Muizenissen van gouverneur Luca Zaia

‘Iedereen heeft ze gezien, de Chinezen die levende muizen en dergelijke eten.’

Deze weinig diplomatieke uitspraak kon men op 29 februari 2020 horen op een Italiaanse locale TV-zender. De auteursrechten ervan zijn het onvervreemdbare eigendom van de gouverneur van de regio Veneto. Hij werd geïnterviewd over de gang van zaken rond het coronavirus in de 5 miljoen inwoners tellende regio, waarvan hij de politieke leiding heeft. Zijn naam is Luca Zaia. Hij behoort tot de vooraanstaande politici van de Lega. Zijn politieke baas is Matteo Salvini.

De dag erna gaf hij het volgende commentaar op de wassende stroom van verontwaardigde reacties: ‘Ik geef toe de zin niet zo gelukkig gekozen was … als iemand zich erdoor gekwetst voelt, dan mijn excuses daarvoor’. Hij voegde eraan toe: ‘Het was niet mijn bedoeling te generaliseren…’

Arthur van Schendel schreef ooit: ‘… je zit weer te piekeren, over muizenissen zonder grond.’ Van Schendel heeft voor en tijdens de tweede wereldoorlog in Italië gewoond. Wie weet wat hij over Zaia’s weerzinwekkende uitlating zou hebben gedacht. Hij heeft immers gezien waartoe op superioriteitsdenken gebaseerde uitspraken kunnen leiden: stimatisering, isolatie, uitsluiting en geweld.

Enige dagen eerder, op 24 februari, werd in Como een bejaarde Chinese heer op straat aangevallen door twee Italiaanse jongens van  15  of 16 jaar. Zij werden door een Italiaanse veertiger aangepakt en maakten zich vliegensvlug uit de voeten.

Noot.
Dit is het fragment van één minuut en tien seconden uit het genoemde interview: TV uitzending van Antenna3 (Italiaans). En dit is de zin in de contekst:

«L’igiene che ha il nostro popolo, i veneti e i cittadini italiani, e la nostra formazione culturale ci portano a farci la doccia, lavarci spesso le mani e stare attenti alla pulizia e all’alimentazione. E’ un fatto culturale. La Cina ha pagato a caro prezzo quest’aspetto. In fondo li abbiamo visti tutti mangiare topi vivi e altre robe del genere.»

Wikipedia heeft een pagina (Eng.) over hem (de Nederlandse is lang niet bijgewerkt).

Fanny Blankers-Koen: een onbekende foto uit 1950

Een paar dagen geleden kreeg ik een oud exemplaar van het maandblad Le Vie d’Italia van de Touring Club Italiano (TCI) onder ogen. De TCI is zeg maar de Italiaanse ANWB en werd opgericht in 1894. Het een bloeiende organisatie gebleven. In 1937 werd tijdens het bewind van Mussolini een kruistocht tegen de buitenlandse namen en termen gehouden en natuurlijk kwam ook de TCI in het vizier. De naam werd veranderd in: Consociazione Turistica Italiana, het eerste woord te vertalen met bijvoorbeeld maatschap of associatie.

Jaargang LVI, n. 19, december 1950.

Het tijdschrift Le Vie d’Italia, De Wegen van Italië, verscheen tussen 1917 en 1968. Na een korte onderbreking van 1943 tot 1945 kwam het in januari 1946 weer op de markt en werd een groot succes, niet in de laatste plaats door de krachtige economische vooruitgang van de jaren 50 en 60 waarin vooral FIAT een groot aandeel leverde.

In het decembernummer dat ik doorbladerde, vond ik een artikel van Bruno Roghi over de Europese zomerspelen van 1950 in Brussel. De auteur bespreekt uitsluitend de grote prestaties van de Italiaanse atleten. Het artikel is rijk geïllustreerd met acht foto’s waaronder deze op pagina 1394:

Het onderschrift bij deze foto luidt: “De Nederlandse Fanny Blankers-Koen, ook wel genoemd de vliegende moeder, heeft in Brussel haar bijzondere talent nog eens getoond. Zij ontvangt gelukwensen van de Italiaan Consolini.”

De Italiaanse atleet Adolfo Consolini (1917-1969) excelleerde in het discuswerpen en is in dit land een beroemdheid.

Al bladerend viel mijn oog op het onderschrift bij de foto en de naam van de Nederlandse atlete, die ik mij alleen maar herinnerde omdat mijn vader – zelf een sportiveling – van zijn onbegrensde bewondering voor haar altijd met kracht had kond gedaan. Het bijschrift onder de foto vond ik nogal vreemd, want de atlete wordt aangeduid met de woorden ‘la mamma volante’, de vliegende moeder. In het Italiaans wordt het bijvoeglijk naamwoord ‘vliegende’ (volante) weliswaar vrij vaak geassocieerd met ‘olandese’ – een verwijzijng naar de populaire opera – en verbaasde mij niet, maar waarom ‘mamma’? Ik kon mij daar in deze context niets bij voorstellen en ben op zoek gegaan naar een verklaring. Zoals vaak het geval is, bracht wikipedia uitkomst: aan beide atleten worden in een flink aantal talen uitgebreide pagina’s gewijd waaruit ik het volgende heb opgestoken.

De bijnaam ‘De vliegende huisvrouw’ werd haar toegedicht omdat zij na de bevalling van haar tweede kind binnen enkele maanden weer begon met trainen en ook deelnam aan wedstrijden. In het Engels werd zij met ‘The Flying Housewife’ aangeduid, en in het Italiaans werd dat ‘La mamma volante’, de huisvrouw was tot moeder geworden. Ik vond ook nog het verkleinwoord ‘mammina’, dat staat voor moedertje. Vooral met het gebruik van dit laatste Italiaanse woord laat je weten hoeveel je van haar houdt.

Ik neem aan dat deze foto in Nederland onbekend is. Hopelijk doe ik er iemand – behalve postuum mijn vader – een plezier mee.

De Umbrische boer van Hella Haasse (of: Berusting 2)

Hella Haasse heeft in haar lange leven diverse boeken over Italië geschreven. Velen hebben gehoord van haar De tuinen van Bomarzo, maar minder bekend zijn de reisverhalen die zij in 1953 bundelde en de titel Klein reismozaïek meegaf. Zij trok in het jaar daarvoor – 1952 – door Italië. Het is mij niet duidelijk op welke manier zij reisde, waarschijnlijk per trein en per locaal vervoer. Het is echter niet uitgesloten dat zij in gezelschap per auto door het land reisde. In de bundel komt namelijk een stukje voor waarin zij verslag doet van wat zij in het landelijke Umbrië heeft waargenomen, namelijk een boer die zijn hooi langs een vrij steile weide naar boven sleept naar het erf van zijn boerderij die boven op de heuvel ligt. Zij kan dat echter onmogelijk vanuit het raam van een treincoupé hebben gezien, of vanuit een autobus.

Wat Haasse zegt over het beeld dat haar zal bijblijven, zou ook kunnen gelden voor de lezers van dit prachtige fragment. Ik vat het fragment zo samen:

Terwijl de blik van de schrijfster over het glooiende Umbrische landschap dwaalt, wordt haar aandacht getrokken door een “wandelende hooischelf” die naar boven beweegt. Onder de schelf ontwaart zij een boer die met het hooi op zijn schouders naar boven probeert te komen. Na diverse  pogingen, met veel vallen en opstaan, lukt het hem tenslotte met een uiterste krachtsinpanning de vracht op het erf van zijn boerderij te krijgen. Dan daalt hij opnieuw af om een andere schelf naar boven te sjouwen.

Haasse concludeert: “Wil de boer zijn hooi boven hebben, dan moet hij het zelf halen, stap voor stap, een martelgang van vallen en opstaan. Hij doet het, geduldig en volhardend, met de kalmte van een mens die deze inspanning als iets van zelfsprekends heeft aanvaard.” (Geciteerd in Het Italie-gevoel, 112)

Het is de laatste zin die mij interesseert. Haasse onthult hierin een aspect van de Italiaanse identiteit, namelijk de berustende volharding waarmee de taken worden volbracht die de continuïteit van het bestaan waarborgen. In weerwil van alle moeilijkheden die deze samenleving voor ons in petto heeft! In dit concrete geval, betreft een boer en diens zorg voor het hooi, het voedsel voor zijn beesten in de wintermaanden: het kan in de hogergelegen gebieden van Umbria gemeen koud zijn.

Het zijn belangrijke woorden in het Italiaans: geduld [pazienza], volharding [perseveranza], aanvaarding [accettazione]. Het zijn de woorden die stuk voor stuk tot de woordfamilie van ‘berusting’ behoren.

Het devies van Haasse – schrijven is waarnemen en denken – komt hier op een mooie manier tot uitdrukking. Schrijven is het resultaat van waarnemen en denken. Deze handelingen behoeven niet noodzakelijk in een zeer korte tijdspanne worden voltrokken. Integendeel. De werkwijze van Haasse was anders: op de reis waarnemen, aantekeningen maken en tenslotte thuis, aan de grote tafel in haar huiskamer, kwam het tot schrijven. Dat verklaart ook het literaire karakter van deze reisverhalen. En het verklaart tevens de aanwezigheid van de diepere gedachte die vervat ligt in de door mij geciteerde zin, die duidt op een kennis van zaken die werd gevoed door meer waarnemingen dan alleen deze lijdende Umbrische boer.

Berusting 1

Ik keek er nogal van op toen ik las dat een wezenlijk element van de identiteit van het Italiaanse volk ‘berusting’ is. Verbaasd was ik ook al omdat het niet een journalistieke losse flodder was, maar de bewering van een gerenommeerd historicus: Giuliano Procacci. De these treft u aan in de inleiding op zijn “Geschiedenis van de Italianen”, dat begin jaren zestig voor het eerst verscheen in het Frans bij uitgeverij Fayard. De eerste Italiaanse editie is van 1968, dus zeker niet het resultaat van recent historisch onderzoek. Als u wilt kunt u ook de Engelse vertaling lezen: History of the Italian People, eerste editie 1973. Vele herdrukken.

Het boek werd geschreven voor een niet-Italiaans publiek zoals de auteur in het voorwoord aangeeft. Het is excuus voor de uitleg van zaken die voor een Italiaanse lezer vanzelfsprekend zouden zijn. Bij voorbeeld zijn opmerkingen over Manzoni. Maar wellicht gaat hierachter ook de reden schuil waarom de auteur in de Inleiding het punt van de identiteit te berde brengt.

Ik wil op dit aspect van Procacci’s nuttige boek – nuttig voor wie meer over dit land wil weten – nader ingaan. Procacci koppelt aan het begrip ‘berusting’ namelijk een andere term, namelijk continuïteit. En dat is een sleutelbegrip in de geschiedenis. Welnu, volgens de auteur is berusting een karakteristiek van toepassing op het Italiaanse volk in de tijdspanne van bijna duizend jaar geschiedenis die hij beschrijft: van het jaar 1000 tot en met de Tweede Wereldoorlog. In de latere edities van het boek heeft hij een nawoord toegevoegd waarin hij de naoorlogse jaren behandelt, maar dit terzijde.

Natuurlijk kwalificeert Procacci de term. Hij geeft eerst enkele negatieve afbakeningen: het gaat niet om wanhoop noch om passiviteit. Bij berusting in zijn Italiaanse vorm moeten we denken aan “het bewustzijn dat het leven in ieder geval wordt geaccepteerd en doorgezet en dat er momenten en gelegenheden zijn waarop het nodig is een beroep te doen op de eigen reserves opdat de voortgang van het bestaan niet in gevaar komt” (p. xv).

Een tweede opmerking van Procacci waarmee hij zijn bewering voor zijn lezers probeert helder te maken is de bekende uitspraak van Tancredi, de zoon van de zuster van Prins Salina uit de beroemde roman Il Gattopardo van Tomasi di Lampedusa: “Als we willen dat alles bij het oude blijft, is het nodig dat alles verandert” [“Se vogliamo che tutto rimanga come è, bisogna che tutto cambi.”, Feltrinelli, Milano 2002, p. 50.]

U begrijpt al waar ik heen wil met dit stukje. Ik zou het niet in mijn hoofd halen ‘berusting’ als onderscheidend kenmerk van Italianen voor te stellen. Tenminste niet vòòr ik Procacci’s boek had gelezen. Ik kijk daar nu iets anders tegen aan. Italië is immers een katholiek land. Vooral in Rome, en daar woon ik, is de religie altijd aanwezig. Aangezien ik niet religieus ben, ervaar ik deze alomtegenwoordigheid anders dan een groot deel van de mensen met wie ik dagelijks omga. Ik weet ook dat berusting – rassegnazione – een sleutelbegrip is in het katholieke geloof.

Ik bedoel maar, ik dacht er iets van begrepen te hebben.