Etty Hillesum congres in Rome: december 1988

Wat wist men in Nederland van het Etty Hillesum Congres van 4 en 5 december 1988 in Rome?

Artikelen van Jan Louter teruggevonden

In het magazijn van onze uitgeverij, dat zich onder mijn huis bevindt, staat een pallet met een dozijn dozen gevuld met oud archiefmateriaal. Af en toe maak ik er een open, bekijk de inhoud en gooi wat weg kan in de papierbak. Tussen het pakje brieven dat ik vond, was er een van Jan Louter, die ik mij niet meer herinner. In de enveloppe een heel vriendelijk begeleidend ansichtkaartje van 14 januari 1989 met een winterse afbeelding van de Magere Brug in Amsterdam. Belangrijker zijn echter de fotokopieën van de twee artikelen die hij de maand daarvoor had gepubliceerd. Het kortste verscheen in Het Parool van dinsdag 6 december 1988. Het tweede, aanzienlijk langere artikel, was geplaatst in het NIW, Nieuw Israëlietisch Weekblad van vrijdag 9 december 1988.

In beide artikelen doet Jan Louter verslag van het Etty Hillesum Congres van 4 en 5 december 1988 in Rome, dat hij mogelijk als journalist had bijgewoond. Het bestaan van zijn artikelen was ik volledig vergeten.

Van links naar rechts: Nadia Neri, Giacoma Limentani, een adm mederw., Ted Meijer, Sergio Quinzio  en Romana Guarnieri. Op de eerste verdieping van het Nederlands Instituut te Rome. Foto © Maria Korporal.

Ted Meijer

Het tweedaagse Romeinse symposium over Etty Hillesum heeft het verloop van mijn leven in Italië in de jaren daarna bijzonder sterk beïnvloed. Tot op de dag van vandaag, zoals blijkt uit dit weblog.  Daarover zal ik het nu niet hebben. Naar aanleiding van de hervonden artikelen wil ik echter één persoon, bij wijze van dierbare herinnering en durende dankbaarheid, hier kort ter sprake brengen.  Ik bedoel Ted Meijer (1940-1997), de toenmalige directeur van het Koninklijk Nederlands Instituut te Rome. Hij overleed op 15 augustus 1997. Over minder dan drie weken is dat 23 jaar geleden.

Het is te danken aan Meijers enthousiaste steun aan het project dat deze eerste internationale bijeenkomst over Etty Hillesum kon worden gerealiseerd. Ik had het project in 1987 bedacht en aan hem voorgelegd toen hij nog maar net in dienst was getreden. Hij stond direct achter het plan en verschafte er het institutionele kader voor. Dat was erg belangrijk, want het stelde mij in staat het als een cultureel project van het Instituut te presenteren en te organiseren.

De publicatie van de Hillesum-lezingen

Later zorgde Ted Meijer ook voor de financiering van de uitgave van het boek met de resultaten van de twee symposiumdagen. Het verscheen in 1990: L’esperienza dell’Altro, De ervaring van de Ander, waarin ik de vijftien lezingen had opgenomen. Het was de eerste uitgave van onze uitgeverij Apeiron Editori, die Maria Korporaal en ik in datzelfde jaar hadden opgericht. Dat was nodig, omdat geen enkele Italiaanse uitgever de teksten wilde publiceren. In het najaar van 2020 hopen wij het elfde boek over Etty Hillesum te publiceren.  Maar daarover volgt later meer.

Jan Louters artikelen in pdf :
Het Parool In Rome congres over E. Hillesum
NIW: Italianen verslaafd verrukt over Diario Etty Hillesum

Een Etty Hillesum expositie in Rimini

Een tentoonstelling over Etty Hillesum die in zeven dagen door meer dan 12 duizend bezoekers wordt bezocht.
Een catalogus waarvan ruim tweeduizend exemplaren worden verkocht.

Aangedikte aantallen? Geenszins. Ik heb de geduldig wachtenden zien staan, van ’s morgens tien tot ’s avonds rond elf uur, want ik was er drie volle dagen bij. Met de gelukkige organisatoren heb ik mij verbaasd over deze verheugend grote belangstelling.

Als we deze Riminese gebeurtenis in de juiste verhoudingen zien, wordt het succes ervan inzichtelijker. De tentoonstelling was er één van de twintig die men tijdens de Meeting van Comunione e Liberazione (CL) in het beursgebouw van Rimini kon bezoeken. Deze populaire katholieke culturele manifestatie vindt traditiegetrouw plaats in de tweede helft van augustus. Dit jaar vierde men de veertigste editie. Het aantal bezoekers liep op tot ruim 800 duizend, die hun weg vonden in de 16 paviljoens. Onder hen waren vrij veel ‘buitenlanders’, want de Beweging CL is aanwezig in 90 landen. Er bestaat ook een Nederlandse afdeling: Gemeenschap en Bevrijding. Van de tentoonstelling zal ik later in deze Kroniek verslag doen. Hier volgen enkele opmerkingen over de catalogus die deze geslaagde Hillesum happening begeleidde.

‘De hemel leeft in mij’: Etty Hillesum’ [Il cielo vive dentro di me: EH] is de titel van de tentoonstelling en de catalogus. Lezers van Hillesums dagboek herinneren zich wellicht  dat het een citaat is uit de aantekening van 15 september 1942: ‘Maar eigenlijk is het toch veel eerder zo: de hemel leeft in mij. Alles leeft in mij.’ (Etty Hillesum, Het Werk, p. 544.) Het motief dat de samenstellers van de tentoonstelling en de catalogus tot gids was, ligt in deze woorden vervat. Men wilde Hillesums religieuze ontwikkelingsgang volgen en documenteren. In het  Italiaanse katholicisme wordt dit gewoonlijk aangeduid met de term ‘il cammino’ ­– ‘de weg’ naar een religieuze bewustwording, naar het vinden van God. Volgens de titel gaat om het zich gewaarworden van de presentie van God in zichzelf. Hillesum wordt gepresenteerd als een bij uitstek herkenbaar voorbeeld voor hen die een soortgelijke ‘weg’ zouden kunnen of willen gaan. Ik zou, denkend aan herkenbaarheid, kunnen verwijzen naar het beroemde eerste vers van Dante’s Hel: ‘Nel mezzo del cammin di nostra vita’… Vandaaruit komt men als vanzelf bij Paulus’ Tweede Brief aan de Korintiërs (2:5) terecht.  Van het Italiaanse  ‘cammino’ is de werkwoordsvorm: ‘camminare’: gaan, lopen, en veronderstelt dus een actieve rol van het zoekende subject. De enthousiaste samenstellers van het Hillesum-project beoogden deze zoektocht te ongetwijfeld te stimuleren.

De zoektocht of het proces van bewustwording van Etty Hillesum wordt in de catalogus stapje voor stapje gedocumenteerd. Voor niet weinig Italiaanse Hillesumlezers is het thema van de bewustwording van de aanwezigheid van God in zichzelf één van de meest inspirerende motieven in het dagboek en de brieven. Sinds de publicatie in 1986 van de Italiaanse vertalingen van Het verstoorde leven (1e editie Amsterdam, 1982) en het volledige werk in 2012, wordt het door vooral religieuze auteurs in kortere of langere publicaties behandeld. Gewoonlijk komt dat neer op een hervertelling zonder nieuwe feiten waarbij de keuze van de citaten uit Hillesums werk zelden op duidelijke criteria is gebaseerd, maar veeleer de persoonlijke visie (of missie) van de auteur weerspiegelt. Bij  een dergelijke aanpak domineert de religieuze interpretatie, niet zelden uitlopend op een bijna bekering, en gaat ten koste van de historisch-culturele en geografische context. Dit was in Rimini niet aan de orde. De aanpak was open naar anderen.

De expositie bood de bezoekers een zeer nauwe samenhang tussen woord en beeld geboden, die in de catalogus getrouw is gereproduceerd en thuis kan worden nagegaan. Natuurlijk zijn ook hier keuzen gemaakt, zoals blijkt uit de titel, maar dit is gekoppeld aan het tweeledige perspectief waarin het project is geplaatst. Naar binnen toe verdiepend door ruime aandacht te schenken aan de historische en culturele achtergronden van de gebeurtenissen in Nederland èn van Etty Hillesum en haar familie, naar buiten toe verbredend door de plaats die de tentoonstelling heeft gekregen in de context van de Meeting die zich afspeelt in de wereld van vandaag en zich vanaf de eerste editie kenmerkt door een sterk internationaal karakter.

Hoe steekt het boek in elkaar? Het bestaat uit vier hoofdstukken voorafgegaan door een inleiding, een levensschets van Hillesum en afgesloten door een bibliografie. Indicatief zijn de (vertaalde) titels van de hoofdstukken:

  1. De bewustwording van zichzelf
  2. Zij besluit zich volledig in te zetten voor het leven
  3. De verhouding met God, met vrienden, met alles
  4. Etty in de levende herinnering van haar vrienden van nu

De hoofstukken 1 tot en met 3 documenteren Hillesums spirituele ontwikkelingsgang aan de hand van een grote hoeveelheid zorgvuldig uit het dagboek en de brieven gekozen citaten, die worden begeleid door korte commentaren waarin de samenstellers verwijzen naar informatie over de historisch-culturele achtergronden.

In de catalogus heeft de redactie tevens een aantal citaten van deze auteurs (in volgorde van verschijnen) opgenomen: Elsa Morante, Eugenio Borgna, Marina Corradi, Romano Guardini, Julián Carrón, Luigi Giussani, Klaas A.D. Smelik. Deze citaten bieden extra informatie over de behandelde thema’s, zoals het lange citaat van Smelik over kamp Westerbork. Het is afkomstig uit de door mij bezorgde Italiaanse editie van Smeliks boekje Odio e amicizia. De citaten van Morante, Guardini, Carrón en Giussani hebben behalve een zekere affiniteit weinig met Hillesum uit te staan. Don Giussani (1922-2005) was de oprichter van CL en Julián Carrón is op dit moment de geestelijke leider van de Beweging.

In hoofdstuk 4 zijn zes essays opgenomen. Ze werden geschreven door zeven auteurs met een sterke betrokkenheid bij CL: Claudia Munarin, de regiseur van de video van 12 minuten die onderdeel van de tentoonstelling was: José Claverìa, de rector van een lyceum, Ombretta Malatesta, magistraat, Benedetto Grava, een Rilkekenner, Gianni Mereghetti, docent  filosofie, Davide Perillo, journalist, Marina Corradi, journaliste. Zij zijn allen afkomstig uit Milaan.

De catalogus vermeldt geen verantwoordelijke eindredacteur, maar een zevenkoppige redactie: José Claverìa, Claudia Munarin. Marta D’Angelo, Ombretta Malatesta,  Paola Maria Sala, Benedetto Grava en Gianni Mereghetti.

Bibliografische informatie  (Zie pdf van de Italiaanse inhoudsopgave )
Il cielo vive dentro di me: Etty Hillesum, Società Editrice Fiorentina, Florence 2019.
Afmetingen 20×24,5 cm, 79 pp., 23 illustraties.
Klaas A.D. Smelik, Odio e amicizia in Etty Hillesum, Apeiron Editori, Sant’Oreste, 2015.

 

Lucrezia Lerro over Liefde: Etty Hillesum en Julius Spier

Lucrezia Lerro schrijft romans en gedichten. Ze werd in 1977 geboren in het dorp Omignano in de Zuid-Italiaanse provincie Salerno, heeft opvoedkunde gestudeerd in Florence en woont en werkt in Milaan. Ik neem deze summiere gegevens over van de Wikipediapagina die aan haar is gewijd. Ze heeft tot op dit moment negen romans

Lucrezia Lerro.

gepubliceerd, vier bundels poëzie en een vijftal theaterstrukken. Haar romans zijn uitgegeven door Bompiani en Mondadori – dat zijn vooraanstaande Italiaanse uitgeverijen. Het laatste boek, La giravolta delle libellule, kwam in 2017 uit bij La nave di Teseo. Bij deze recent (2015) opgerichte Milanese uitgeverij was Umberto Eco nauw betrokken. Hij overleed echter kort voordat de eerste titel op de markt kwam.

Het boek waaraan ik hier enige aandacht wil geven, heeft zij in 2016 uitgebracht bij de katholieke uitgeverij San Paolo, die deel uitmaakt van het omvangrijke spectrum van Italiaanse religieuze uitgeverijen. San Paolo heeft een behoorlijk aantal boeken over Etty Hillesum in haar fonds.

Lerro’s boek heeft als titel ‘De aanstekelijkheid van de liefde: Etty Hillesum en Julius

Omslag van de roman.

Spier’ (Il contagio dell’amore. Etty Hillesum e Julius Spier) en wordt gepresenteerd als fictie. De auteur verwijst in het nawoord op pagina 175 naar het dagboek en de brieven die haar tot inspiratie dienden: de Italiaanse edities van Het verstoorde leven en de brieven, die respectievelijk in 1985 en 1990 door Adelphi werden gepubliceerd, en besluit het boek met een biografische schets van de familie Hillesum (pp. 177-180).

De roman bevat drie citaten uit Hillesums werk. De belangrijkste is de tekst van de briefkaart aan Christien van Nooten, die Etty Hillesum op 7 september 1943 uit de trein heeft gegooid op weg naar Auschwitz-Birkenau en waarmee de roman wordt afgesloten.

Aangezien het gaat om een fictionele tekst over personen die werkelijk hebben bestaan, laat de auteur haar werk voorafgaan door een waarschuwing: ‘Deze roman neemt slechts ten dele het werkelijke leven van Etty Hillesum als uitgangspunt.’ Hiermee geeft de schrijfster zichzelf de vrije hand.

Het verhaal draait om de liefdesrelatie tussen Hillesum en Spier. Daarnaast wordt aan de verhouding tussen Etty Hillesum en haar ouders erg veel aandacht besteed. Andere personages worden wel ter sprake gebracht – Pa Han, Maria Tuinzing – maar krijgen geen invulling. De andere thema’s zijn het schrijven en het geloof. De optiek van waaruit de roman is geschreven is de liefde.

In ‘De aanstekelijkheid…’ wordt verteld dat Etty Hillesum van Spiers ‘patiënte’ opklimt naar diens medewerkster en hoe deze ontwikkeling gepaard gaat met de ontluikende en beantwoorde wederzijdse liefdesgevoelens. Hoewel ook over het erotische aspect van hun relatie wordt gesproken, blijkt nergens dat de relatie verder is gegaan dan het worstelen als onderdeel van de therapie. De dood van Spier door een ‘hartinfarct’ betekent het einde van de relatie en zijn we ook bijna aan het einde van het verhaal.

Met Han Wegerif – de andere geliefde – had Hillesum méér dan een platonische relatie. Hij is een constante aanwezigheid voor én na haar kennismaking met  Spier. Lerro thematiseert in haar roman de kwestie van de abortus (117) en wordt het een ‘ongelukje’ genoemd. Het motief voor de abortus wordt niet gemotiveerd door de oorlogsomstandigheden, maar door het privéleven van Pa Han.

Lerro beperkt het verhaal ruimtelijk tot Amsterdam. Etty en haar broers wonen bij hun ouders in de Gabriël Metsustaat. Spiers woning is in de Courbetstraat, maar die ligt in de roman aan een gracht want daarop kijkt Etty uit als zij voor het raam staat. Kamp Westerbork komt wel ter sprake, maar alleen als plaats waar de Joden vanuit Amsterdam naar toe worden gedeporteerd.

In het eerste hoofdstuk presenteert Lerro de ouders Hillesum waargenomen door de dan 14 jarige Etty. Vader Hillesum, in de roman Levi, wordt gedomineerd door zijn vrouw, hier Rebecca, die zich obsessief met het eten inlaat en bovendien voortdurend ruzie zoekt met haar echtgenoot. We vernemen niets over hun achtergronden, behalve een verwijzing naar de Russische afkomst van Rebecca. Deze negatieve karakterisering van de ouders is in lijn met de Italiaanse studies van vóór de publicatie van de integrale editie van het dagboek in 2012. Aangezien de selectie door meer mensen wordt gelezen dan de integrale editie, blijft dit verwrongen beeld domineren.

In het eerste en tweede hoofdstuk zien wij twee termen die de toon van de roman zetten: gebed (‘preghiera’, p. 14; de 14-jarige Etty knielt voor het slapengaan naast haar bed en bidt voor haar ouders) en vergeving (‘perdono’, p. 21). Etty had een vriendin toevertrouwd: ‘Macht wil voor mij zeggen vergeven.’

Uit de laatste alinea van hoofdstuk 7 blijkt dezelfde tendens om aan het romanpersonage Etty Hillesum een christelijke karakter te geven:

– Weet U wat het verschil is tussen iemand die gelooft en een ander die niet gelooft ? vroeg Etty aan hem (= Spier)

– Zeker. […] Iemand die gelooft, heeft het leven lief en is in staat op eigen benen te staan, zichzelf tot steun te zijn. […] Nederig kan men slechts worden als men de toegebrachte kwetsingen vergeet.’ (72-73)

Vooral de laatste zin over het achter zich laten van de kwetsingen, van het door anderen berokkende leed, deed mij denken aan de autobiografische roman van Giacometta Limentani (1927-2018), waarin zij vertelt over het antisemitische geweld waarvan zij en haar familie onder het fascisme van Mussolini vanaf 1938 slachtoffer werden. Het is onwaarschijnlijk dat zij de agressie zal vergeten, maar dat betekent niet dat zij de nederigheid, de liefde voor anderen en voor het leven niet kende. Integendeel, zij was in geen enkel opzicht vervuld van haat en bewonderde de moed van Etty Hillesum.

Nederigheid is een nastrevenswaardige deugd. In boven geciteerde zin doet het echter meer denken aan de christelijke nederigheid, die past bij de ‘christelijke’ Etty die de auteur voor de lezer neerzet. Een Etty die vrijwel geheel is ontdaan van haar Joodse achtergrond. De liefde tussen Hillesum en Spier blijkt een voorstadium van de Liefde met een hoofdletter, de menselijke liefde voor God en Gods Liefde voor de mens.

Hier is een gedreven schrijfster aan het woord. De zesentwintig korte hoofdstukken – van gemiddeld 6,2 pagina’s – zijn geschreven in een goed lopend hedendaags Italiaans dat de aandacht van de lezer vasthoudt tot aan het laatste bladzijden. Het verhaal moge zich dan afspelen in Amsterdam, het is ontdaan van alle eventuele storende locale – lees: Nederlandse – culturele elementen. Dat geldt evenzeer voor de historische context, die  vrijwel volledig ontbreekt. De volgens dit bestek gecreëerde romanpersonages, voegen zich moeiteloos in de Italiaanse context en komen bij een Italiaanse lezeres of lezer daarom vertrouwd over.

Niet iedereen zal deze werkwijze toejuichen en meer feitelijke informatie hebben verwelkomt. Maar in een land waar de historische en hedendaagse kennis over de Lage Landen bijzonder gering is, lijkt deze reductieve aanpak voor hen die werkzaam zijn in de culturele sector een onvermijdelijke keuze. Ik vind dat jammer en zou mij van de kant van Italiaanse schrijvers, filmmakers en uitgevers meer durf en inspanning wensen.

Etty Hillesum in tien liederen. Het vertrek op 7 september 1943 uit kamp Westerbork verteld in een Italiaans kinderboek

De Italiaanse schrijver en hebraïst Matteo Corradini heeft in februari 2017 een voor jeugdige lezers gedacht boek over Etty Hillesum  gepubliceerd. Het is alleen in het Italiaans  beschikbaar en daarom geef ik eerst een werkvertaling van de titel: ‘Wij zijn zingende vertrokken. Etty Hillesum, een trein, tien liederen.’ [Siamo partiti cantando. Etty Hillesum, un treno, dieci canzoni, Palermo, rueBallu edizioni, 2017. Illustraties van Vittoria Facchini.] Corradini is niet de eerste die een zinssnede van Etty Hillesum gebruikt voor de titel van een boek over haar. Ik moest denken aan het in 2003 uitgekomen ‘Wachten jullie op mij?, samengesteld door Ria van den Brandt en Klaas Smelik, en waarvan in 2016 een nieuwe sterk uitgebreide editie beschikbaar kwam. Een vroeg Italiaans voorbeeld is het boek uit 1998 van Graziella Merlatti, die de woorden ‘denkend hart’ (Het Werk, 545) in de titel had opgenomen, en Isabella Adinolfi, die ‘een onneembare vesting’ (Het Werk, 518) heeft gebruikt voor de titel van haar boek uit 2011.

Corradini benut de zin ‘Wij zijn zingende uit dit kamp vertrokken […]’, die we kunnen lezen in Hillesums laatste ons bekende getuigenis: de briefkaart van 7 september 1943 aan Christine van Nooten (Het Werk, 702). Het was een gewoonte geworden om briefkaarten uit de deportatietrein te werpen. Op Etty Hillesums kaart van 7 september 1943 staat het poststempel van Glimmen, dat in de buurt van Haren ligt, een station op de spoorlijn Zwolle-Groningen. Sinds de jaren twintig was daar een aftakking voor het baanvak richting Nieuweschans gemaakt en dat gaf de gelegenheid – de trein reed immers langzaam vanwege de wissel – om kaarten uit de wagons te gooien. Ze werden door omwonenden opgeraapt en gepost.

De Italiaanse versie van de zinsnede ‘wij zijn zingende […] vertrokken’ luidt: ‘siamo partiti cantando’ en is bijzonder geschikt als titel voor een boek, niet in het minst vanwege de precieze en mooie vertaling. Minder elegant vind ik, dat de auteur de vertaalster Chiara Passanti niet noemt. Van haar hand zijn de eerste Italiaanse vertalingen van de selecties uit Hillesums dagboeken (It. ed., 1985) en brieven (It. ed., 1986). En van haar is dus ook de vertaling van de briefkaart. In zijn boek ontbreekt trouwens elke verwijzing, noch naar de integrale Italiaanse edities van Etty Hillesums werken, noch naar andere bronnen en teksten.

Om de woorden uit de briefkaart draait heel het boek van Corradini, dus in feite om het vertrek van Etty Hillesum, haar ouders en Mischa op dinsdag 7 september 1943. Hij heeft het eerste introducerende hoofdstuk ‘Vaarwel’ genoemd, en het afsluitende twaalfde ‘Gebed’; tezamen vormen zij het kader waarbinnen het verhaal zich in tien hoofdstukjes voltrekt. Corradini kiest niet voor een anonieme verteller, maar voor ik-persoon, die de lezer, klein of groot, vanaf de eerste zinnen gemakkelijk kan herkennen als Etty Hillesum. Het resultaat is een naar de vorm autobiografische tekst, geschreven door iemand die zich in een trein bevindt en af en toe melding maakt van wat zij ziet als ze naar buiten kijkt, maar die vooral haar herinneringen aan geliefde personen, plaatsen en gebeurtenissen uit haar recente verleden aan het papier toevertrouwt. In deze zin sluit dit boek mooi aan op de authentieke dagboekteksten die voor Corradini de inspiratiebron waren.

Zijn boek opent met de zin: ‘Ik weet niet meer welk lied het was, maar we zijn zingend vertrokken.’ (15) Op de vraag die de auteur in deze zin heeft verpakt, worden tien antwoorden gegeven in de tien hoofdstukjes die hij liederen heeft genoemd en zijn opgebouwd uit een kort stukje proza, waarin het onderwerp ter sprake wordt gebracht en dat vervolgens uitgewerkt wordt in paragraafjes die ‘strofe’, ‘refrein’ en soms ‘variant’ heten. Zo ontstaat een hechte en zorgvuldig gestructureerde narratio waarin de treinreis en het eindpunt – dat niet wordt genoemd, maar we weten allemaal wat het eindstation was – voor een uitnodigende spanningsboog zorgen.

Na het eerste ‘Lied over de boom’ volgt het ‘Lied over het portret’ (Julius Spier), over ‘de zee’ (Mischa), over ‘schoonheid en  domheid’ (Etty Hillesum), over ‘de handen’ (Spier), over ‘de heide’ (kamp Westerbork), over ‘het nachthemd’ (de nacht voor het vertrek), ‘de maan’, ‘het potlood’ (schrijven) en het tiende lied gaat over ‘het huis’ (de wereld). Het zijn belangrijke thema’s in Hillesums dagboek.

Het aantal liederen is bepaald op tien, maar zou gemakkelijk kunnen groeien, want uit niets blijkt een dwingende logica die dat  aantal zou voorschrijven. De beperking wordt mijns inziens ingegeven door de omvang die de uitgever voor de serie ‘Jeunesse ottopiù’ heeft vastgesteld en waarvan de naam een indicatie is voor de doelgroep: kinderen van acht jaar en ouder. Corradini had overigens in 2015 al een boek over Chopin in dezelfde reeks gepubliceerd, dat volgens hetzelfde strakke schema is opgezet.

De twaalf kleurenillustraties van Vittoria Facchini richten zich eveneens op deze leeftijdsgroep. De Etty Hillesum die zij afbeeldt, is niet een vrouw van 29 jaar, maar een tiener. Waar het een jeugdherinnering betreft, zou dit nog aannemelijk zijn, maar in veel gevallen ontstaat er een zekere discrepantie. Hillesum was immers ver in de twintig toen zij het dagboek schreef en de 29 lang voorbij op de dag dat zij werd gedeporteerd.

Corradini vertelt aan zijn jeugdige lezers het verhaal van het vertrek, de reis, maar vooral wat Etty Hillesum dacht en voelde.         Aan de hand van twee thema’s zal ik onderzoeken of hij daarin naar mijn mening is geslaagd. Eerst bespreek ik de rol van Julius Spier en daarna het thema van de boom. Beide onderwerpen doortrekken heel het verhaal en lenen zich daarom voor verdieping.

Het lied van de handen
Dit boek doet recht aan Julius Spier. In de vroegere Italiaanse Hillesum-receptie werd hij veelal als een ‘oplichter’ terzijde geschoven. Men kwam vrij snel tot dat oordeel, omdat tot 2012 alleen de tekst van de eerste dagboekselectie beschikbaar was, waarbij bovendien bedacht moet worden, dat een groot deel van de tekst van het eerste dagboekcahier was geschrapt door de toenmalige bureauredacteur van Adelphi, want irrelevant geacht. Met de publicatie in november 2012 van het volledige dagboek in het Italiaans zijn de gronden voor dit type oordeelsvorming weggenomen.

In het zesde hoofdstuk, het ‘Lied van de handen’, legt Corradini’s Etty Hillesum gedetailleerd uit hoe zij bij Spier de afdrukken van haar handen maakte en beschrijft het resultaat: ‘Een precies en zwart teken, met microscopische lijnen, duizenden tekens: het waren mijn handen. Het was mijn geschiedenis. Niet mijn toekomst, nee: S. was geen oplichter. Hij  sprak over het heden, niet over de toekomst.’ (64) Aanvankelijk was zij zeer sceptisch over de pretentie van de psychochiroloog dat hij via de handen iets zinnigs over iemands innerlijk zou kunnen zeggen. Kritisch schrijft  Corradini/Hillesum: ‘Hoe kun je iets zeggen over hoe een huis is gemeubileerd, als je alleen de voordeur ziet? Dat is absurd.’ Maar dan – ik parafraseer – maakt ze de vergelijking met een kers die Spier in haar hand legt. Hij zag glimlachend toe, omdat ik wist hoe een kers smaakt en waar zij groeit. Een blik op de buitenkant van de vrucht was voldoende. (62-62) Deze vergelijking lijkt me enigszins gewaagd, maar is in het verhaal functioneel, omdat het haar twijfels omtrent Spier wegneemt. Maar Corradini gaat nog een stap verder: Hillesums handafdrukken op het papier worden in het laatste refrein geassocieerd met handen op een landkaart. En daarmee doet de oorlog zijn intrede, want op die kaart is het front aangegeven, de reis naar het oosten, de grenzen die de trein is gepasseerd, de nazi’s (67) die dit alles hebben georganiseerd. ‘Ik volg met mijn vingers de contouren van de horizon, voor me zie ik de bruggen, de kanalen, de heuvels en ga er met mijn vingers langs. En dan de kampen, en ik probeer de ons welgezinde personen tussen de struiken te onderscheiden. Maar het lukt mijn handen niet eens om de deuren van deze wagon openen, laat staan dat ze iets zouden kunnen veranderen. Ieder van ons is het front. En de toekomst is niet geschreven in onze handen, maar is waar men ons heenvoert.’

In luttele pagina’s maakt Corradini door zijn verhalende tekst een serie onderwerpen inzichtelijk, die in een zakelijke tekst veel uitleg zouden vergen en beperkt toegankelijk zou zijn. In het derde hoofdstuk, ‘Lied over het portret’, is de liefde tussen Spier en Hillesum het uitgangspunt. Maar wie over de liefde vertelt, komt al snel op het hart. Dat schept de ruimte om ‘het denkende hart van de barak’ ter sprake te brengen. Maar eerst wordt Spier voorgesteld en uitgelegd wat een chiroloog doet: ‘hij bekijkt je handen om te kunnen begrijpen wat er in je hoofd gebeurt’. (33) De verbinding tussen Spier en het denkende–hart–thema wordt gelegd, als Hillesum in haar schaarsverlichte kamer op een foto zijn gelaat aanschouwt, en waardoor zij de ervaring heeft, dat er in haar innerlijk een licht wordt ontstoken. In kamp Westerbork komt deze dankzij Spier verworven innerlijke kracht of inspiratie tot vorm in de zo frequent geciteerde zin ‘Het denkende hart van de barak.’ (Het Werk, 545, en varianten erop: ‘[…] laat mij dan het denkende hart van deze barak mogen zijn. Ik wil het weer zijn. Ik zou het denkende hart van een heel concentratiekamp willen zijn.’ (Het Werk, 575)

Het lied van de boom
De tiener Etty stal kersen van een boom (het platteland van Deventer?)  die eigendom was van een boer, die dan wel niet wist hoe zij heette, maar die er niet aan twijfelde dat zij Joods was en haar ‘lelijke woorden toeschreeuwde’. (25) Ook haar ouders, haar huis en zelfs haar poes  moesten het ontgelden. De verwijzingen naar het antisemitisme zijn impliciet, maar voor wie ze wil zien, zijn ze er.

Misschien was het lied dat in de wagon werd gezongen, gewijd aan ‘de bomen die wij zagen vanuit de wagon, toen wij Westerbork verlieten, of misschien aan een enkele boom, of aan één boom.’ (27) Onder een boom heeft Etty de mooiste kus van haar leven gegeven, schrijft zij. Aan Julius Spier.

Bomen keren terug in het afsluitende hoofdstuk, als de trein zijn bestemming lijkt te naderen. Uit de wagon ziet zij nieuwe aanplant van bomen en struiken. Wie plant er nu midden in de oorlog nieuwe bomen? Dat doen alleen zij die iets te verbergen hebben: de massagraven waarin Joden zonder naam liggen en waarover reeds lang bomen en struiken groeien. Om de moorden te verbergen.

Maar dat was tevergeefs. Het boek sluit af met dit beeld: ‘Boven ons groeien de planten. Hun wortels komen tussen onze armen alsof ze ons willen omvatten. Stukje bij beetje veranderen ook wij in takken en schors. Spelende kinderen klimmen in onze takken om kersen te stelen.’ Van de kersenboom uit het eerste lied, via het kersendiefje Etty, naar de bomen in de bossen van Oost-Europa en daarna – maar dan zijn we al buiten het boek beland – in heel de wereld waar duizenden bomen voor de rechtvaardigen worden geplant. Wat ook in gedachte komt, is het Joodse ‘Nieuwjaar van de bomen’, het Toe Bisjvat, dat valt op 15 Sjevat, eind januari, begin februari. Op deze feestdag planten Israëlische schoolkinderen in het hele land jonge boompjes.

Conclusie
Corradini heeft over Etty Hillesum een liefdevol boek geschreven. Zij doet daarin het woord, ook al spreekt zij met die van de auteur. De enige ‘bijbedoeling’ lijkt mij er een van didactische aard. Corradni’s teksten bieden de lezers in de beoogde doelgroep talloze aanknopingspunten: enerzijds de beweegredenen van Etty Hillesum om haar gevoelens, gedachten en ervaringen op dat specifieke moment in haar leven in een dagboek onder woorden te brengen, anderzijds om de complexe historische context waarin zij dat deed, aan de jongere generaties te begrijpen. Wie dit boek ter hand neemt om hieraan een steentje bij te dragen, moet uitleggen dat Etty Hillesum geen poes had (Lied van de boom), en dat er rondom kamp Westerbork in de oorlogsjaren geen bomen stonden, zoals nu het geval is. Maar dit zijn details die niets af doen aan Corradini’s verdiensten, integendeel zou ik zeggen; maar ik ben ietwat bevooroordeeld, want ik houd van bomen en ben dol op katten.

 

Giuseppe Laras, 1935 – 2017: de opperrabbijn van Milaan en Etty Hillesum

Op woensdag 15 november 2017 overleed in Milaan rabbijn Giuseppe Laras. Hij was 25 jaar de opperrabbijn van die stad. Hij wordt geëerd met de titel ‘maestro’, geestelijk leider. Door velen werd hij erkend als een gids die richting gaf aan hun bestaan, als een leraar die zijn levenswijsheid deelde met hen die bereid waren naar hem te luisteren.

Giuseppe Laras

Laras heeft telkens opnieuw gewezen op het steeds dieper groeiende antisemitisme, in Italië en in Europa. Gedurende zijn lange carrière heeft hij zich met evenveel vasthoudendheid ingezet voor de interreligieuze dialoog tussen joden en christenen. Hij was tot diens dood bevriend met zijn stadgenoot kardinaal Carlo Maria Martini, eveneens groot voorvechter van deze dialoog. Laras breidde zijn ideeën daarover uit tot de wereld van de islam. Hij nam deel   aan het World Congress of Imams and Rabbis for Peace. Laras heeft gewerkt als universitair docent aan universiteiten in Milaan en Pavia. Hij heeft zich vooral toegelegd op de studie van Maimonides, de Joodse filosofie van de Middeleeuwen en de Renaissance, onderwerpen waarover hij publiceerde.

Zich bewust van het naderende einde heeft Laras in een brief aan de Milanese Joodse Gemeenschap opgeroepen “nieuwe modellen” te ontwerpen waarmee men twee van de complexe problemen van deze tijd aan zou kunnen pakken: ten eerste “de nieuwe golf van antisemitisme, het verraad van de linkse politiek, het snelle intellectuele en morele verval van de Westerse beschaving”, en ten tweede de fase van “uittering en verharding” waarin het Jodendom verkeert.  In de context van de jaarlijkse herdenkingen rond 27 januari was Giuseppe Laras bekend geworden als de ‘Overlevende van de Sjoa’. Op 2 oktober 1944 ontsnapte hij in zijn geboortestad Turijn aan de dood in een concentratie- of vernietigingskamp toen zijn moeder en oma werden verraden. Hij vat de gebeurtenissen nog eens samen in een artikel dat het Italiaanse katholieke dagblad Avvenire op de dag na zijn dood afdrukte: “Het lichaam is een geschenk van God. Mijn jaren ontnemen mij mijn kracht…” Ik vertaal er de volgende passage uit:

Ik herinner mij dat de twee Italiaanse SS-ers eenvoudig op de deur klopten. Onze vrome conciërge, altijd goed behandeld door mijn familie, had mijn moeder en oma aangebracht.  Zo kon zij de 5000 lire per persoon incasseren. Ik herinner mij de straat die wij ’s avonds laat doorgingen, te voet naar het gebouw van de Gestapo. Ik herinner mij de laatste snel gewisselde blik met mijn moeder, die ik nooit meer terug zag. Ik herinner mij hoe ik wanhopig en geschokt was gevlucht om een veilig heenkomen te zoeken, een plaats om mij te verbergen. En ik herinner me ook dat ik een half jaar niet heb gesproken. Ze was mooi, mijn moeder. […] Ons gezin was warm en boordevol van de levenslust, die in het woord ‘familie’ is samengebald en verscholen. Mijn kinderjaren waren heerlijk. Op 2 oktober 1944 raakte ik dit alles in één slag kwijt. Ik was negen jaar oud. Het was een onomkeerbaar verlies.

Zoals gebruikelijk worden bekende personages door journalisten over actuele thema’s om hun mening gevraagd. Dat overkwam ook Rabbijn Laras regelmatig. In een artikel in het dagblad Corriere della Sera van 3 januari 2014 over Etty Hillesums Dagboek (ik heb de bron niet kunnen controleren) heeft hij iets over haar gezegd. De passage wordt geciteerd door Nadia Neri in haar artikel van 14 januari 2014, geplaatst op de website van de Milanese Vereniging Gariwo:

Het is verkeerd haar voor te stellen als een heldin of als een hoeksteen van het denken. Zij was een intelligente en gevoelige jonge vrouw, die ons een zeer belangrijke getuigenis heeft nagelaten. Maar men moet er ook rekening mee houden, dat zij grote psychologische problemen had, die werden verergerd door de verhouding met Julius Spier, een therapeut die 27 jaar ouder was. De woorden en het gedrag van Etty [Hillesum] moeten worden beschouwd in de optiek van een gestoorde persoon.

Neri vindt deze opmerkingen van Laras ‘geringschattend’. Haar verontwaardiging komt voort uit de opvatting “Etty is een gewone vrouw.” (Etty è una donna normale.), die Neri sinds 1988 heeft gekoesterd. Daar is niets op tegen, maar toch wijkt haar mening niet zó sterk af van die van de opperrabbijn als zij in hetzelfde stuk doet voorkomen. Dit blijkt als zij verduidelijkt wat zij zélf onder “normaal”  verstaat: “[Etty had] net als iedereen veel problemen, een moeilijke verhouding met haar ouders, eetproblemen en een ernstige depressie…” Voorwaar niet gering.

Dat geldt ook voor de opmerking van rabbijn Laras over Etty Hillesum: ‘een gestoorde persoon’ (una personalità disturbata). Ik neem voorlopig aan dat Neri de rabbijn correct citeert, maar het lijkt me niettemin een oordeel dat niet past bij iemand als Laras. Je vraagt je af wat hij van Hillesums werk gelezen heeft. Wellicht alleen de bloemlezing uit 1981? Ik blijf voorlopig het anwoord schuldig.

In dit stukje wil ik tot slot nog wijzen op een interessante overeenkomst tussen Etty Hillesum en Giuseppe Laras: beiden waren zij mensen van de dialoog en beiden hebben zij aan die overtuiging méér dan lippendienst bewezen. Het gesprek met de ander veronderstelt de afwezigheid van haat. In het dagelijks bestaan kan aan deze voorwaarde meestal wel worden voldaan, maar in de uitzonderlijke omstandigheden waaronder Etty Hillesum, haar familie en haar volk leefden (en mutatis mutandis de Italiaanse Joden), lagen de verhoudingen volledig anders. Er was veel moed voor nodig om serieus begrip te vragen voor de dialoog.

Ook in onze tijd, die wordt geteisterd door ontelbare verwoestende oorlogen en conflicten op zeer veel plaatsen in de wereld, vraagt het om grote moed de dialoog als middel voor de oplossing van conflicten voor te stellen. Niet zelden wordt deze optie honend afgewezen. De boventoon voert wat men aanduidt als “hate speech”; zoals bekend, werd de haat door Etty Hillesum op 15 maart 1942 zeer treffend aangeduid als “… een ziekte van de eigen ziel.”

Nota.

Nadia Neri is de schrijfster van het boek Un’estrema compassione. Etty Hillesum testimone e vittima del Lager, Milaan: Bruno Mondadori, 1999.

Etty Hillesum doorgedrongen tot in de Enciclopedia Italiana

Het is niet zo moeilijk om op de hoogte te blijven van de nieuwe boeken over Etty Hillesum die in Italië verschijnen. Iets lastiger is het om de aan haar gewijde artikelen in tijdschriften en kranten op het spoor te komen. Het wordt gecompliceerd als het gaat om hoofdstukken of alinea’s over haar in publicaties over andere zaken. Af en toe overkomt het me dat ik een verwijzing aantref terwijl ik eigenlijk op zoek was naar iets heel anders.

Zoals vanmorgen. Ik zocht naar lexicale informatie gerelateerd aan Nederlandse onderwerpen in de beroemde Enciclopedia Italiana, uitgegeven door het Instituut  Treccani, opgericht in 1907 in Rome en actief tot op de dag van vandaag. De encyclopedie is in talloze bibliotheken beschikbaar, zelfs in kleinere gemeenten.  Tegenwoordig bestaat er ook een online versie. Je kunt op de EI site zowel nieuwe artikelen vinden als de bijdragen uit de jaren dertig van de vorige eeuw. Een bijzonder interessante historische bron!

In het grote artikel over Nederland – getiteld: ‘Paesi Bassi’– vond ik in paragraaf 5 van het omvangrijke hoofdstuk over literatuur  een alinea over verzetsliteratuur waarin ook Etty Hillesum wordt genoemd. Dit is mijn vertaling ervan:

De verzetspoëzie vond haar belangrijkste uitdrukkingen in “Het lied der achttien dooden”, van J. Campert en in het Het Vrij Nederlandsch liedboek (1944), waarin gedichten van verschillende auteurs zijn opgenomen. Eén van de bekendste getuigenissen van de verschrikkingen van de oorlog is Het Achterhuis (1947) van Anne Frank; een recente ontdekking is het waardevolle werk van E. Hillesum, gedood in Auschwitz: Het verstoorde leven (1981) en Brieven 1942-1943 (1986). Het thema oorlog en oorlogsherinneringen  is aanwezig in het werk van diverse auteurs: van de novelle De nacht der Girondijnen (1957) , van E. (sic) Presser, de bundels Het bittere kruid (1957) en De val (1982), van de schrijfster M. Minco, tot de roman De aanslag (1986) van H. Mulisch.

[Ik heb de Italiaanse titels + jaar van uitgave van de vertalingen van de genoemde boeken weggelaten.]

In deze alinea hebben Anne Frank, Auschwitz en Harry Mulisch een link naar de aan hen gewijde artikelen in dezelfde encyclopedie gekregen. Over Etty Hillesum werd tot nu nog geen afzonderlijk artikel gepubliceerd.

Het lijkt mij van belang dat Etty Hillesum is vermeld in deze gerenommeerde en prestigieuze Italiaanse encyclopedie. Hillesums aanwezigheid duidt erop dat haar bekendheid in dit land in stijgende lijn is. Wel moeten we bedenken, dat er in het artikel alleen auteurs worden genoemd wier werk in een Italiaanse vertaling beschikbaar is. Het lijkt me eveneens van belang, dat het deze keer nu eens niet gaat om Hillesums presentie in een specifiek segment van de Italiaanse maatschappij, maar om een plaatsje  binnen de brede context van een algemeen cultureel instrument van de bovenste plank.

 

17463 vind-ik-leuks: de Italiaanse Etty Hillesum Facebook pagina

Op 21 november 2012 werd in Rome de Facebook pagina Un nuovo senso delle cose in het leven geroepen. Het initiatief werd genomen naar aanleiding van het verschijnen op die dag van de integrale editie van Hillesums dagboek in het Italiaans. Het doel van deze pagina is ‘Gedachten van Etty Hillesum’ via Facebook wereldkundig te maken. Deze titel is de vertaling van de woorden ‘… een nieuwe zin …’ uit Etty Hillesums brief van december 1942. De toevoeging in het Italiaans van de bepaling ‘delle cose’ – ‘van de dingen’ komt voor de rekening van de vertaalster Chiara Passanti. Het gaat mij hier echter niet om de vertaling, hoe interessant deze kwestie ook is, maar om de twee andere zaken: 1. Het fenomeen van de ‘like’ button, en 2. de popolariteit van deze facebook pagina.

Bij 1. Een tijdje geleden las ik in een post op het weblog Milfje een alinea over de ‘Like’ button en de Nederlandse vertaling ‘Vind-ik-leuk’. In het Italiaans heeft deze button de naam ‘Mi piace’ gekregen. Door het aanklikken ervan geef je aan dat je de inhoud van het bericht leuk vindt of dat je het bericht met plezier hebt gelezen of bekeken. Deze vorm van feedback wordt door auteurs van tekst- en beeldmateriaal op het web van groot belang gevonden. Natuurlijk is deze eigentijdse aanklikpartecipatie wat magertjes, maar niet iedereen heeft zin en tijd om een doorwrochte reactie te schrijven. Zo gezien is de Like button een prachtige uitvinding en past volledig in de context van de digitale media: je laat weten dat je iets leuk vindt zonder dat je daarvoor argumenten hoeft te geven. In het echte leven kom je er niet altijd zo gemakkelijk van af. Als je met zijn tweeën voor een schilderij van laat ik zeggen BarnOnement VIet Newman staat en je zegt tegen je gezelschap : ‘Dit vind ik een schitterend’, dan loop je het risico dat je te horen krijgt: ‘Vind je dat nou écht leuk?’ En als je de vriendschap niet wilt laten bekoelen, zul je toch minstens één reden moeten geven. Je kunt je er natuulijk ook van afmaken met een ‘Nou gewoon, vind-ik-leuk.’

Bij 2. Vergeleken met de EHOC Facebookpagina kan de Romeinse bogen op een verrassend grote populariteit. Vandaag 29 november 2015 is de stand 1.224 tegen 17.463 reacties, ofwel 1:14,4 terwijl de verhouding inwoners van beide landen ongeveer 1:3,7 is, ofwel 16 tegen 60 miljoen inwoners.

Ik kan voor dit grote verschil niet zo snel een verklaring bedenken. Dat ligt niet aan het feit dat ik geen Facebook gebruiker ben. We moeten het misschien zoeken in de twee onmiskenbaar andere benaderingen: de EHOC-pagina is vooral gericht op het brengen van nieuws, terwijl de Italiaanse zijn gebruikers bijna elke dag een nieuwe afbeelding en een ander citaat uit de nagelaten geschriften van Etty Hillesum aanbiedt. Het lijkt me, dat deze combinatie van een afbeelding gekoppeld aan een korte tekst een succesformule is.

Je kunt er ook op een andere manier tegenaan kijken. Terwijl de informatie die door de EHOC-pagina wordt gepresenteerd direct is verbonden met de activiteiten van het onderzoekscentrum, presenteert de Romeinse facebook-pagina de citaten zonder context en staan de afbeeldingen daar gewoonlijk los van. Je krijgt dan – zoals een vriendin dat uitdrukte – een ‘wijsheid van de dag’ opzet die los komt te staan van Etty Hillesum, maar juist daarom door velen wordt ‘geliked’. En met dit leenwoord uit het Engels ben ik weer terug bij de taalwebsite Milfje.

 

 

Kenden Titus Brandsma en Louis Hillesum elkaar?

Op zondag 3 november 1985 werd Titus Brandsma in Rome verheven tot de eer der altaren. De drie dagen durende plechtigheden werden door een paar duizend Nederlanders bijgewoond, waaronder zevenendertig familieleden Brandsma. De Sint Pieter was volgestroomd met duizenden bewonderaars van Titus uit verschillende landen. Onder hen de delegaties van alle karmelprovincies. Men schat dat ongeveer 12.000 mensen aanwezig waren.

Bij het ‘grote’ publiek in Italië is Brandsma vooral bekend geworden als slachtoffer – en derhalve past de term martelaar – van de nationaalsocialisten vanwege zijn verzet tegen de door hen beoogde nazificatie van de katholieke pers. Hij werd door de nazi’s gearresteerd op 19 januari 1942 en op zondag 26 juli van datzelfde jaar werd in Dachau een einde aan zijn leven gemaakt. Voor meer informatie over het lot van Brandsma verwijs ik naar de vrij omvangrijke literatuur. Waardevol en leesbaar vond ik de grote biografie van Ton Crijnen: Titus Brandsma. De man achter de mythe. (Valkhof Pers, 2008). Toen ik las dat Titus Brandsma in het najaar van 1940 in Deventer was geweest, vroeg ik mij af of hij en Louis Hillesum elkaar daar ontmoet zouden kunnen hebben. Etty Hillesum verbleef voor zover we weten in die periode in Amsterdam.

Dit alles lijkt op het eerste gezicht wat ongerijmd, wat kon immers verder uit elkaar liggen dan de twee werelden en culturen waarin deze drie personen toen leefden. Welnu, ook al hebben we behalve een foto geen directe of indirecte bronnen waarop mijn veronderstellingen kunnen worden gebaseerd, het behoort tot de mogelijkheden dat Brandsma in huize Hillesum te Deventer onderwerp van gesprek is geweest. Hieronder drie punten waaruit blijkt dat enig ‘contact’ niet ondenkbaar is:

A. Hein Blommestijn, medewerker van het Titus Brandsma Instituut, vertelt in zijn ‘Inleiding’ op Constant Dölle’s De weg van Titus Brandsma. Biografie van een martelaar 1881-1942, (Uitgeverij Ten Have, 2000) over een bezoek van Brandsma als gecommitteerde aan de stad Winschoten in 1923. Hij brengt bij die gelegenheid graag een

Titus Brandsma in 1934.
Titus Brandsma in 1934.

bezoek aan de Friese familie Dölle. Naast hen in de Oranjestraat woont de familie Hillesum. Blommestijn schrijft verder: “Etty Hillesum … is nu negen jaar. De kinderen spelen op straat … Het is waarschijnlijk dat Titus Brandsma en Etty Hillesum, zonder het te weten, elkaar gezien hebben.” (p. 7) Het negenjarige joodse meisje had ongetwijfeld opgekeken naar de voorbijruisende monnik, die in een donker kleed was gehuld en een “mooie, zwarte hoed” droeg. In juli van datzelfde jaar was de karmeliet aan de kersverse Katholieke Universiteit van Nijmegen tot hoogleraar filosofie benoemd. Biograaf Dölle legt een verband (p. 45-46) tussen de volgende drie zaken: a. Brandsma’s beeld van God als ‘de diepste grond in mij’, b. het volgende gedicht van Teresa van Avila:

En mocht je misschien niet weten
waar je Mij zult vinden,
dwaal dan niet heen en weer,
maar, als je Mij wilt vinden
moet je Mij eerst zoeken in jezelf.

Want je zult mijn rustplaats zijn
Je zult mijn huis en verblijf zijn
En daarom zal ik altijd bij je aankloppen
Wanneer ik mocht denken
Dat de deur gesloten is.

en c. hetzelfde thema bij Etty Hillesum: ‘… dat allerdiepste en allerrijkste in mij, waarin ik rust, dat noem ik “God”’. (Het Werk, 549.)

Louis Hillesum is links op de foto zichtbaar.
Louis Hillesum is links op de foto zichtbaar.

B. De vader van Etty Hillesum, de rector van het Stedelijk Gymnasium van Deventer, was op 16 oktober 1940 aanwezig bij de herdenking van 600 jaar Geert Groote, die in 1340 in de IJsselstad werd geboren. In de Haagse Courant van 17 oktober 1940 is een foto afgedrukt waarop hij tezamen met andere autoriteiten staat afgebeeld in de raadszaal van de gemeente Deventer. Of hij daarna de herdenkingsbijeenkomst in de Grote Kerk heeft bezocht, eventueel vergezeld door zijn vrouw Riva, weten we niet. Titus Brandsma hield ter gelegenheid een voordracht.

C. Brandsma publiceerde in de periode april 1938 – september 1941 wekelijks een artikel over de Nederlandse mystieke traditie in de rubriek “Van Ons Geestelijk Erf” van het dagblad De Gelderlander. Het moet ’s voorshands niet uitgesloten worden geacht dat deze krant ook ten huize Hillesum gelezen werd. Het katholieke dagblad werd gepubliceerd in Nijmegen, maar had als verspreidingsgebied de hele Achterhoek inclusief de IJsselsteden. Wij denken ook aan het gegeven dat Louis Hillesum op vrijdag 29 november, bij het verlaten (door de nazi’s gedwongen tot ontslag) van het Stedelijk Gymnasium, tijdens zijn afscheidswoorden dit mooie citaat van Geert Groote voorlas:

Voor alle dinc dunct mi goet, dat ghi geestelike blijde zijt.

Het is zeer wel denkbaar, gezien zijn achtergrond, dat Hillesum hij zich reeds eerder in de werken van de Deventer mysticus en de Moderne Devotie had verdiept.

Noot. Het gedicht bestaat uit zeven strofen: de eerste van twee versregels, de overige zes van elk vijf versregels. Hierboven zijn de strofen vijf en zes geciteerd. Teresa van Avila schreef het gedicht waarschijnlijk rond Kerstmis 1576.

 

Etty Hillesums ‘modderschrift’

Het was Etty Hillesums uitgesproken wens na de oorlog schrijfster te worden. Dat kan men op vele plaatsen in haar dagboek nalezen. Haar dagboek beschouwde zij een oefenschrift waarin zij tussen begin maar 1941 en oktober 1942, dus in een relatief kort tijdsbestek, in tien cahiers ongeveer 250.000 woorden neerschreef. Het waren er nog zo’n 25.000 meer, maar het zevende cahier is verloren gegaan. Zij had van haar schrijfkunst in deze fase van haar leven overigens geen hoge dunk, niet wetende dat twee van haar brieven in het najaar van 1943 zouden worden gepubliceerd.

Haar negatieve opinie kunnen we aflezen aan de woorden ‘klad’, ‘kladden’. Aan het begin schrijft ze met een zekere zelfspot: “Hè, hè, wat mooi geformuleerd, maar ik klad het maar neer …” (HW, 10.), maar ook veel later is ze nog kritisch: “Ik zit hier nu 1½ uur ongeveer te pennen en voel me nog akeliger en ontevredener dan toen ik begon. Dat komt, ik zit maar zo een beetje in het wildeweg te kladden.” (HW, 118.) Maar zelfs in een brief aan Spier gebruikt ze deze zinswending nog: “… ik klad het maar neer, zoals het toevallig uit de pen komt …” (HW, 588.)

Wij moeten dan ook niet vreemd opkijken als zij in overeenstemming met deze vrij negatieve waardering haar dagboek op 18 juni 1942 karakteriseert als volgt: “Dit is m’n modderschrift. Een soort vuilnisbak voor velerlei afvalproducten van m’n geteisterd gemoed. […] wanneer alle afvalproducten weggewerkt zijn, wie weet, kom ik misschien eens tot iets positiefs op deze blauwe lijntjes? (HW, 445-446.) Het samengestelde woord ‘modderschrift’ komt in Hillesums nagelaten teksten slechts één maal voor, net als het werkwoord ‘modderen’, dat in de onovergankelijke betekenis van onhandig te werk gaan, om niet te zeggen knoeien: “Je kunt op dit gebied [de psychologie] zo heerlijk je eigen gang gaan, modderen, stellingen bedenken, hypotheses opstellen …” (HW, 136.) Het zelfstandig naamwoord ‘modder’ vinden we één keer figuurlijk gebruikt in de veel geciteerde zin “Dit barbarisme van ons moeten wij innerlijk afwijzen, wij mogen die haat niet aankweken in ons, omdat de wereld dan geen stap verder uit de modder komt.” Frequent is ‘modder’ (dertien keer) in de brieven in relatie tot kamp Westerbork, natuurlijk in de concrete betekenis van een mengsel van klei en water. Ze gebruikt het adjectief ‘modderig’ in twee omstandigheden. De eerste keer bij de gedachte aan de gracht waarin zij zou willen laten zakken om er een einde aan te maken (HW, 148, 224, 509) de tweede keer in verband met de jasmijn op het dak van de garage (HW, 484, 517).

Ik heb altijd aangenomen dat ‘modderschrift’ een door haar bedacht woord was, mogelijk associatief gevormd door haar frequent gebruik van het woord ‘modder’ en de schoolschriften waarin zij haar gedachten opschreef. En daar heb ik het dan ook bij gelaten. Op het moment echter dat ik mij afvroeg hoe dit woord in de Italiaanse vertaling was overgekomen, ontstond de behoefte meer over dit woord in mijn moedertaal te weten te komen.

Van de Leidse hoogleraar Marc van Oostendorp heb ik begrepen dat taalkundigen tegenwoordig internet zoekmachines zoals Google gebruiken om woordfrequenties en –gebruik na te gaan. Goed voorbeeld doet goed volgen. Zo trof ik in een verslag van de zitting van het Belgische parlement van 20 juni 1939 het woord ‘modderschrift’ aan, maar bovendien nog twee andere samenstellingen: ‘modderrevue’ en ‘modderproza’. Het zelfstandig naamwoord ‘modderproza’ heb ik via Delpher in de nationaalsocialistische weekblad Volk en Vaderland van 26 mei 1939 kunnen opsporen. Het voornoemde verslag verwijst naar een bijeenkomst op 21 mei van het Vlaams Nationaal Front waar het genoemde weekblad een pagina aan heeft gewijd. Het Woordenboek der Nederlandsche Taal geeft bij het lemma ‘modder’ geen enkele van deze vier samenstellingen geeft. Al met al geen rijke oogst. Maar voorlopig laat ik het hier even bij.

Het is niet na te gaan of Etty Hillesum het woord zelf heeft bedacht of aangetroffen en gebruikt in haar dagboek. Ik acht het zeer onwaarschijnlijk dat zij het NSB weekblad op haar leestafel had. In het Nederlands is de vorming van samenstellingen een zeer productief principe en daarom sluit ik haar creativiteit bij de woordvorming niet uit.

Dat brengt mij ten slotte op de vraag wat Etty Hillesum bedoelt met ‘modderschrift’. Ik meen dat dit niet negatief is in de zin van het geciteerde zittingsverslag waarin wordt verwezen naar iets wat op een smaadschrift lijkt. Hillesum heeft haar elf volgeschreven dagboekcahiers op het oog, een soort oefenschriften, die zij opvatte als een verzameling ruw materiaal om uit te putten voor het proza dat zij zou gaan schrijven ná haar terugkeer. Men zou kunnen denken aan de ‘modder’ – ter wille van de vergelijking vervang ik hier klei door modder – die de grondstof was waaruit volgens de beroemde Joodse legende de Golem werd gevormd.

Hoe lang het tegenwoordig in onbruik geraakte woord na de Tweede Wereldoorlog nog gebruikers heeft gevonden zou aardig zijn om uit te zoeken. In mijn tweedelige Van Dale, negende editie uit 1970, komt het niet voor.

Over ‘modderschrift’ buigen zich ook:

Ria van den Brandt, Denken met Etty Hillesum, Meinema, 2006, 39.

Debbie Pevenage, “Het harmonisch rollen uit Gods hand lukte niet zo erg. Worsteling en evenwicht in de dagboeken van Etty Hillesum” , licentiaat verhandeling, Universiteit Gent, 2006-2007.

De afkorting HW staat voor: Etty Hillesum, Het werk 1941-1943, uitgegeven onder redactie van Klaas A.D. Smelik. Tekstverzorging door Gideon Lodders en Rob Tempelaars. Zesde herziene en aangevulde druk, Uitgeverij Balans, Amsterdam, 2008.

De laatste woorden…

De titel van dit stukje kan worden vervolgd met het voorzetsel ‘van’ of ‘over’ en een naam. Van beide varianten kunnen we (bijna) oneindig veel positieve en negatieve voorbeelden geven, die we aantreffen in allerlei soorten teksten, bijvoorbeeld: romans en verhalen, poësie, biografiën en dagboeken. Dit stukje gaat over teksten ‘van’ en de naam van de auteur is Etty Hillesum. Het nieuwe logo van het Etty Hillesum Onderzoekscentrum werd de aanleiding om het te schrijven. Een mooi voorbeeld van een geslaagd logo. Het is niet eenvoudig een logo te bedenken dat indruk maakt en in het geheugen beklijft. Sommige logo’s hebben een ongeëvenaarde symboolwaarde aan zich getrokken en hebben zich in het dagelijkse bestaan van velen genesteld.

EHOC Logo jpg
Het nieuwe logo. Het ontwerp is van Michel Jongepier.

Het logo van het EHOC heeft nog niet ieders hart bereikt, maar het ontbreekt hem niet aan kracht om daarin een plaatsje te veroveren. Het ontwerp bestaat uit drie elementen. Een boek dat als draagvlak dient voor de twee andere gestyleerde afbeeldingen: een foto van Etty Hillesum en een pagina tekst. Wat op het eerste gezicht een geslaagd logo lijkt bevat ook een tweetal aardige verrassingen.

De foto is afgedrukt in het tweede katern illustraties van de zesde editie van Het werk 1941-1943 en heeft nummer xxxii gekregen. Eerlijk gezegd is dezelfde foto twee keer opgenomen in deze editie, want we vinden haar ook tegenover de titelpagina. De naam van de fotograaf zijn de

Etty Hillesum, circa 1940
Etty Hillesum, circa 1940

editors blijkbaar niet op het spoor gekomen en ook het jaar is een veronderstelling: “circa 1940” staat eronder. Het is mij trouwens opgevallen dat deze afbeelding niet in de vijfde editie voor komt. Niet alleen is de Zesde herziene en aangevulde druk uit september 2012 nu beschikbaar in een elegant uitgegeven gebonden uitgave, maar hij bevat tevens een iconografische verrijking.

De tweede verrassing schuilt in het derde element. Wie het hierboven weergegeven logo aanklikt kan de jpeg-afbeelding vergroten en ziet dan de laatste pagina van het elfde dagboekcahier verschijnen. De zin onderaan deze pagina “Man muβ seine Pausen wahrhaben wollen!!!”, schreef Etty Hillesum op 13 october 1942. (Vgl. Het werk, 583: MAN MUSS SEINE PAUSEN WAHRHABEN WOLLEN!!!)

In de kritische editie wordt terecht de Duitse tekst weergegeven. De vraag is waarom deze zin in de gedrukte editie in hoofdletters wordt afgedrukt, terwijl dit in Hillesums handschrift niet zo is. In de toelichting (Manuscriptologische aantekeningen, p. 829) schrijven de tekstverzorgers dat zij de hoofdletters hebben toegevoegd, maar het motief wordt niet gegeven. Hier een helaas wat vage afbeelding van de zin zoals hij op de laatste bladzijde van het cahier werd neergeschreven:

Man muss-2In de Italiaanse integrale editie van het dagboek wordt de zin eveneeens in bovenkast afgedrukt. De vertaling van Ada Vigliani luidt: BISOGNA SAPER ACCETTARE LE PROPRIE PAUSE!!! (Diario, 797). In de Italiaanse editie worden alle Duitse teksten vertaald en hetzelfde geldt voor de Franse integrale editie. De laatste woorden vertonen nog een extra detail: IL FAUT SAVOIR ACCEPTER SES MOMENTS DE PAUSE!!! Men was op de redactie van uitgeverij Seuil niet tevreden met de hoofdletters en heeft er het  cursief aan toegevoegd.

Men ziet dat van alles en nog wat gebeurt gedurende het traject dat wordt afgelegd van het handschrift naar de gedrukte versie en wat vervolgens in de vertalingen en uitgaven in een andere culturele context terecht komt. Het laatste woord is er nog niet over gezegd.