Categorie: Verhalen

Keats-Shelly House in Rome werd bevrijd in 1944

Rechts aan de voet van de Spaanse Trappen in Rome staat een huis. Het ontleent zijn naam aan de dichter die er stierf. John Keats (1795-1821) betrok zijn kamers in de tweede helft van november 1820 en blies er op de avond van 23 februari 1821 zijn laatste adem uit. Overlijden op een van de mooiste plekken in Rome droeg bij aan de onsterfelijkheid van zijn roem. Het Keats-Shelly House werd een geliefd museum. Het werd opengesteld in 1909 en doorstond zonder schade de periode tussen de eerste en de tweede wereldoorlog. In 1942 groeide de dreiging en was het nodig het huis te sluiten. Met de komst van de Amerikanen gingen de deuren van het Keats-Shelly House in Rome weer open.

Over het Huis doen veel verhalen de ronde. In zijn boek A Traveller in Rome vertelt de Engelse schrijver H. V. Morton een aardige anecdote over de oorlogsjaren. Hij tekende het verhaal op uit de mond van de persoon aan wie de zorg voor het Huis was toevertrouwd.

De anecdote van Morton

I was surprised to be told by the loyal curator, Signora Signorelli Cacciatore, for this house seems to inspire devotion, that while hundreds visited the Keats House before the last war, thousands now come. She told me the story of the adventures of the Keats House during the war, which is an exciting one. The moment she realized that Italy was to be dragged into the war on Germany’s side, she packed up the chief treasures in two boxes and sent them to the Monastery of Monte Cassino, where the archivist, Don Mauro Inguanez, concealed them in his cell.

When the Allies landed in Italy, the Germans ordered the monks to leave, and many of their treasures fell into the eager hands of the Hermann Goering division. The Keats relics would also have done so had Don Mauro not sent them back to Rome as his own luggage. To the astonishment of the curator, they arrived one night in a German lorry and with an armed guard provided by the looters themselves.

June 1944

An anxious time followed. Germans who tried to enter the house were told that it was shut up and empty. On June 4, 1944, the Germans left Rome by one gate as the Allies entered by another. The Signora stood at the window and watched this happening. It was a calm moonlit night. The last Germans had gone; the last bursts of machine gun fire were over. The silence was unearthly as even the usual sound of La Barcaccia was stilled, for the conduits had been bombed and, like all the fountains of Rome, it was dry.

Suddenly a voice was heard calling from one of the windows in the Piazza di Spagna that the Allies were coming! She heard the rumble of approaching tanks. Then two files of armed figures passed silently in the moonlight. People ventured out of their houses and some flashed torches in the faces of the soldiers, who smiled and passed on into the darkness. Then an order was given and a halt was made. The Piazza was crowded. There in the moonlight the soldiers slept: on the pavements, in the dried-up fountain, on the Spanish Steps. For a moment it seemed to Signora Cacciatore that all these men were dead, victims of a silent battle fought in the Piazza.

‘On the next day, at six o’clock in the morning,’ said the Signora, ’the first Allied visitor knocked on the door. It was a Mr A. C. Sedgwick, the New York Times correspondent with the American Fifth Army, and with him was Captain Morgan, a British Public Relations Officer. “Everything all right?” asked Mr Sedgwick. In proof that it was, the windows were opened for the first time in four years.’

Aantekeningen bij het Keats-Shelly House in Rome

  • Het zicht op de Spaanse Trappen is van Piranesi. Hij maakte de ets rond 1750.
  • H. V. Morton, A Traveller in Rome. London: Methuen & Co, 1957, pp. 244-245.
  • De correspondent voor de New York Times A. C. Sedgwick (1902-1996) was in 1924 afgestudeerd in Engelse literatuur aan de Harvard University. Het lag dus voor de hand dat deze geletterde Amerikaan profiteerde van ziijn aanwezigheid op Piazza di Spagna.
  • Zie hier de website van het Huis.

 

1870 Kapitein Giacomo Segre lost het eerste kanonschot

Op 20 september 1870 ’s morgens om twintig over vijf begint de militaire actie die leidt tot de bevrijding van Rome. De Italiaanse artillerie opent het vuur op de Aureliaanse muur rechts van Porta Pia. Om half tien bracht de commandant van de 5° attilleriebatterij Giacomo Segre zijn kanonnen tot zwijgen. De muur was over een lengte van dertig meter neergehaald. De Italiaanse troepen trokken door het gat naar binnen en namen de stad in. Het stukje ‘1870 Kapitein Giacomo Segre lost het eerste kanonschot’ gaat over de rol van deze Joodse kapitein. De schrijfster Laura Quercioli Mincer vertelt erin wat er die beroemde ochtend volgens haar gebeurde.

Een Joodse kapitein bij de doorbraak van Porta Pia

Toen generaal Raffaele Cadorna richting Rome marcheerde, dreigde paus Pius IX de soldaat die het bevel had gegeven om het vuur op de heilige stad te openen met excommunicatie. Die zou iedereen treffen die had deelgenomen aan de aanval, maar de ernstigste gevolgen onderging hij die het eerste bevel had gegeven. Boven die ene persoon zou de hemel openscheuren en donder en bliksem zouden op hem neerdalen. Maar de hemel, die duidelijk andere dingen aan zijn hoofd had en die zelfs in veel ernstiger gevallen niet uit elkaar spatte, toonde geen enkel teken van vijandigheid tegenover de jonge kapitein Giacomo Segre, afkomstig uit Piëmont en een Jood.

Op die 20e september, nu honderddrieënvijftig jaar geleden, was hij het, onberispelijk gekleed in het uniform van het leger van Savoye en ongetwijfeld met een keurig verzorgde snor, die het bevel gaf. De eerste kanonschoten werden afgevuurd nabij de poort die, hoewel ontworpen door Michelangelo, vandaag de dag vooral herinnerd wordt vanwege de beroemde doorbraak op die bijzondere dag geforceerd in de muur.

De generaal en de kapitein

Hoe kunnen we ons het tafereel voorstellen? Idyllisch, met generaal Cadorna in persoon die de Joodse officier toespreekt: ‘Aan U, vertegenwoordiger van een minderheid die zoveel te lijden heeft gehad van het pausdom en al zoveel heeft gewonnen bij de eenwording van Italië, de eer om …’. Of met een lacherig ‘Ga voort officier, ik krijg er de lachstuipen van …’. We kunnen ons voorstellen dat het Piëmontse leger ook veel vrijdenkers onder zijn gelederen telde, maar misschien was het dreigement van de paus van dien aard dat zelfs de dappersten er rillingen van kregen. De enige uitzondering was de Joodse officier.

Of onthult deze episode misschien een karaktertrek van de familie Savoye, die in de eeuw erna bijzonder duidelijk zal zijn, namelijk het precieze verlangen om zichzelf vrij te pleiten van elke verantwoordelijkheid, om anderen altijd het ‘vuile werk’ te laten opknappen? Hoe het ook is gegaan, hoe we het ons ook willen voorstellen, het verhaal is ook ontroerend en mooi. De Joodse soldaten waren zich er terdege van bewust dat zij ook streden voor hun Romeinse geloofsgenoten. Die zaten nog steeds legaal opgesloten in het langst in stand gehouden getto van Europa. En bovendien streden zij voor de persoonlijke waardigheid van elke Jood. Voor één keer werd de lafheid van sommigen misschien gecompenseerd door de moed van anderen.

Vooraan

Het is moeilijk om zich soortgelijke gevallen voor te stellen, waarin Joden de eer kregen in de frontlinie te staan, het eerste schot te lossen. En wie weet of de onbekende bersagliere wiens beroemde standbeeld aan het begin van de Via Nomentana staat, ook Joods was. We weten niets over hem, maar over zijn meerdere, naar wie sommigen de feestdag van 20 september willen vernoemen, zijn we beter ingelicht.

Kolonel Giacomo Segre stierf in 1894 en ligt begraven op de Joodse afdeling van het kerkhof van Chieri. Bovenaan zijn grafsteen staat een Hebreeuwse inscriptie. Daaronder een bas-reliëf met de twee Tafelen der Wet en de woorden ‘Aan Giacomo Segre Onversaagd Bescheiden Integer …’. Onder die woorden de afbeelding van een affuit.

In 2008 plaatsten de stad Chieri, de Provinciale Raad van Turijn en de Nationale Bersaglieri Vereniging, naast het graf een plaquette. Daarop leest men: ‘Op deze plaats ligt kolonel Giacomo Segre begraven, commandant artillerie tijdens de doorbraak bij Porta Pia. Ter nagedachtenis aan hem en de Joodse Bersaglieri die vochten voor de eenwording van Italië.’

Giacomo’s brief aan Anneta

De dag na de beschieting van de muur en de inname van Rome, schreef Giacomo Segre aan zijn verloofde een brief. Ik vond hem in een andere bron en vertaalde deze paragraaf eruit.

Mijn liefste Annetta, gisteren was het een enerverende dag. Tegen mijn verwachting in verzetten de pauselijke troepen zich en moesten we de muur met onze kanonnen beschieten. Door de opening stormden vervolgens de infanterie en de bersaglieri naar binnen. Mijn batterij nam deel aan de actie en onderscheidde zich eervol. Een korporaal sneuvelde en mijn luitenant raakte ernstig gewond en stierf vanmorgen. Arme knappe jongeman van vierentwintig! Een andere korporaal is eveneens gewond en zal de avond misschien niet halen. Lichter gewond werden vier kanonniers.

Maar genoeg daarover! Rome is van ons en morgen ga ik haar bezoeken. Het gaat verder goed met me en ik kan je niet vertellen met hoeveel vreugde ik je laatste brief heb ontvangen. Na lange tijd heb ik hem weer gelezen en herlezen. Ik droeg hem bij mij toen ik naar de veldslag ging, waar men vrolijk naartoe marcheert, maar in het besef dat je weet waar je naartoe gaat, maar niet of je het geluk zult hebben om terug te keren. Je brief was een talisman die me beschermde tegen de regen van kogels die om me heen floten.

Aantekeningen bij 1870 Kapitein Giacomo Segre

  • Het verhaal ‘Un capitano ebreo alla breccia di Porta Pia’ staat in: Laura Quercioli Mincer, 101 Storie ebraiche che non ti hanno mai raccontato. Rome: Newton Compton editori, 2011, pp. 40-41. Over de schrijfster zie hier. De vertaling uit het Italiaans is van mij.
  • Eerder schreef ik over de doorbraak bij Porta Pia een kort stukje. Zie hier.
  • Een gedetailleerde historische uiteenzetting over de militaire actie van 20 september 1870 vindt u hier. Kapitein Segre ontvangt de Zilveren Medaille voor betoonde Militaire Moed met de motivatie dat hij uitstekende leiding van zijn batterij had gegeven. (Italiaans: Medaglia d’Argento al Valor Militare. “Per la splendida direzione data al fuoco della sua batteria”.)
  • In het Albertijnse Statuut van 8 maart 1848 werd in artikel 1 vastgesteld dat het rooms-katholieke geloof de Staatsreligie was en dat de andere geloven werden ‘getolereerd’. De Inname van Rome betekende voor de Romeinse Joden na eeuwen eindelijk de vrijheid om hun geloof openlijk te belijden.