij was het slachtoffer van de boosdoeners die hem op slinkse wijze vier gouden ducaten afhandig hadden gemaakt. Hij was onschuldig en hij moest nota bene in ‘t kot! De kleine en grote lezers van Collodi’s wereldberoemde verhaal weten dat hij na vier maanden weer vrij kwam en in de restende zeventien hoofdstukken nog een hele reeks fantastische avonturen zou beleven, voor hij aan het einde van het verhaal het brave jongetje van vlees en bloed zou worden.

Maar wie was eigenlijk die rechter en wat was er van hem geworden? In hoofdstuk negentien schrijft Collodi, de rechter is ‘… een gorilla, een heel oude eerbiedwaardige aap, eerbiedwaardig door zijn hoge ouderdom, door zijn witte baard, maar vooral door zijn gouden bril zonder glazen’. We horen van Collodi niets meer over deze merkwaardige vertegenwoordiger van de rechterlijke macht, maar de meeste lezers, geboeid door Pinokkio’s nieuwe avonturen, zullen diens verrassend onrechtvaardige vonnis al wel snel vergeten zijn.

Zo niet Luciana Breggia. Zij publiceert in 2015 bij de Turijnse uitgeverij Einaudi het kinderboek ‘De andersom-rechter’, mijn vertaling van Il giudice alla rovescia. Zij stelt op de eerste pagina’s vast, dat deze rechter, waarop Pinokkio tevergeefs een beroep op had gedaan, toch wel wat vreemd had gehandeld. En bovendien had hij op zekere dag het dorp de rug toegekeerd. Opgestapt. Verdwenen. Waar was hij heengegaan? Niemand kon het zeggen.

Maar, o wonder, op zekere dag verscheen hij in een ander dorp, waar al heel lang geen rechter meer zitting had gehouden en waar volgens de bewoners zo iemand echt heel

De rechter

hard nodig was. Zij vroegen hem te blijven. Hij stemde toe en betrok een comfortabel huis aan de rivier. Dit werd ‘het huis van het recht’ en druk bezocht zoals we zullen zien. Hij bleek nogal veranderd en had onmiskenbaar menselijke trekken gekregen, maar twee attributen uit Pinokkio zijn door de schrijfster gehandhaafd: de bril en het belletje.

De rechter in Breggia’s boek blijkt in alles het tegendeel van de ‘eerbiedwaardige aap’ in Pinokkio, maar het verhaal blijkt vooral, dat hij er een radicaal ander idee over opvoeden op na houdt.

De schrijfster presenteert in vijf hoofdstukjes enkele alledaagse gebeurtenissen: conflicten tussen buren, diefstal en de ruzie tussen twee broers over een erfenis. In de eerste episode ‘De steeneik’ en de derde ‘De antenne’ zijn het de buren die gezamenlijk hun meningsverschillen aan de rechter voorleggen. De eik staat op de grond van de ene buur maar geeft overlast aan de andere omdat hij zeer groot is en over het huis van de tweede buur torent.  Hij belemmert niet alleen het daglicht, zegt de klager, maar laat zijn vallende bladeren en eikels achter op het dak en in de dakgoot. Na de zoveelste woordenwisseling en in aanwezigheid van de rechter, die had besloten de situatie ter plaatse in ogenschouw te nemen, zegt de eigenaar van de boom dat zijn buurman hem dan maar moet kappen, dan wordt de bron van overlast en onenigheid resoluut uit de weg geruimd. De eik reageert geschokt en verdrietig en wendt zijn magische krachten aan om de rechter ervan te overtuigen het dreigende de onheil af te wenden. Met behulp van zijn vriend de wind laat hij een wolk jonge bladeren over hem heendalen. De rechter verbiedt het kappen van de steeneik en vonnist dat de twee mannen voortaan samen voor de boom moeten zorgen, maar dat zij ook van zijn stabiele aanwezigheid moeten genieten: van zijn natuurlijke schoonheid en de koelte waar zijn rijke bladerdek in de warme zomermaanden voor zorgt.

In het verhaal ’De antenne’ gaat het om een ‘vogeldrager’ (portauccelli, een door Breggia bedacht woord): een antenne die met een stel extra buizen is uitgerust waarop zwaluwen kunnen neerstrijken. De jonge vogels gebruiken de buizen als springplank om te leren vliegen, daarbij gecoached door hun ouders, die er op plaatsnemen om op hun gemak ornithologisch van gedachten te wisselen. Dat de antenne in werkelijkheid een vogeldrager zou zijn, beweert het echtpaar op leeftijd, de eigenaars ervan. Hun buurman spreekt echter over een antenne, die niet conform is aan de regels, overlast bezorgt en derhalve verplaatst dient te worden. De rechter besluit dat zij gevieren vanaf het balkon van de klager het vogelgedrag zullen gaan observeren. De klager kwam na enige uren tot het inzicht dat hier inderdaad iets anders aan de hand was. Hij werd zelfs enthousiast over het gedrag van de zwaluwen en besloot zijn klacht in te trekken.

Het thema diefstal wordt in het tweede hoofdstuk uitgewerkt. Een uitgehongerd zestienjarig meisje probeert een streng worstjes te stelen maar wordt gesnapt en door de twee dorpsagenten voor onze rechter geleid. Het drietal wordt vergezeld door luidruchtige dorpelingen, die van het bijna-misdrijf getuige waren geweest. De rechter vraagt of zij het meisje kennen, maar op die precieze vraag blijven zij het antwoord schuldig. Niettemin spreken zij zich over haar uit in stereotypen en vooroordelen die zijn gebaseerd op haar zigeunerachtige uiterlijk. Dan vraagt de rechter de aangeklaagde om haar versie te vertellen. Uit haar verhaal blijkt dat alle dorpelingen hadden geweigerd haar iets te eten en te drinken te geven. In de discussie tussen de rechter en de dorpelingen legt hij uit dat zij het tegenovergestelde hebben gedaan van wat zij hadden moeten doen, namelijk haar helpen. Tot inzicht gekomen besluiten zij het weesmeisje in hun gemeenschap op te nemen.

Uit deze voorbeelden moge blijken op welke manier onze rechter te werk is gegaan. In de andere twee episoden gaat het er niet anders aan toe. Het procedé toont aan dat de aanklagers de werkelijke ‘schuldigen’ zijn. Gebrek aan inzicht in de omstandigheden van de ander, kortzichtigheid, egoïsme en het onvermogen om tot redelijk overleg te komen, brengt ze ertoe zich tot de magistratuur te wenden. Terwijl Collodi zijn personage onschuldig in het gevang laat werpen, worden in het boek van Breggia de aanklagers tot verantwoording geroepen.

Het rechtspreken dat Breggia’s ideale magistraat beoefent, is een vorm van bemiddeling bij conflicten. Hij stimuleert de inwoners van het dorp solidair en in gemeenschappelijk overleg te handelen. Zij moeten voor elkaar zorg en verantwoordelijkheid opbrengen. De rechter maakt de bewoners ervan bewust dat ieder van hen kan bijdragen aan het oplossen van de conflicten die in een gemeenschap van met elkaar samenlevende mensen kunnen ontstaan.

In het zevende hoofdstuk kondigt de rechter zijn vertrek aan. Hij geeft een afscheidsfeestje in de tuin van zijn huis, het huis van het recht, en verklaart uit dat hij met een gerust hart weg kan gaan, want zij zijn nu immers in staat zelf hun conflicten op te lossen. Voor hij opstapt, zegt hij:

Het is moeilijk om precies te zeggen wat we met de gerechtigheid bedoelen, maar het is zeker dat zij alleen kan zegevieren als ze door allen wordt gevoeld en gepractiseerd. Ieder van jullie draagt een klein fragment van haar in zichzelf mee. Ik heb vastgesteld dat jullie nu voldoende hebben geleerd om haar de juiste plaats te geven in de lastige legpuzzel van jullie onderlinge onenigheden en problemen. Mij hebben jullie daarvoor gelukkig niet meer nodig en dat is een goede zaak.

Dat er in ieder mens een stukje gerechtigheid aanwezig zou zijn, doet denken aan Etty Hillesum die meende dat in elk mens een stukje van het Goede aanwezig is. Deze bron van inspiratie is niet vergezocht, aangezien Luciana Breggia in 2011 een boek over haar persoonlijke ervaringen met de lectuur van het dagboek van Hillesum heeft gepubliceerd: ‘Woorden met Etty. Un parcours naar het heden’ (Parole con Etty. Un itinerario verso il presente). Op dit boek kom ik nog terug.

Nota

Luciana Breggia is magistraat en verbonden aan het Gerechtshof van Florence.

De afbeelding van de ‘aap’ is afkomstig uit de reprint van de hieronder genoemde uitgave van 1883, de overige drie uit het boek van Breggia, dat voorbeeldig werd geïllusteerd door Barbara Cantini. Het is volledig in vierkleurendruk uitgevoerd. De illustraties en de tekst vormen een fraaie eenheid.

Carlo Collodi, De avonturen van Pinokkio, 85-86. Vertaald door Delforno. Voor deze vroege editie zie: dbnl voor een pdf van de tweede druk. De oorspronkelijke Italiaanse uitgave: Carlo Collodi, Le avventure di Pinocchio. Storia di un Burattino. Illustrazioni di Enrico Mazzanti, dalla prima edizione del 1883.

De gegevens van het boek: Luciana Breggia, Il giudice alla rovescia, Einaudi, Turijn, 2015, 2e druk maart 2016. isbn 9788866562474.